RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1] , eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5951
V-nummer: [nummer]
mede namens haar minderjarige dochter
[naam 2]
(gemachtigde: mr. F. van Dijk)
en
(gemachtigde: mr. E.W.C. Dennebos).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Het terugkeerbesluit blijft in stand voor zover daarin Ethiopië als land van terugkeer is genoemd en wordt vernietigd voor zover daarin Eritrea als land van terugkeer is genoemd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 7 januari 2026 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Bij dit besluit is evenmin een verblijfsvergunning regulier of uitstel van vertrek om medische redenen verleend. Verder wordt eiseres opgedragen om binnen vier weken naar Ethiopië te vertrekken. Daarnaast is, onder verwijzing naar IB 2024/35 en een uitspraak van de ABRvS van 8 mei 2024, Eritrea genoemd als land van terugkeer.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat haar ouders tot de Pinkstergemeenschap behoren en dat zij om die reden, toen zij drie jaar oud was, vanuit Eritrea naar Ethiopië zijn gevlucht. Eiseres heeft verder verklaard dat zij op dertienjarige leeftijd in Ethiopië is gaan werken, zodat zij haar ouders financieel kon ondersteunen. Volgens eiseres is zij als hulp in de huishouding, mede vanwege haar illegale status, uitgebuit en mishandeld en is zij ingegaan op een aanbod van een vrouw om haar vertrek uit Ethiopië te regelen. In augustus 2022 heeft eiseres Ethiopië verlaten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De minister stelt zich op het standpunt dat eiseres met hetgeen zij heeft verklaard niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de Eritrese nationaliteit bezit. Afgaande op het Algemeen Ambtsbericht over Eritrea van 31 januari 2024 en de verklaringen van eiseres zelf (nader gehoor blz. 15 en 16) waren haar ouders in het bezit van documenten, maar deze zijn niet overgelegd. Ook van het jarenlange verblijf in Ethiopië heeft eiseres geen documenten overgelegd terwijl dat wel verwacht mocht worden. Tijdens het gehoor is eiseres gewezen op het belang van documenten voor de procedure en de mogelijkheid om deze als nog via haar familie, het Rode Kruis of de UNHCR te bemachtigen. Eiseres heeft hier echter afwijzend op gereageerd en nergens uit blijkt dat zij serieuze pogingen heeft gedaan om documenten te verkrijgen. Daarnaast vormen de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel waardoor haar nationaliteit en herkomst ook niet op die wijze geloofwaardig zijn gemaakt. Zo weet eiseres niets over Eritrea te vertellen terwijl verwacht mocht worden dat zij via haar ouders wel enige kennis zou hebben opgedaan. Daarnaast spreekt eiseres uitsluitend Amhaars evenals haar ouders. Eritrea kent drie officiële werktalen, te weten Tigrinya, Arabisch en Engels. Het wekt bevreemding dat met name de ouders van eiseres geen Tigrinya spreken. Verder komen de verklaringen van eiseres dat zij in Ethiopië niet naar school kon niet overeen met openbare bronnen waaruit blijkt dat Eritrese vluchtelingen in Ethiopië recht hebben op onderwijs en medische zorg.
Het tweede asielmotief van eiseres, de gestelde problemen wegens het behoren tot de Pinkstergemeente, is door de minister niet getoetst. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de ABRvS stelt de minister zich op het standpunt dat asielmotieven slechts betekenis toekomt tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling. Nu deze laatste twee elementen niet zijn komen vast te staan kan op de problemen van eiseres in Eritrea niet worden ingegaan volgens de minister.
De gronden van beroep
5. Eiseres heeft in beroep naar voren gebracht dat uit de verhalen van haar ouders blijkt dat zij uit voorzorg uit Eritrea zijn vertrokken en dat het daarmee voor de hand ligt om te constateren dat er geen tijd was om weloverwogen documenten te verzamelen en mee te nemen naar Ethiopië. Volgens eiseres zou een verzoek aan haar familie om haar documenten te doen toekomen vergeefs zijn en heeft zij zelf ook geen documenten onder zich gehad. Verder heeft eiseres naar voren gebracht dat haar ouders enkel nog Amhaars met haar spraken en dat haar beperkte geletterdheid dient te worden betrokken bij de vraag in hoeverre van eiseres verwacht mag worden dat zij meer weet te verklaren over Eritrea en haar achtergrond dan zij heeft gedaan.
Geloofwaardigheidsbeoordeling nationaliteit en herkomst
6. De rechtbank stelt voorop dat het, gegeven de ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 op de vreemdeling rustende bewijslast, aan eiseres is om haar herkomst en nationaliteit aannemelijk te maken en niet aan de minister om het tegendeel aannemelijk te maken.
Eiseres heeft geen documenten overgelegd om haar herkomst en nationaliteit aannemelijk te maken. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat het gezin waar eiseres deel van uitmaakt documentloos is. De rechtbank acht navolgbaar dat de minister zich niet heeft laten overtuigen door de tijdens het nader gehoor afgelegde verklaring “Toen ze weggingen hebben ze het huis op slot gedaan en weggedaan. Alle documenten lagen daar. (…) Ze hadden waarschijnlijk een geboorteakte maar dat weet ik niet (blz. 15-16).” Deze verklaring is onvoldoende om te concluderen dat het gezin van eiseres in een situatie terecht is gekomen waarbij er geen tijd was om documenten mee te nemen.
Eiseres is in de gelegenheid gesteld om met haar relaas alsnog haar gestelde herkomst en nationaliteit aannemelijk te maken. Eiseres heeft vervolgens verklaard dat zij op driejarige leeftijd vertrokken is, dat zij -ook van haar ouders- nooit een andere taal dan het Amhaars heeft gehoord (nader gehoor, blz. 4) en dat haar ouders haar niets hebben verteld over Eritrea. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister deugdelijk gemotiveerd waarom eiseres met deze verklaringen niet (alsnog) aannemelijk heeft gemaakt uit Eritrea te komen.
Eiseres heeft in de gronden van beroep vooral uiteengezet waarom zij zo weinig weet; dit maakt echter de gestelde nationaliteit niet aannemelijk. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding de uitkomst van de beoordeling van het eerste asielmotief niet in stand te laten.
De rechtbank komt daarom, net als de minister, niet toe aan het tweede asielmotief. Voor beantwoording van de vraag of artikel 3 van het EVRM zich verzet tegen terugkeer naar het land van herkomst is noodzakelijk dat de nationaliteit, identiteit en het land van herkomst van de vreemdeling vaststaan.
7. Dit brengt de rechtbank tot de vraag of het terugkeerbesluit in stand kan blijven. De gemachtigde van eiseres heeft op de zitting gesteld dat ten aanzien van Eritrea in het besluit een andersluidend standpunt is ingenomen en een refoulementbeoordeling ontbreekt.
De rechtbank stelt voorop dat de minister bij het aanwijzen van een land van terugkeer het beginsel van non-refoulement moet eerbiedigen. Dit volgt uit artikel 5 van Richtlijn 2008/115/EG. Als een terugkeerbesluit meerdere landen aanwijst moet het besluit de redenen bevatten waarom elk van deze landen wordt genoemd. Deze vaststellingen moeten door de rechter kunnen worden getoetst. Uit hoofdstuk III (Procedurele waarborgen) van Richtlijn 2008/115/EG volgt immers dat eiseres een doeltreffend rechtsmiddel moet kunnen aanwenden tegen het opgelegde terugkeerbesluit. Dit betekent dat eiseres in onderhavige procedure ook kan opkomen tegen de aanwijzing van Eritrea wegens (mogelijke) schending van artikel 5 van Richtlijn 2008/115/EG.
In het voornemen van 18 juli 2025 heeft de minister het volgende overwogen:
“De terugkeerverplichting ziet op Ethiopië. De reden dat Ethiopië is aangewezen als land waar u naar dient terug te keren, is als volgt. De stelling dat u de Eritrese nationaliteit zou hebben, is ongeloofwaardig geacht. Derhalve kan de terugkeerverplichting niet op Eritrea zien. Uit uw verklaringen blijkt dat u een sterke band met Ethiopië heeft. U heeft verklaard dat u bent opgegroeid in Ethiopië. U heeft hier vanaf uw derde of vierde jaar tot aan uw vertrek gewoond. Verder spreekt u Amhaars, één van de officiële talen in Ethiopië. Tevens is overwogen dat u geen problemen naar voren heeft gebracht die raken aan de gronden van het Vluchtelingverdrag en dat u geen reëel risico loopt op ernstige schade. U moet terugkeren naar Ethiopië.”
De rechtbank is van oordeel dat hiermee deugdelijk is gemotiveerd waarom Ethiopië is aangewezen als land waar eiseres naar dient terug te keren. Eiseres heeft geen gronden aangevoerd die hieraan kunnen afdoen.
De gemachtigde van eiseres wijst er wel terecht op dat in het op het voornemen volgende besluit ineens ook Eritrea als land van terugkeer is genoemd. Hierbij is de volgende motivering gegeven:
“In het voornemen is overwogen dat u moet terugkeren naar Ethiopië. Echter, wordt overwogen dat Eritrea tevens ook genoemd kan worden als te noemen land van terugkeer. Hierover het volgende. Het door u gestelde land van nationaliteit en herkomst mag worden genoemd als land van terugkeer, ook al wordt de gestelde nationaliteit en herkomst niet aannemelijk geacht.”
De rechtbank is van oordeel dat als de minister ten aanzien van eiseres, ondanks alles wat voorligt, een terugkeerbesluit gericht op Eritrea wil opleggen, de minister niet kan volstaan met deze motivering en het beginsel van non-refoulement onbesproken laten. Ook hier heeft de gemachtigde van eiseres ter zitting terecht op gewezen. Daarom zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen voor zover het terugkeerbesluit ziet op Eritrea.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover Eritrea is aangewezen als land van terugkeer. Het besluit blijft voor het overige in stand. Dat betekent dat ook de afwijzing van de asielaanvraag en het aanmerken van Ethiopië als land van terugkeer in stand blijft. De minister zal daarom niet worden opgedragen een nieuw besluit te nemen. De minister kan, desgewenst, een aanvullend terugkeerbesluit nemen, maar moet dan opnieuw rekening houden met de in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn beschreven belangen.
9. Vanwege de vernietiging van een deel van het besluit ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bbp voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.