ECLI:NL:RBDHA:2026:29076

ECLI:NL:RBDHA:2026:29076

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 01-10-2026
Datum publicatie 01-10-2026
Zaaknummer NL26.6016
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Syrië / bekering niet geloofwaardig / 15c situatie in de laagste gradatie / geen schendig artikel 3 EVRM / ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.6016

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. A.P.E.M. Pover)

en

(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . De minister heeft met het bestreden besluit van 28 januari 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat zijn zwager en neven boos op hem zijn omdat hij in 2011 niet wilde deelnemen aan protesten. Zij hebben hem tussen 2012 en 2014 telefonisch lastiggevallen. Eiser is in 2022 vertrokken uit Syrië. In 2025 heeft hij zich bekeerd tot het christendom. Hij vreest dat als zijn schoonfamilie dit ontdekt zijn vrouw en kinderen niet meer naar Nederland mogen komen. Bij terugkeer meent eiser te vrezen te hebben vanwege zijn bekering tot het christendom. Tevens vreest hij voor zijn zwager en neven vanwege het meningsverschil over de protesten.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

De minister volgt eiser in zijn identiteit, nationaliteit en herkomst maar vindt zijn gestelde bekering niet geloofwaardig. Dit omdat hij zijn bekering niet heeft onderbouwd met documenten en omdat zijn verklaringen over zijn bekering geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Toetsend aan de hand van Werkinstructie 2025/9 stelt de minister zich op het standpunt dat het door eiser geschetste proces van bekering en zijn motieven daarvoor onvoldoende zijn. Zo kan eiser niet aangeven wanneer hij overtuigd raakte dat hij zich wilde bekeren of hoe dit proces er voor hem heeft uitgezien. Daarnaast vindt de minister het door eiser gegeven motief voor zijn bekering, de vreedzaamheid in het christendom, te oppervlakkig. Verder acht de minister eisers kennis van het christendom onvoldoende. Eiser heeft aangegeven dat hij al in 2011 kennismaakte met het christendom maar geen gelegenheid had zich erin te verdiepen. Eenmaal in Nederland had eiser dat volgens eigen zeggen evenmin maar besloot hij zich na een gesprek met een zekere [naam 2] wel te bekeren. Ook vindt de minister de bekering niet aannemelijk omdat eiser geen kennis heeft van de inhoud van de bijbel en zijn kennis daarover baseert op één voorgelezen vers door de pastoor. Ook is eisers kennis van de kerkdienst en Jezus Christus volgens de minister zeer beperkt, evenals zijn kennis van de feestdagen en rituelen. Dat eiser in het AZC bang zou zijn om zich verder te verdiepen in het christendom wordt niet gevolgd omdat niet wordt ingezien hoe dit te rijmen valt met zijn keuze om zich wel te laten dopen.

De minister acht verder de manier waarop eiser uiting geeft aan zijn geloof en de activiteiten die hij in dat kader verricht onvoldoende. Eiser verklaart wisselend over de frequentie van zijn kerkbezoek en oppervlakkig over wat de kerkdiensten voor hem betekenen. Daarnaast geeft hij aan slechts in de kerk te bidden en dan, omdat hij de pastoor nazegt, niet te weten wat hij zegt. Behalve tijdens zijn bezoeken aan de kerk geeft eiser geen uiting aan zijn geloof. Ook kan eiser slechts summier en oppervlakkig aangeven waarom het uiten van zijn geloof belangrijk voor hem is. Op de vraag wat zijn doop voor hem betekent weet hij slechts te verklaren dat het hem rust geeft maar dit weet hij niet inzichtelijk te maken.

De minister acht, naast het eerste, ook het derde asielmotief van eiser geloofwaardig. Dit maakt volgens de minister echter niet dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft of dat hij bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op ernstige schade.

Eisers vrees door de bedreiging door zijn zwager en neven wordt door de minister niet aannemelijk geacht. Deze bedreiging vond plaats in de periode van 2012 tot 2014 en uitsluitend telefonisch. Na 2014 heeft eiser zijn zwager niet meer gesproken en alleen nog maar via anderen gehoord dat zijn zwager hem iets zou willen aandoen. Ook zouden eisers neven zijn kinderen iets willen aandoen en zouden zijn erger zijn dan hun vader. Waar hij dit op baseert weet eiser echter niet aan te geven. Omdat eisers vrees vooral is gebaseerd op verklaringen van derden en aannames acht de minister de vrees niet aannemelijk gemaakt.

Tot slot wijst de minister erop dat ten aanzien van Syrië wordt uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld waardoor het aan eiser is om aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Hierin is eiser niet geslaagd.

Gronden

5. In zijn gronden van beroep heeft eiser ten eerste aangevoerd dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij oppervlakkig verklaringen heeft afgelegd over het gestelde motief voor bekering, dat een diepere persoonlijke laag in zijn verklaringen ontbreekt en dat zijn verklaringen niet authentiek zijn. Eiser heeft zijn bekeringsmotief afdoende verklaard door de vergelijking te trekken tussen de kernwaarde van het christelijke geloof met zijn vreedzame karakter en de islam. Dat eiser zich niet meteen in Nederland heeft bekeerd kan afdoende verklaard worden door het feit dat het daarbij om een proces gaat waarbij het logisch is dat hij zich na een iets langer verblijf in Nederland vrijer en prettiger voelde zeker nu een bekering in Syrië taboe is. Omdat het om een proces gaat stelt de minister ook ten onrechte dat eiser een bepaald moment moet noemen waarop hij besloot zich te bekeren. Daarbij is de omstandigheid dat eiser ongeletterd is uiteraard een belemmering bij het vergaren van kennis over het christendom uit de Bijbel. Dat eiser een wat kinderlijke beleving heeft van het christendom is dan ook het gevolg van zijn referentiekader waar onvoldoende rekening mee is gehouden. Daarbij heeft hij niet wisselend verklaard over het moment waarop hij zijn kennis vergaarde. Natuurlijk had hij in Syrië al van het christendom gehoord maar door [naam 2] vergaarde hij in Nederland meer kennis over de kerk en het christendom. Dit geldt tevens voor eisers verklaringen over de kerkdiensten. De opmerking van de minister dat eiser onvoldoende weet te geven wat hem aanspreekt in de persoon van Jezus Christus en dat hij weinig over hem weet is onjuist. De vreedzame karakter van het christendom wat hem zo aanspreekt wordt belichaamd door Jezus en daarom beschouwt hij hem als de ware.

Ten aanzien van de algemene situatie in Syrië stelt eiser zich op het standpunt dat het relatief lager niveau waar de minister van uitgaat niet kan worden aangenomen voor christenen in Syrië en hij verwijst daarbij naar een reeks van geweldsincidenten genoemd in de zienswijze en zijn gronden van beroep. Nu eiser aannemelijk heeft gemaakt christen te zijn loopt hij een verhoogd risico op ernstige schade en/of willekeurig geweld. Ten slotte is zijn vrees voor zijn zwager en neven niet gebaseerd op vermoedens maar op feiten nu het die bedreigingen heeft gehoord van zijn zus, een direct familielid.

Bekering

6. De rechtbank is van oordeel dat de minister de bekering van eiser niet geloofwaardig heeft hoeven achten. Overeenkomstig zijn Werkinstructie 2025/9 heeft de minister eisers bekering getoetst aan de elementen proces en motieven, kennis en uiting en activiteiten. Ten aanzien van het eerste element heeft de minister niet ten onrechte overwogen dat eiser door middel van zijn verklaringen geen helder proces van bekering heeft weten te schetsen. Eiser verklaart dat hij in Syrië, in eerste instantie door klanten in zijn kapsalon, kennis maakte met christenen die hij leerde kennen als nette en vreedzame mensen. Dit in tegenstelling tot zijn islamitische landgenoten die hij onverdraagzamer en gewelddadiger vond. Dit deed hem er ook toe besluiten zijn kinderen op een christelijk school te doen. Eenmaal in Nederland zag hij zijn beeld van het christendom bevestigd en ontdekte hij dat hem dat een prettig en vrij gevoel gaf. Nadat hij eind 2024 [naam 2] had ontmoet die hem over het christendom vertelde besloot hij zich te bekeren en vijf maanden later te laten dopen. De minister heeft kunnen stellen dat eiser hiermee geen inzicht heeft gegeven in zijn bekeringsproces. De door eiser aangevoerde motieven voor zijn bekering heeft de minister ook summier en oppervlakkig mogen vinden. Eiser weet niet meer te verklaren dan dat hij het christendom als vreedzaam, tolerant en vergevingsgezind ervaart. Iedereen mag zichzelf zijn, er wordt niet gediscrimineerd. Dat eiser hierbij de vergelijking maakt met de islam die voor hem het tegenovergestelde vertegenwoordigt maakt niet, zoals de minister niet ten onrechte stelt, dat zijn motieven van diepgang getuigen. Dat eiser niet uitgebreider over het proces van bekering en zijn motieven daarvoor kan verklaren is mogelijk mede ter verklaren door het door de minister terecht benoemde gebrek aan kennis van het christelijke geloof. In Syrië maakte eiser naar eigen zeggen in 2011 kennis met christenen maar hij verklaart tevens dat hij in Syrië niet in de gelegenheid was om zich in het christendom te verdiepen. In Nederland ontmoette eiser [naam 2] die met hem over het christendom sprak waardoor hij zich geroepen voelde om zich te bekeren maar tegelijkertijd verklaart hij dat hij met [naam 2] maar weinig over het christendom sprak omdat hij daar te bang voor was en dat het zich verdiepen het christendom ook in Nederland moeilijk is. De enige plek voor eiser om kennis op te doen is de kerk waar hij een week voor de doop voor het eerst kwam en die hij totaal vijf keer bezocht. Daar vertelt de pastoor over Jezus en heeft hij eiser één Bijbelvers verteld. Verder weet eiser aan te geven dat Jezus de ware god is maar hij kan niet uitleggen waarom. Eiser kent alleen Kerst en Pasen als christelijke feestdagen maar haalt de betekenis van deze dagen door elkaar. De minister kan gevolgd worden in zijn standpunt dat dit erg weinig kennis is om in al die jaren te hebben opgedaan en helemaal erg weinig om tot een doordachte bekering te leiden. Dat de minister in dit opzicht te weinig rekening heeft gehouden met eisers referentiekader, hij is analfabeet, heeft de minister niet hoeven volgen. Er zijn genoeg mogelijkheden om kennis van het christendom op te doen zonder dat dit in de openbaarheid hoeft en zonder dat daarbij de kans bestaat om betrapt te worden. Tot slot kan de minister gevolgd worden in zijn standpunt dat de door eiser in Nederland verrichte activiteiten, te weten vijf bezoeken aan de kerk, niet bijdragen aan het geloofwaardige achten van zijn bekering evenmin als zijn verklaring dat hij bij terugkeer in Syrië zijn geloof zou willen uiten door te zeggen dat Jezus de ware is zonder dit te kunnen toelichten.

Vrees voor de algemene veiligheidssituatie in Syrië

7. De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze zittingsplaats al heeft geoordeeld geen aanleiding te zien voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte kwalificeert als een 15c-situatie in de laagste gradatie. Met wat eiser heeft aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de minister niet mag uitgaan van een 15c-situatie in de laagste gradatie.

De rechtbank verwijst ten aanzien van het meewegen van humanitaire omstandigheden naar de uitspraak van deze rechtbank van 19 mei 2026. Hierin heeft de rechtbank overwogen dat humanitaire omstandigheden die in een te ver verwijderd verband staan met het willekeurig geweld of die in hoofdzaak zijn veroorzaakt door een niet-strijdende actor, niet hoeven te worden betrokken bij de globale beoordeling van de gradatie van geweld. De minister heeft tijdens de zitting gewezen op de uitspraak van deze rechtbank van 29 juni 2026 en toegelicht dat die uitspraak het standpunt van de minister verwoordt. De rechtbank heeft in die uitspraak, die gaat over hetzelfde gebied als waar eiser uit afkomstig is, vastgesteld dat de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië, voor zover sprake is van voldoende causaal verband met willekeurig geweld, in overwegende mate het gevolg zijn van het handelen van het Assad-regime, dat geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. De minister mocht deze humanitaire omstandigheden daarom buiten beschouwing laten bij de vaststelling van de gradatie van het willekeurig geweld. Weliswaar kan ook het handelen van de nog actieve partijen invloed hebben op de humanitaire situatie, maar uit de landeninformatie volgt niet dat de huidige slechte humanitaire omstandigheden in hoofdzaak worden veroorzaakt of in stand gehouden door die partijen. Integendeel, uit de informatie blijkt dat de slechte humanitaire situatie in belangrijke mate wordt bepaald door een samenloop van factoren, waaronder langdurige economische ontwrichting, bestuurlijke en institutionele verzwakking, economische sancties, gebrekkige wederopbouw en de algemene staat van de infrastructuur na jaren van conflict. De slechte humanitaire omstandigheden zijn dus niet in overwegende mate te herleiden tot het actuele willekeurig geweld. De rechtbank ziet in dit geval ook geen aanleiding om af te wijken van deze uitspraak.

De rechtbank oordeelt verder dat eiser ten aanzien van persoonlijke omstandigheden die zouden moeten maken dat er, ondanks het lagere niveau van willekeurig geweld, in zijn individuele geval toch sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer als gevolg van willekeurig geweld omstandigheden heeft aangevoerd die betrekking hebben op het zijn van christen in het huidige Syrië. Nu eiser niet wordt gevolgd in bij bekering tot het christendom is er geen sprake van persoonlijke omstandigheden die in zijn geval maken dat toch sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer. Ook eisers vrees voor zijn zwager en zijn neven vormt geen persoonlijke omstandigheid in die zin. Nu deze vrees vooral gebaseerd is op verklaringen van derden en aannames heeft de minister deze vrees niet aannemelijk hoeven achten.

3 EVRM

8. De minister heeft in het verweerschrift toegelicht dat humanitaire omstandigheden die geen verband houden met willekeurig geweld in het kader van een lopend gewapend conflict, wel een rol kunnen spelen in de meer algemene beoordeling onder artikel 3 van het EVRM. Van schending van artikel 3 EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor kan slechts sprake zijn bij ‘very exceptional cases where the humanitarian grounds against removal were “compelling”’. De rechtbank volgt de minister in diens standpunt dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt. In dit verband heeft de minister kunnen wijzen op de beslissing van het EHRM van 24 september 2025, waarin geoordeeld is dat uitzetting naar Syrië niet in strijd was met artikel 3 van het EVRM.

Conclusie en gevolgen

9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand