ECLI:NL:RBDHA:2026:29067

ECLI:NL:RBDHA:2026:29067

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 04-06-2026
Datum publicatie 01-10-2026
Zaaknummer 25.52007
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Aanvraag mvv-nareis. Niet aangetoond dat sprake was van een feitelijke gezinsband tussen eiser en referent op het moment van binnenkomst van referent in Nederland. De aanvraag is terecht afgewezen. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.52007

(gemachtigde: mr. M.M.J. van Zantvoort),

en

(gemachtigde: mr. S. Hendriks).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een aanvraag van [naam] (referent) om een mvv voor eiser in het kader van nareis. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake was van een feitelijke gezinsband tussen eiser en referent op het moment van binnenkomst van referent in Nederland. De minister heeft de aanvraag om een mvv daarom terecht afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Referent heeft op 16 augustus 2022 voor eiser een aanvraag ingediend voor een mvv. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 25 juli 2024 afgewezen. Met het besluit van 26 september 2025 op het bezwaar van eiser (bestreden besluit) is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift uitgebracht.

De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen referent, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Als tolk was aanwezig S.T. Shah (tolknummer 13635).

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding

3. Referent is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hij heeft in het kader van nareis namens eiser een aanvraag ingediend om een mvv. Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 2005. Referent heeft bij de aanvraag opgegeven dat eiser zijn pleegkind is en dat eisers biologische ouders zijn overleden. Ook heeft referent opgegeven dat de moeder van eiser zijn zuster was.

Ook heeft referent namens zijn vader en moeder, broer en zussen een aanvraag ingediend om een mvv op grond van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft deze aanvraag afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft de minister bij afzonderlijk besluit van 26 september 2025 ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is beroep ingesteld bij de rechtbank. Dat beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer NL25.51998.

Bestreden besluit

4. Bij het bestreden besluit heeft de minister aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd dat eiser de familierechtelijke relatie met zijn biologische ouders niet aannemelijk heeft gemaakt met de door hem overgelegde documenten. Verder heeft eiser volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat referent zijn pleegouder is. De door eiser overgelegde verklaring van een wijkvertegenwoordiger is daartoe niet voldoende. Ook heeft eiser met de door hem overgelegde documenten volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat zijn beide biologische ouders zijn overleden. Dat de biologische ouders van eiser niet in staat zijn om toestemming te geven voor zijn vertrek naar Nederland is daarmee niet komen vast te staan. De minister stelt zich voorts op het standpunt dat eiser ook geen zodanig zwaarwegend begin van bewijs heeft geleverd dat aanleiding bestaat hem het voordeel van de twijfel te geven. Evenmin is de minister gebleken dat eiser verkeert in een situatie zonder zorg of opvang. Ten slotte ziet de minister geen aanleiding eiser ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 8 van het EVRM.

Gronden beroep

5. Eiser heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat de minister ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de administratieve situatie in Afghanistan en te streng heeft getoetst aan het overleggen van documenten die er niet zijn. Eiser voert aan dat hij zijn tazkera met de naam van zijn vader heeft overgelegd en daarbij een geboorteakte waarop ook de naam van zijn moeder is opgenomen. Eiser stelt dat hij daarmee de gezinsband met zijn biologische ouders aannemelijk heeft gemaakt. Verder heeft eiser aangevoerd dat hij de pleegzorgrelatie met referent aannemelijk heeft gemaakt. Hij verwijst daartoe naar de overgelegde de tazkera van zijn moeder en die van referent, waaruit blijkt dat zij broer en zus zijn. Eiser stelt dat met die gebleken familieband de pleegzorgband tussen hem en referent meer aannemelijker is geworden. Eiser betoogt daarnaast dat hij de pleegzorgrelatie naar Afghaanse maatstaven aannemelijk heeft gemaakt en dat de minister dat ten onrechte niet heeft getoetst. Daarbij wijst eiser erop dat hij een verklaring van de wijkvertegenwoordiger heeft overgelegd die de pleegzorgrelatie tussen hem en referent bevestigt. Dat die verklaring niet door het bureau documenten op echtheid kan worden onderzocht komt voor rekening en risico van de IND en mag volgens eiser niet betekenen dat aan die verklaring geen waarde wordt gehecht. Eiser verwijst daarbij nog naar het Algemeen ambtsbericht Afghanistan van juni 2023 over de voogdij en pleegzorg in Afghanistan. Volgens eiser sluit die passage aan bij wat referent heeft gesteld en blijkt uit dat ambtsbericht bovendien dat in geval van voogdij geen documenten beschikbaar zijn. Voor eiser is niet duidelijk waarop de minister baseert dat hij documenten ter onderbouwing van de pleegzorgrelatie had moeten overleggen. Eiser wijst op zijn minderjarigheid en stelt dat referent er alles aan heeft gedaan om zijn situatie met documenten te onderbouwen en voldoende aannemelijk te maken. Eiser doet een beroep op het arrest E. tegen Nederland van 13 maart 2019 van het Hof van Justitie (Hof). Ook meent eiser dat hij het overlijden van zijn ouders voldoende aannemelijk heeft gemaakt met onder meer de door het ziekenhuis van [plaats] afgegeven verklaringen en voorts dat de onmogelijkheid van onderzoek naar die documenten niet voor zijn rekening en risico mag komen. Eiser concludeert dat hem ten onrechte niet het voordeel van de twijfel is gegeven en dat de minister zijn belang bij gezinshereniging nauwelijks in de afweging heeft betrokken. Daarbij wijst eiser erop dat in de procedure van de overige gezinsleden, anders dan in zijn zaak, de overgelegde geboorteverklaringen wel als begin van bewijs worden gezien voor de familierechtelijke relatie en dat daarom in deze zaak de minister had moeten overgaan tot het horen van eiser. Voor wat betreft artikel 8 van het EVRM verwijst eiser ten slotte naar alles wat hij heeft aangevoerd.

Oordeel van de rechtbank

6. Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000 verleent de minister een verblijfsvergunning regulier aan de kinderen, daaronder mede begrepen een pleegkind, die op het moment van binnenkomst van referent in Nederland feitelijk behoren tot diens gezin.

In paragraaf C2/4.1.2 van de Vc 2000 staat dat een integrale beoordeling plaatsvindt van de identiteit en feitelijke gezinsband. De referent moet de feitelijke gezinsband tussen hem en zijn gezinslid op het moment van binnenkomst met documenten en verklaringen onderbouwen. Als de referent de feitelijke gezinsband niet met documenten kan onderbouwen, moet de referent met aanvullende gegevens en/of met plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen aannemelijk maken dat het gezinslid feitelijk behoort tot zijn gezin. Ook moet hij een verklaring geven voor het ontbreken van relevante documenten. De minister betrekt vervolgens alle documenten en verklaringen in onderlinge samenhang bij de beoordeling, waarbij onder andere ook wordt gekeken naar de hoeveelheid en bewijswaarde van de overgelegde documenten, de omstandigheden en administratieve praktijk in het land van herkomst en eventuele contra-indicaties.

In paragraaf C2/4.1.2.2 van de Vc 2000 staat verder dat de minister bij zijn beoordeling of het gestelde pleegkind feitelijk deel uitmaakt van het gezin van de referent onder meer de identiteit en de familierechtelijke relatie van dat pleegkind en zijn/haar biologische ouders betrekt en ook of de referent de voogdij over het pleegkind heeft gekregen.

Op eiser rust de bewijslast. Dit betekent dat het aan hem is om zijn feitelijke gezinsband met referent tegenover de minister aannemelijk te maken.

Als een nareisaanvraag betrekking heeft op een gesteld pleegkind, zoals in dit geval, moet de minister beoordelen of dat pleegkind voldoet aan het vereiste dat het op het moment van binnenkomst van de referent in Nederland tot zijn gezin behoort. Een gesteld pleegkind voldoet niet aan dit vereiste als het nog behoort tot het gezin van zijn biologische ouders. De beoordeling of een gesteld pleegkind op het moment van binnenkomst van de referent in Nederland tot zijn gezin behoort, hangt daarom onlosmakelijk samen met de beoordeling of dat pleegkind nog behoort tot het gezin van zijn biologische ouders. Ook dient de minister onder meer te beoordelen of referent de voogdij over het gestelde pleegkind heeft verkregen.

Eiser stelt dat zijn biologische ouders zijn overleden bij een busongeluk op 25 september 2007. Hij heeft daartoe verklaringen van het ziekenhuis te [plaats] overgelegd en gewezen op nieuwsberichten over dat ongeluk. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn biologische ouders zijn overleden. Het Bureau documenten van de IND (BD) heeft de echtheid van de overgelegde overlijdensakten niet kunnen vaststellen, zodat de minister daaraan beperkte betekenis heeft mogen hechten. De nieuwsberichten over het busongeluk heeft de minister evenmin toereikend kunnen achten, omdat die berichten alleen het busongeluk in algemene zin beschrijven en niet concreet het overlijden van eisers ouders.

Eiser stelt voorts dat referent zijn pleegouder is geworden na het overlijden van zijn biologische ouders. Hij heeft daartoe een verklaring van wijkvertegenwoordiger [naam] overgelegd. De wijkvertegenwoordiger getuigt en bevestigt daarin dat referent uit humane overwegingen de voogdij over eiser op zich heeft genomen na het overlijden van zijn ouders. BD heeft de echtheid van dat document niet kunnen vaststellen, zodat de minister ook daaraan beperkte betekenis heeft mogen hechten bij zijn beoordeling van de gestelde pleegouderrelatie. Bovendien heeft de minister op goede gronden vastgesteld dat de verklaring handgeschreven is en ongedateerd en bovendien niet is voorzien van een officieel waarmerk van de (lokale) Afghaanse autoriteiten. Dat referent volgens eiser de broer is van zijn overleden moeder heeft de minister ook niet voldoende hoeven achten voor het aannemen van de gestelde pleegouderrelatie.

De beroepsgrond van eiser dat de onmogelijkheid van onderzoek door BD naar de echtheid van de door hem overgelegde documenten voor rekening en risico van de minister moet komen, kan op grond van de in 6.3 omschreven bewijslastverdeling niet slagen. Ook eisers betoog, zoals ter zitting nader toegelicht, dat hij in Afghanistan niet meer documenten kan verkrijgen ter onderbouwing van de dood van zijn biologische ouders en de pleegrelatie met referent en dat hij dus in bewijsnood verkeert, slaagt niet De minister heeft, zoals nader ter zitting toegelicht met verwijzing naar het Algemeen ambtsbericht Afghanistan van 16 december 2025 en de daarin opgenomen paragrafen over burgerlijke documenten en gezag, eiser niet hoeven te volgen in zijn stelling dat verkrijging van een overlijdensakte of bewijs van verkregen voogdij onmogelijk is. Met de enkele stelling ter zitting dat de informatie uit het ambtsbericht slechts theorie betreft, dat zijn ouders al in 2007 zijn overleden, dat het wijkhoofd een rol heeft bij het regelen van voogdij en dat het in Afghanistan niet gebruikelijk is dat voogdij officieel geregeld wordt, heeft eiser – in weerwil van het ambtsbericht – bewijsnood niet aangetoond.

Nu de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser zowel het overlijden van zijn biologische ouders als de pleegzorgrelatie met referent niet aannemelijk heeft gemaakt, had de minister hem niet het voordeel van de twijfel hoeven geven en hem dus ook niet, anders dan aangevoerd, nader onderzoek moeten aanbieden. Ook eisers beroep op het arrest E. van 13 maart 2019 van het Hof kan hem niet baten. Uit dat arrest volgt niet dat de minister verplicht is in alle gevallen van nareis aanvullend onderzoek te doen. Verder heeft de minister in dit geval de door eiser overgelegde documenten laten onderzoeken en heeft hij daarnaast in overeenstemming met zijn beleid alle verklaringen en bewijselementen, officieel dan wel onofficieel, in onderlinge samenhang betrokken bij zijn beoordeling. In dit geval heeft eiser bovendien niet aannemelijk gemaakt dat hij bijzondere problemen ervaart of anderszins in omstandigheden verkeert die maken dat de eisen die zijn gesteld aan en de uitkomst van de beoordeling van de overgelegde documenten niet evenredig zijn. De minister heeft bij het bestreden besluit er terecht op gewezen dat referent tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft verklaard dat eiser in staat is voor zichzelf te zorgen.

Uit 6.8 volgt al dat het standpunt van de minister dat op het moment van binnenkomst van referent in Nederland geen sprake was van een feitelijke gezinsband tussen eiser en referent de rechterlijke toetsing kan doorstaan. De rechtbank zal daarom een beoordeling van de vraag of eiser met het door hem overgelegde bewijs de familierechtelijke relatie met zijn gestelde biologische ouders aannemelijk heeft gemaakt daarlaten.

Artikel 8 van het EVRM

De minister heeft ten slotte afdoende gemotiveerd dat hij in dit geval geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid ambtshalve verder te toetsen aan artikel 8 van het EVRM, omdat eiser niet onder de nareisgroep valt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Schutte, rechter, in aanwezigheid van drs.J.A. Meijer-Habraken, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.P. Schutte

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand