[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. W.A. Berghuis),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Imami)
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat Slovenië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2026 op zitting behandeld. Zowel eiser als zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser stelt de Soedanese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 2005. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 2 april 2026 ingediend.
2. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser een verzoek om internationale bescherming in Slovenië heeft ingediend, maar dat op zijn asielaanvraag nog niet is beslist. Op 4 mei 2026 heeft Nederland aan Slovenië verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Op 12 mei 2026 heeft Slovenië dit verzoek aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening.
Het bestreden besluit
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen omdat Slovenië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Slovenië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) of artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beroepsgronden van eiser
4. Eiser voert aan dat ten aanzien van Slovenië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, omdat hem de toegang tot opvang werd ontzegd tijdens zijn eerdere verblijf in Slovenië. Ter onderbouwing verwijst eiser naar het AIDA-rapport 2024 (update 2025) over Slovenië. Uit dit rapport blijkt dat Dublinclaimanten vanaf het moment van terugkeer als asielzoekers worden beschouwd. In de periode voordat de aanvraag formeel wordt ingediend, wat 3 tot 20 dagen kan duren, hebben zij geen toegang tot alle opvangvoorzieningen. Verder doet eiser in dit kader een beroep op twee uitspraken van deze rechtbank van 10 oktober 2025 respectievelijk 23 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2025:18966 en ECLI:NL:RBDHA:2026:6360. Volgens eiser kwam de rechtbank in beide uitspraken tot het oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mag worden gegaan, gelet op de informatie uit het AIDA-rapport.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), heeft in onder meer haar uitspraken van 8 september 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2644 en ECLI:NL:RVS:2022:2645) en 21 maart 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1106) geoordeeld dat ten aanzien van Slovenië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. In de uitspraak van 19 februari 2025 van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem (ECLI:NL:RBDHA:2025:2590) is bevestigd dat ten aanzien van Slovenië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Slovenië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Sloveense autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Dit kan eiser doen met landeninformatie en/of aan de hand van verklaringen over zijn eigen ervaringen. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punt 91-93 van het arrest Jawo).
6. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in zijn bewijslast geslaagd. Ter onderbouwing verwijst eiser naar het AIDA-rapport 2024 (update 2025). Uit dit rapport volgt volgens eiser dat Dublinclaimanten vanaf het moment van terugkeer en het formeel indienen van de aanvraag geen opvangvoorzieningen hebben, waardoor eiser ernstige vrees heeft dat de opvangvoorzieningen in Slovenië systeemfouten bevatten die schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM kunnen veroorzaken. De rechtbank volgt dit standpunt van eiser niet. Uit het meest recente AIDA-rapport 2025 (update mei 2026) volgt dat in de praktijk opvang wordt geboden aan Dublinclaimanten en dat zij vanaf het moment van het uitdrukken van de intentie om een asielaanvraag in te dienen tot aan het daadwerkelijk indienen van de formele asielaanvraag, opvang zullen genieten in een Asylum Home of Logatec. Uit deze informatie blijkt dus niet, anders dan eiser beweert, dat Dublinclaimanten tot het moment dat zij hun asielaanvraag formeel hebben ingediend zonder opvang komen te zitten. Het beroep van eiser op de uitspraken van deze rechtbank van 10 oktober 2025 en 23 maart 2026, slaagt eveneens niet. Bij deze uitspraken is het meest recente AIDA-rapport niet meegewogen. Ook heeft verweerder op de zitting terecht gewezen op de uitspraken van de Afdeling van 12 januari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:120) en 29 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4375), waarin is geoordeeld dat ten aanzien van Slovenië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Bovendien heeft Slovenië met het claimakkoord gegarandeerd dat een verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling zal worden genomen overeenkomstig de toepasselijke Europese regelgeving. Mocht eiser in Slovenië worden geconfronteerd met tekortkomingen in de asiel- en opvangprocedure, dan ligt het op zijn weg om zich te wenden tot de politie of andere autoriteiten en hen om hulp te vragen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
7. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.