Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/694547 / KG ZA 25-1124
Vonnis in kort geding van 6 februari 2026
in de zaak van
[eiseres] te [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. J. Biemond te Den Haag,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. T.J. Crom te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘de Staat’.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 november 2025;
- de conclusie van antwoord met producties;
- de akte wijziging/vermeerdering van eis;
- de van de zijde van [eiseres] overgelegde producties 1 tot en met 11;
- de op 9 december 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.
Aan het slot van de zitting van 9 december 2025 zijn partijen overeengekomen de procedure aan te houden tot 3 januari 2026. Namens [eiseres] is op 2 januari 2026 verzocht om voortzetting van de mondelinge behandeling. Van de zijde van de Staat zijn op 2 januari 2026 drie aanvullende producties ingediend, voorzien van een toelichting. Partijen is daarop bericht dat [eiseres] de gelegenheid krijgt te reageren op de akte van de Staat en dat de Staat daar vervolgens op mag antwoorden. Ook is partijen bericht dat de mondelinge behandeling niet voortgezet zal worden. Namens [eiseres] is op 14 januari 2026 bij akte gereageerd op de door de Staat ingediende producties en toelichting. De Staat heeft daarop bij akte van 14 januari 2026 geantwoord. Ten slotte is de datum voor vonnis bepaald op vandaag.
2. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Op 24 juli 2025 zijn zes honden van [eiseres] door de politie in beslag genomen. Het gaat om de honden [naam hond 1] , [naam hond 2] , [naam hond 3] , [naam hond 4] , [naam hond 5] en [naam hond 6] . Al langere tijd waren er zorgen over het welzijn van de honden van [eiseres] . De Staat heeft in dat verband gewezen op een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 21 november 2025 met daarin een opsomming van verschillende meldingen over de dieren in de periode 23 maart 2023 tot en met 24 juli 2025. Deze meldingen van derden variëren van zorgen over het welzijn van de puppy’s van [eiseres] , de zorg voor de honden, het ontsnappen en loslopen van de honden en de door de honden veroorzaakte overlast.
Op 3 april 2025 heeft de politie met [eiseres] gesproken over de mogelijkheid om hulp in te schakelen van een stichting, die herplaatsing voor de (toen nog) pups zou kunnen organiseren. Deze stichting stelde wel als voorwaarde dat de moeder van de pups zou worden gesteriliseerd. Daar wilde [eiseres] niet mee instemmen.
Op 27 juni 2025 is door Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) aan [eiseres] een last onder dwangsom opgelegd met als doel ervoor te zorgen dat [eiseres] de gezondheid en het welzijn van haar dieren (de honden) niet langer benadeelt. Als begane overtreding staat in de last vermeld dat de honden meerdere keren uit de woning en/of tuin van [eiseres] zijn uitgebroken en de openbare weg op zijn gelopen. Door honden niet zo te huisvesten dat wordt voorkomen dat deze kunnen ontsnappen en/of gevaar kunnen veroorzaken, is gehandeld in strijd met artikel 2.2 lid 8 Wet dieren en artikel 1.6 lid 3 en 4 Besluit houders van dieren. [eiseres] is opgedragen om er voor 1 juli 2025 zorg voor te dragen dat haar honden zo zijn gehuisvest dat deze niet kunnen ontsnappen en/of gevaar kunnen veroorzaken.
Op 24 juli 2025 heeft de politie weer een melding ontvangen dat (een van) de honden van [eiseres] (was) waren ontsnapt. De politie heeft twee getuigenverklaringen opgenomen. Een van de getuigen verklaarde dat een hond vanaf de eerste verdieping van de woning van [eiseres] op straat was gevallen. Een andere getuige verklaarde dat ze een hond van de buren in haar tuin zag, die tegen de schutting opklom en via het dak de tuin van de buren weer in ging. De politie heeft van [eiseres] toestemming gekregen om haar woning te betreden en de inspecteren. Daarvan zijn opnames gemaakt. Op basis van hun bevindingen waren de opsporingsambtenaren van oordeel dat [eiseres] niet had voldaan aan de last onder dwangsom en dat het niet verantwoord was om de honden nog langer bij haar te laten verblijven. In overleg met de officier van justitie is daarom overgegaan tot inbeslagname van de honden op grond van artikel 94 lid 2 Wetboek van Strafvordering (Sv) met het oog op verbeurdverklaring. [eiseres] heeft toen verklaard afstand te doen van de honden [naam hond 3] , [naam hond 4] en [naam hond 6] , en geen afstand te doen van [naam hond 1] , [naam hond 2] en [naam hond 5] .
De honden van [eiseres] zijn daarop onderzocht door een dierenarts van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. [eiseres] heeft op 1 augustus 2025 een klaagschrift ingediend op grond van artikel 552a Sv. Zij heeft verzocht om teruggave van de honden. Bij brief van 7 augustus 2025 is [eiseres] geïnformeerd dat de officier van justitie voornemens is de honden van [eiseres] te vervreemden.
Het beklag van [eiseres] is ongegrond verklaard bij beslissing van 9 september 2025. De strafrechter heeft onder meer het volgende overwogen:
“Uit de stukken en hetgeen in de raadkamer is besproken, is het volgende gebleken. De zes honden zijn op 24 juli 2025 in beslag genomen. Een getuige heeft verklaard dat zij zag dat één van de honden uit het raam van de bovenwoning van klaagster naar beneden viel. De politie ontving een melding dat meer honden uit het raam dreigden te vallen. De verbalisanten die ter plaatse kwamen en de woning van klaagster hebben bekeken, constateerden dat de woning van klaagster onhygiënisch en potentieel gevaarlijk was voor de honden. De dierenarts heeft de honden onderzocht en geconstateerd dat bij vier honden sprake was van oorontstekingen. Uit de stukken volgt dat klaagster de verbalisanten vrijwillig door de woning heeft geleid.
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de in beslag genomen honden verbeurd zal verklaren.
Bij de beoordeling van proportionaliteit en subsidiariteit geldt dat het beslag moet worden beschouwd als evenredige maatregel om het strafvorderlijk belang te beschermen en het welzijn van de dieren te waarborgen. De honden zijn ruim een maand geleden in beslag genomen. Minder ingrijpende maatregelen dan inbeslagneming van de honden zijn niet afdoende geacht. Het beslag op de honden is daarmee proportioneel en subsidiair.
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.”
[eiseres] heeft cassatie ingesteld tegen de beslissing van 9 september 2025.
De officier van justitie heeft een machtiging in de zin van artikel 117 Sv verleend aan de bewaarder om de honden te herplaatsen.
Op 17 november 2025 heeft de adjunct-officier van justitie de advocaat van [eiseres] als volgt bericht:
“Bedankt voor uw geduld. Nadat het ingediende klaagschrift door de raadkamer in deze zaak ongegrond is verklaard heb ik alsnog de beslissing genomen om de 6 honden te herplaatsen. Gelet op het feit dat in beslag genomen dieren doorgaans lang (onnodig) langdurig in opslag blijven omdat er vaak geen zicht is op een concrete zittingsdatum voor de behandeling van het cassatieschriftuur, heb ik vanwege het belang van het welzijn van de dieren de kosten die langdurige opslag met zich meebrengen alsnog besloten om de honden te herplaatsen. Deze beslissing hen ik genomen op 16 september 2025 en op die datum is deze beslissing ook doorgegeven aan het beslagcluster. Voor de goede orde heb ik voor het nemen van deze beslissing aansluiting gezocht bij de geldende OM instructie ten aanzien van in beslag genomen bijthonden.”
[eiseres] is later meegedeeld dat – op [naam hond 1] na – de honden zijn herplaatst. [naam hond 1] bevindt zich nog bij de bewaarder. Er loopt (nog) geen strafzaak tegen [eiseres] .
3. Het geschil
[eiseres] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
de Staat te verbieden om alle 6 honden van [eiseres] te herplaatsen / vervreemden tot de inhoudelijke strafzaak tegen [eiseres] ; en
de Staat te bevelen om hond [naam hond 1] tot en met een inhoudelijke strafzaak tegen [eiseres] (of sepotbeslissing) bij [eiseres] thuis te plaatsen;
met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure.
Daartoe voert [eiseres] – samengevat – het volgende aan.
Het voornemen om de honden te vervreemden is een inbreuk op het eigendomsrecht. Het voornemen van de officier van justitie om de honden te vervreemden is in strijd met de wet, de OM-richtlijnen en in strijd met de regels van proportionaliteit en subsidiariteit. Artikel 117 lid 2 Sv is een uitzonderingsbevoegdheid waarvan zeer terughoudend gebruik kan worden gemaakt. Daarvoor is in deze zaak geen enkele noodzaak. Opslagkosten vloeien voort uit beslag en mogen geen reden zijn om tot vervreemding over te gaan. [eiseres] heeft geen strafblad en zij wil de kans krijgen om haar handelen ten opzichte van de honden te laten beoordelen en zo nodig te verbeteren. De beslissing aangaande vervreemding of onttrekking aan het verkeer is uitsluitend aan de strafrechter/bodemrechter.
De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
Na de mondelinge behandeling van 9 december 2025 is de procedure aangehouden om te bezien of de Staat [eiseres] meer informatie zou kunnen geven over de bestemming van vijf van de zes honden. Daarvoor was aanleiding omdat [eiseres] ter zitting de stelling van de Staat dat deze honden waren herplaatst in twijfel trok. Zo zou [eiseres] hebben achterhaald dat [naam hond 2] in een dierenopvang in Enschede verbleef en maakte zij uit database Petbase op dat vier van de honden waren overleden. Uit de op 2 januari 2026 door de Staat overgelegde stukken en de daarbij gegeven toelichting is gebleken dat de vermoedens van [eiseres] dat vier honden niet meer leefden juist waren. [naam hond 5] , [naam hond 4] , [naam hond 6] en [naam hond 3] zijn eind oktober overgedragen aan de dierenbescherming, zo blijkt uit door de Staat overgelegde stukken, en de Staat heeft toegelicht dat de honden daarna zijn geëuthanaseerd vanwege gezondheidsproblemen (in twee gevallen) en gedragsproblemen (in twee gevallen) bij de honden. Verder heeft de Staat een geanonimiseerde koopovereenkomst overgelegd waaruit blijkt dat [naam hond 2] door de dierenbescherming op 14 november 2025 is overgedragen aan een derde.
De Staat heeft zijn excuses aangeboden voor de onjuiste mededelingen over het lot van de vier honden van [eiseres] . Dat de nieuwe informatie [eiseres] zwaar is gevallen, is begrijpelijk. In plaats van mogelijke berusting in de wetenschap dat de honden bij derden onderdak zouden hebben gevonden, is voor [eiseres] de bevestiging gekomen dat de honden niet meer leven. Namens [eiseres] is de handelwijze van de Staat als onbehoorlijk, kwetsend en onrechtmatig getypeerd. [eiseres] heeft er daarbij ook op gewezen dat nergens uit is gebleken dat de dierenarts na inbeslagname van de honden iets stelt over een (ongeneeslijke) ziekte bij de honden en dat ook nergens uit blijkt dat de honden door een gedragsdeskundige zijn onderzocht. Deze verwijten en constateringen van [eiseres] vallen buiten het bestek van dit kort geding waarin de vraag moet worden beantwoord of er gelet op een spoedeisend belang een voorziening moet worden getroffen. In deze procedure heeft [eiseres] een verbod voor de Staat gevorderd om haar honden te herplaatsen; specifiek voor [naam hond 1] heeft ze gevorderd dat deze tot en met de strafzaak (of sepotbeslissing) bij haar thuis geplaatst zal worden. Vier van de honden waarop de vordering van [eiseres] zich richt leven niet meer. Ten aanzien van deze honden heeft [eiseres] bij de beoordeling daarvan geen belang meer. De Staat heeft door overlegging van een koopovereenkomst verder ook onderbouwd dat [naam hond 2] is herplaatst. Ook bij de beoordeling van de vordering ten aanzien van [naam hond 2] heeft [eiseres] geen belang meer. Het gevorderde verbod om tot vervreemding over te gaan, is dan ook alleen nog van belang voor zover het [naam hond 1] betreft. Deze bevindt zich nog bij de RVO. De Staat heeft aangevoerd dat hij nog steeds voornemens is [naam hond 1] te herplaatsen, als de uitkomst van deze procedure dat mogelijk maakt, omdat de Staat terugplaatsing bij [eiseres] niet verantwoord acht. Hierna wordt uitgelegd waarom de vordering van [eiseres] ook ten aanzien van [naam hond 1] zal worden afgewezen.
Op grond van artikel 117 Sv is het Openbaar Ministerie (OM) bevoegd om, voorafgaand aan een beslissing in de strafzaak, onder voorwaarden over te gaan tot vervreemding of vernietiging van in het kader van die zaak inbeslaggenomen goederen. Dit is mogelijk als de inbeslaggenomen goederen niet geschikt zijn voor opslag, de kosten van bewaring niet in redelijke verhouding tot de waarde van de goederen staan, dan wel de goederen vervangbaar zijn en de tegenwaarde eenvoudig kan worden bepaald. [eiseres] stelt dat haar eigendomsrecht wordt beschermd door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EP EVRM). Vervreemding op grond van artikel 117 Sv levert echter geen strijd op met dat artikel. Inbreuk op eigendom is immers op grond van deze wettelijke regeling toegestaan als aan de daarin genoemde eisen is voldaan. De eisen houden in dat de inbreuk een wettelijke basis en een legitieme doelstelling in het publiek belang (‘legitimate aim’) moet hebben, en dat de regulering proportioneel moet zijn (‘fair balance’). Aan deze eisen is voldaan bij correcte toepassing van artikel 117 Sv. Het bezwaar van [eiseres] op dit onderdeel wordt verworpen.
Het OM komt een ruime beleidsvrijheid toe bij het wel of niet verlenen van een machtiging in de zin van artikel 117 Sv. De wetgever heeft er bewust voor gekomen om de afgifte van een machtiging ex artikel 117 Sv niet vooraf door een rechter te laten toetsen. Dat is anders dan bij – bijvoorbeeld – de maatregel ‘onttrekking aan het verkeer’ van inbeslaggenomen goederen in de zin van artikel 36b lid 1 onder 4 Sr, waarop de door [eiseres] genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 29 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:982 en HR 11 maart 1986, ECLI: NL:HR:1986:AC1898) betrekking heeft. De maatregel kan, op vordering van het OM, bij rechterlijke beschikking worden opgelegd. Daarover moet dus eerst een oordeel van de strafrechter worden afgewacht. Dat doet echter niet af aan de toegekende bevoegdheid waarvan de officier van justitie hier gebruik maakt (artikel 117 Sv) om tussentijds een machtiging te verlenen tot vervreemding of vernietiging van inbeslaggenomen voorwerpen.
De ruime beleidsvrijheid die de officier van justitie heeft, brengt mee dat de burgerlijke rechter de toepassing van die bevoegdheid slechts marginaal kan toetsen. Ingrijpen door de burgerlijke rechter kan alleen aan de orde zijn als de officier van justitie, na afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot zijn beslissing om een machtiging in de zin van artikel 117 Sv af te geven. In deze belangenafweging ligt ook besloten dat het hier gaat om levend dier, dat de machtiging tot vervreemding onomkeerbaar is en dat een hond onvervangbaar is. In die zin wordt dus ook getoetst overeenkomstig hetgeen de Procureur-Generaal heeft opgemerkt (en waar door [eiseres] naar is verwezen) in de conclusie bij het arrest van de Hoge Raad van 29 juni 2021 (ECLI:NL:PHR:2021:332) dat het zich laat denken dat bij levende dieren, gelet op de onomkeerbaarheid en onvervangbaarheid zeer terughoudend wordt omgegaan met de aan het OM op grond van artikel 117 Sv toekomende bevoegdheid. In dit geval heeft de officier van justitie in redelijkheid kunnen komen tot de machtiging tot vervreemding. Daarvoor is het volgende van belang.
[eiseres] heeft op grond van artikel 552a Sv al beklag ingediend tegen de inbeslagname van de honden. Op dat beklag is door de raadkamer beslist. De voorzieningenrechter moet zich richten naar het oordeel van de beklagrechter en daarom geldt in dit kort geding als uitgangspunt dat het strafvorderlijk belang zich tegen opheffing van het beslag verzet en dat voortzetting van het beslag ook in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Uit de uitspraak van de beklagrechter kan weliswaar niet met zekerheid afgeleid worden dat deze bekend was met het voornemen van de officier van justitie om over te gaan tot vervreemding van de honden in het geval het klaagschrift van [eiseres] ongegrond zou worden verklaard, maar het is aannemelijk dat de beklagrechter van het voornemen op de hoogte is geweest. Dit voornemen is al op 7 augustus 2025 aan [eiseres] bekend gemaakt. Weliswaar had zij het klaagschrift toen al ingediend, maar het ligt in de rede dat dit op de zitting van 26 augustus 2025 aan de orde is gekomen, zoals door de Staat ook is aangevoerd. Wat daar ook van zij, vast staat dat de beklagrechter heeft geoordeeld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de in beslag genomen honden verbeurd zal verklaren.
Het OM heeft een beroep gedaan op artikel 10 lid 2 van het Besluit inbeslaggenomen waarin is bepaald dat de bewaarder ten aanzien van inbeslaggenomen levende dieren zo spoedig mogelijk met het openbaar ministerie overlegt over hetzij een passende wijze van bewaring hetzij een geschikte machtiging tot het prijsgeven of vervreemding om niet of om baat. Het OM heeft toegelicht dat zeker als voldoende aanwijzingen bestaan dat de beslagene niet in aanmerking komt voor teruggave, het wenselijk is dat zo snel mogelijk een beslissing wordt genomen over de uiteindelijke bestemming van de hond. Dit is een uitgangspunt dat het OM in het algemeen in redelijkheid kan nemen.
De Staat heeft er met juistheid op gewezen dat de honden van [eiseres] niet goed werden verzorgd. Het overgelegde proces-verbaal van bevindingen bevat diverse constateringen na meldingen van derden waaruit het beeld naar voren komt dat de zorg voor haar honden [eiseres] ver boven het hoofd is gegroeid. Gebleken is dat [eiseres] , ook nadat er een poging is gedaan om haar te helpen en te ontlasten bij de zorg, de situatie niet meer onder controle heeft gekregen en dat de leefomstandigheden voor de honden bij haar thuis zijn verslechterd. De honden van [eiseres] zijn meerdere keren uitgebroken uit haar woning en/of tuin en de openbare weg opgelopen, met gevaar voor de dieren en de omgeving tot gevolg. Om deze reden is aan [eiseres] uiteindelijk ook een last onder dwangsom opgelegd, maar ook daarna is van verbetering niet gebleken. De ernst van de situatie blijkt verder uit de foto’s van de woning en tuin die de opsporingsambtenaar op 24 juli 2025 heeft gemaakt, toen er wederom een melding is gemaakt van ontsnapping van de honden en een getuige verklaarde over een val van een hond vanaf de bovenverdieping naar beneden. Geconstateerd is dat de woning van [eiseres] onhygiënisch en potentieel gevaarlijk is voor honden. Verder is daarna gebleken dat bij vier honden sprake was van oorontstekingen en ook is geconstateerd dat de situatie van de vier uiteindelijk geëuthanaseerde honden dusdanig was dat het niet verantwoord was deze te herplaatsen. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de honden door [eiseres] niet goed (meer) werden verzorgd en de Staat in redelijkheid tot het oordeel kan komen dat in de geschetste omstandigheden geen vertrouwen bestaat dat bij teruggave van (alleen) [naam hond 1] de situatie bij [eiseres] wezenlijk anders zal zijn.
De conclusie luidt dan ook dat het OM in redelijkheid tot herplaatsing van [naam hond 1] bevoegd was. Van een situatie waarin de officier van deze bevoegdheid geen gebruik heeft kunnen maken is geen sprake. Daarvoor is, naast voornoemde feitelijke situatie, ook van belang dat met bewaring van [naam hond 1] hoge kosten zijn gemoeid en het ook niet in het belang van de hond is om langdurig bij een bewaarder te moeten blijven. Het is in het belang van [naam hond 1] dat spoedig een nieuw, goed, onderkomen wordt gevonden. Het gevorderde verbod tot herplaatsing/vervreemding zal worden afgewezen en ook de gevorderde afgifte van [naam hond 1] komt niet voor toewijzing in aanmerking.
Hoewel het door [eiseres] gevorderde wordt afgewezen en zij dus per saldo in het ongelijk wordt gesteld, ziet de voorzieningenrechter vanwege de tekortkoming van de Staat in diens informatieverstrekking over het lot van de honden van [eiseres] aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het gevorderde af;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026.
ddg