Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09-154293-25 en 08-177416-23 (tul)
Datum uitspraak: 2 oktober 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2003 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 28 augustus 2025, 14 november 2025, 23 januari 2026, 10 april 2026, 3 juli 2026 (alle pro forma) en 18 september 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.T. Verweijen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden mr. J.E. Kötter en mr. A.J.W.F. Segeren naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 19 mei 2025 te ’s-Gravenhage [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer] meermalen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de buik en/of de flank(en), althans in het lichaam, te steken.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het impliciet primair ten laste gelegde, te weten moord, en dat het impliciet subsidiair ten laste gelegde, te weten doodslag, wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het impliciet primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat het bestanddeel voorbedachte raad niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verder heeft de verdediging zich voor wat betreft het impliciet subsidiair ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal van het onderzoek 30PARIS / DH3R025058, met het nummer PL1500-20251, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 266).
De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 18 september 2026, voor zover inhoudende:Ik ging op 19 mei 2025 lopend van station Holland Spoor naar de [straatnaam 1] in Den Haag. Ik zag mijn opa, [slachtoffer] , buiten staan. Ik heb hem gestoken. Ik heb hem met een keukenmes gestoken. Ik heb meer dan één keer gestoken. U vraagt mij of er een of meerdere steekmomenten waren. Er was één steekmoment met meerdere steken.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 19 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 42):
Ik, verbalisant, verklaar het volgende:
Op 19 mei 2025 hoorde ik dat een persoon was neergestoken in de [straatnaam 1] in onze wijk. Ik stapte uit en ik zag dat er op de hoek van de [straatnaam 1] met de [straatnaam 2] een persoon lag. Ik hoorde de man zeggen dat hij erge buikpijn had en ik zag dat er veel bloed aan zijn linkerzijde op het trottoir lag. Ik tilde zijn t-shirt op en ik zag een aantal messteken. Ik zag dat er ook wat oppervlakkige wonden waren maar twee van de wonden zagen er wel uit of het dieper was. Ik hoorde dat het slachtoffer, dat later bleek te zijn [slachtoffer] van [geboortedatum 2] 1950, nog aanspreekbaar was en ik vroeg of hij wist wat er gebeurd was. Ik hoorde hem zeggen het was mijn kleinzoon. Mijn kleinzoon heeft het gedaan.
3. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , opgemaakt op 19 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 29-32):
Ik, verbalisant, verklaar het volgende. Op 19 mei om 14:28 uur verhoorde ik de getuige. De getuige verklaarde:
V: Kunt vertellen wat er precies is gebeurd?
A: Ze stonden te praten. Ik zag dat man 2, man 1 op de grond gooide en hem begon te slaan. Na het slaan pakte hij een mes van straat. Op de kruising [straatnaam 1] met de [straatnaam 2] aan de rechterkant van de straat. Ik zag dat hij vervolgens naar het slachtoffer toe liep. Ik zag dat hij hem drie of vier keer in de linkerzij stak. Man 2 had het mes overduidelijk in de rechterhand.
4. Het deskundigenverslag van drs. [arts] , arts en deskundige forensische pathologie, d.d. 11 november 2025, voor zover inhoudende (p. 238, 242-244):
In verband met een aanhoudende slechte klinische toestand werd uiteindelijk besloten de behandeling op 22 mei 2025 te staken waarna betrokkene overleed.
Steek- en snijletsels
Aan het lichaam waren in totaal tien steekletsels en twee snijletsels ontstaan door
krachtinwerking met één of meerdere scherprandige voorwerpen (zoals een mes).
Bij de steekletsels aan de buik was er onder meer meervoudige perforatie
van de buikholte en de darmen.
De lengte van het grootste steekletsel was circa 2,5 cm. De diepte van het diepste
steekkanaal, gemeten tot aan het bereiken van de buikholte, was circa 5,5 cm.
ConclusieDe heer [slachtoffer] is overleden aan de gevolgen van vier steekletsels aan de buik en twee steekletsels aan de linkerflank.
Bewijsoverwegingen
Opzet op de dood
De verdachte heeft zijn opa, [slachtoffer] , een aantal keer met een mes in de buik en flank gestoken. Dat steken heeft tien steekletsels en twee snijletsels bij [slachtoffer] veroorzaakt. Anders dan de verdachte heeft verklaard, is de rechtbank van oordeel dat het handelen van de verdachte naar zijn uiterlijke verschijningvorm dient te worden aangemerkt als zozeer gericht op het doden van [slachtoffer] , dat het opzet van de verdachte hierop ten volle was gericht.
Voorbedachte raad
De rechtbank stelt voorop dat voor bewezenverklaring van voorbedachte raad moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op zijn te nemen of genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad, gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.
De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat.
De rechtbank overweegt als volgt. De verdachte heeft verklaard dat hij niet meer weet waarom hij op 19 mei 2025 van Amsterdam naar Den Haag is gereisd. Ook weet hij niet meer te vertellen waarom hij vervolgens vanaf station Holland Spoor in de richting van de [straatnaam 1] , waar zijn opa woonde, is gaan lopen. Evenmin is uit het onderzoek ter terechtzitting duidelijk geworden waarom de verdachte deze reis heeft gemaakt. Wel blijkt uit het onderzoek naar de telefoon van de verdachte dat tussen de verdachte en zijn opa geen berichten waren verzonden. De rechtbank kan noch uit de verklaring van de verdachte, noch uit het dossier afleiden dat de verdachte naar de [straatnaam 1] is gegaan met het voornemen om zijn opa te doden. Dat de verdachte een tweetal messen op zak had, is voor die vaststelling eveneens onvoldoende, omdat genoegzaam uit het dossier is gebleken dat de verdachte vaker een mes bij zich had.
Vervolgens heeft de verdachte verklaard dat hij zijn opa in de [straatnaam 1] zag staan, dat hij een kort gesprek met hem had en dat hij hem toen een mes heeft laten zien, waarna zijn opa het mes afpakte. De verdachte heeft toen het mes weer teruggepakt en twee vragen aan zijn opa gesteld. Op beide vragen gaf zijn opa geen antwoord. Vervolgens heeft hij zijn opa uit boosheid gestoken, aldus de verdachte. De rechtbank kan ook uit deze verklaring noch anderszins uit het dossier afleiden dat de verdachte, toen hij zijn opa in de [straatnaam 1] tegenkwam en met hem in gesprek was, het besluit had genomen om zijn opa te doden. De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat de besluitvorming en uitvoering in een plotselinge hevige drift hebben plaatsgevonden en dat de verdachte niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Conclusie
Het voorgaande brengt met zich dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het impliciet primair ten laste gelegde. De rechtbank acht het impliciet subsidiair ten laste gelegde wel wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 19 mei 2025 te ’s-Gravenhage [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer] meermalen met een mes in de buik en de flank te steken.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten tijde van het plegen van het feit in verminderde mate toerekeningsvatbaar was en dat de verdachte derhalve strafbaar is.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft naar voren gebracht dat, als de rechtbank bepaalt dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is, strafoplegging achterwege dient te blijven. De verdachte moet dan, zo begrijpt de rechtbank, worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft kennisgenomen van twee Pro Justitia-rapporten van psychiater [psychiater] van 17 december 2025 en 20 mei 2026. De psychiater heeft geconcludeerd dat de verdachte leidt aan een ongespecificeerde schizofrenie-spectrum of een andere psychotische stoornis en dat het psychotisch beeld ten tijde van het opstellen van de rapportage van 20 mei 2026 naar de achtergrond is verdwenen. Dit komt door anti-psychotische medicatie en abstinentie van cannabis tijdens de detentieperiode van de verdachte. Diagnostische uitspraken over persoonsontwikkeling werden uitgesteld, gelet op het psychotisch toestandsbeeld van de verdachte.
De psychiater heeft in de rapportage opgemerkt dat een uitgewerkt delictscenario niet opgesteld kon worden, omdat de verdachte heeft verklaard zich weinig van die dag en de periode voorafgaand aan het tenlastegelegde te kunnen herinneren. Gelet op de verklaring van de moeder van de verdachte, is het volgens de psychiater wel aannemelijk dat de psychose ook voorafgaand aan het tenlastegelegde aanwezig was. Daarbij acht de psychiater het aannemelijk dat de emotieregulatie en impulscontrole van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde verstoord waren. De psychiater heeft geconcludeerd het tenlastegelegde de verdachte in verminderde mate toe te rekenen.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van tweetal Pro Justitia-rapporten van GZ- en kinder- en jeugdpsycholoog drs. [psycholoog] van 16 januari 2026 en 22 mei 2026. De psycholoog heeft ook geconstateerd dat bij de verdachte sprake is van een ongespecificeerde
schizofreniespectrum of andere psychotische stoornis, mogelijk in het kader van
schizofrenie, aangezien de symptomen bij de verdachte gedurende minstens zes maanden ononderbroken aanwezig lijken te zijn geweest. Het is volgens de psycholoog aannemelijk dat deze stoornis ook bestond ten tijde van het tenlastegelegde. Volgens de psycholoog lijkt de verdachte gedurende het tenlastegelegde (mede) gehandeld te hebben vanuit zijn
psychotische belevingen, waarbij vooral de grootheids- en achtervolgingsbelevingen
opvallen. Daarbij is niet duidelijk geworden op welke wijze deze hebben doorgewerkt, maar de psychotische belevingen lijken invloed te hebben gehad op zijn gedragskeuzes tijdens de daad. Daarnaast is bij de verdachte sprake van problemen in de agressieregulatie, al sinds zijn basisschoolleeftijd. Vermoedelijk heeft de verdachte gedurende de psychose minder controle over zijn agressie gehad. De verdachte lijkt tijdens het tenlastegelegde onvoldoende in staat te zijn geweest andere (gedrags)keuzes te maken en/of om de gevolgen van zijn handelen te overzien. De psycholoog heeft, net als de psychiater, geadviseerd het tenlastegelegde de verdachte ten minste in een verminderde mate toe te rekenen. De psycholoog heeft niet uitgesloten dat het tenlastegelegde de verdachte in zijn geheel niet is toe te rekenen. Dit wordt echter niet nader door de psycholoog toegelicht.
De rechtbank ziet onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat de verdachte ten tijde van het plegen van het feit de wederrechtelijkheid van zijn handelen in het geheel niet kon begrijpen of dat hij in het geheel niet in overeenstemming met dat besef kon handelen. Uit de rapportages leidt de rechtbank af dat de verdachte wel gedeeltelijk in staat was om anders te kiezen en/of te handelen. De rechtbank ziet dit ook bevestigd in de verklaring van de verdachte ter terechtzitting: de verdachte heeft verklaard dat hij op een gegeven moment realiseerde dat hij te ver was gegaan en dat het genoeg was.
Aangezien de conclusies en adviezen van de psychiater en psycholoog gedragen worden door hun bevindingen en ook door dat wat op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en legt die mede aan haar oordeel over de straftoemeting ten grondslag. De verdachte wordt in verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht en dat zal worden meegenomen bij de op te leggen straf.
Nu er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de verdachte geheel uitsluiten, is de verdachte strafbaar.
6. De oplegging van straf en maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, alsmede dat aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met een bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: dwangverpleging).
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van maximaal vijf jaren en aan hem tbs met voorwaarden op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
Overwegingen omtrent de op te leggen straf
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Doodslag behoort tot de meest ernstige strafbare feiten die de wet kent. Binnen de rechtspraak bestaan voor dit delict geen landelijke oriëntatiepunten. Hoewel de rechtbank zich realiseert dat iedere zaak uniek is en het in die zin lastig is om te vergelijken met andere zaken, wordt doorgaans voor een enkelvoudige doodslag een gevangenisstraf opgelegd tussen de acht en twaalf jaar. Dat neemt niet weg dat het handelen dat tot toepassing van deze strafbepaling leidt, vele verschillende vormen kan aannemen, zodat in ieder concreet geval dient te worden nagegaan welke mate van ernst daaraan uit een oogpunt van straftoemeting moet worden toegekend. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.
De verdachte heeft op klaarlichte dag op straat in een opwelling zijn opa meerdere keren met een groot keukenmes in zijn buik en flank gestoken. Meerdere personen waren hiervan getuige. De verdachte heeft zijn opa vervolgens op straat achtergelaten en hem geen enkele hulp geboden. Het slachtoffer is na enkele dagen aan zijn verwondingen overleden. De verdachte heeft de nabestaanden en in het bijzonder zijn familie onherstelbaar leed aangedaan, zoals zijn moeder - tevens dochter van het slachtoffer - en een andere dochter van het slachtoffer, tijdens het door hen uitgeoefende spreekrecht op de terechtzitting hebben verwoord. De familie is begrijpelijkerwijs boos en verdrietig dat zij hun vader en opa hebben verloren. Dat verlies doet hen immens veel pijn en hun leven zal nooit meer hetzelfde zijn, zeker in de wetenschap dat een kleinzoon van het slachtoffer - tevens neef van veel nabestaanden - voor deze afschuwelijke daad verantwoordelijk is.
Uit de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, zoals hiervoor omschreven, volgt dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur. Het bewezen verklaarde feit en de omstandigheden waaronder het is begaan zijn zodanig ernstig, dat de rechtbank oplegging van een hoge gevangenisstraf in beginsel aangewezen acht.
Vervolgens dient te worden nagegaan of de persoon van de verdachte of zijn persoonlijke omstandigheden invloed hebben op de strafoplegging en zo ja, in welke mate.
De rechtbank heeft onder “5. De strafbaarheid van de verdachte” de bevindingen en conclusies van de psychiater en psycholoog ten aanzien van de toerekenbaarheid uiteengezet en heeft overwogen dat het bewezenverklaarde de verdachte in verminderde mate moet worden toegerekend. Dit heeft naar het oordeel van de rechtbank een ernstig matigende werking op de strafoplegging, omdat de verdachte door de psychose waarin hij verkeerde minder in staat was om andere (gedrags)keuzes te maken en/of de gevolgen van zijn handelen te overzien. Verder houdt de rechtbank in enigszins matigende zin rekening met de jeugdige leeftijd van de verdachte.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsrapport d.d. 5 augustus 2026. De reclassering neemt de conclusies van de gedragsdeskundigen over. De reclassering ziet signalen dat het ziekte-inzicht en ziektebesef nog beperkt aanwezig zijn, is van mening dat een langdurig en intensief kader noodzakelijk is om het recidiverisico te beperken en heeft oplegging van tbs-met voorwaarden en oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel geadviseerd.
De verdediging heeft verzocht, zo begrijpt de rechtbank, de op te leggen gevangenisstraf zodanig te beperken dat oplegging van tbs met voorwaarden mogelijk is. De rechtbank zal daarin niet meegaan. Gelet op artikel 38, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht zou dat betekenen dat maximaal een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren opgelegd zou kunnen worden. De rechtbank is van oordeel dat het gepleegde feit dermate ernstig is, dat oplegging van een gevangenisstraf van vijf jaar niet volstaat. Daarnaast overweegt de rechtbank - zoals hieronder uitgelegd - dat ook het gebrekkige ziekte-inzicht en het hoge recidiverisico, maken dat oplegging van tbs met voorwaarden geen passende maatregel is.
Een en ander brengt de rechtbank tot de conclusie dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren passend en geboden is.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Overwegingen omtrent de op te leggen maatregel
In de Pro Justitia-rapportages heeft de psychiater uiteengezet dat de psychotische ontregeling een groot aandeel in het gedrag van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde heeft gehad. Het heeft geleid tot omstandigheden die risicovol zijn ten aanzien van delictgedrag, te weten het hebben van geen werk, geen huisvesting, geen inkomen, het verlies van sociale contacten, het verlies van toekomstperspectief, het dragen van messen vanuit paranoïde overtuigingen en het verminderde vermogen tot impulscontrole en emotieregulatie. De kans op recidive is volgens de psychiater aanzienlijk hoger als bij de verdachte weer een psychose optreedt. De risicotaxatie-instrumenten laten tezamen met de klinische weging van recidive een matig tot hoog risico zien op gewelddadige recidive, aldus de psychiater.
De psycholoog heeft in de Pro Justitia-rapportages uiteengezet dat het gebrek aan ziektebesef in ziekte-inzicht en de moeilijk te stabiliseren psychotische stoornis zorgelijke factoren zijn, en dat als de verdachte opnieuw psychotisch ontregelt, de kans op een gewelddadige recidive hoog wordt geacht.
Volgens de gedragsdeskundigen moet de verdachte medicamenteus behandeld worden met betrekking tot de psychotische klachten. Ook moet de verdachte behandeling krijgen, gericht op emotie- en agressieregulatie en het leren omgaan met spanningen. De behandeling dient verder gericht te zijn op verdere stabilisatie van de psychotische stoornis en het voorkomen van een nieuwe psychose. Ook is abstinentie van cannabis belangrijk, omdat cannabis een trigger kan zijn voor psychotische ontregeling. Daarnaast zal geïnvesteerd moeten worden in psycho-educatie over psychose en het gebruik van cannabis om zo het inzicht en compliance van de verdachte te vergroten. Behandeling in een stevig forensisch kader wordt noodzakelijk geacht, zo schrijft de psycholoog. Dit kan in een FPA met een laag beveiligingsniveau plaatsvinden, aldus beide gedragsdeskundigen. Het behandeltraject kan volgens hen het beste worden vormgegeven vanuit een tbs met voorwaarden.
De rechtbank neemt de conclusies uit de Pro Justitia-rapporten ten aanzien van het recidiverisico over en legt die ten grondslag aan haar oordeel dat bij de verdachte sprake is van een hoog recidiverisico en dat, om het recidiverisico te verminderen, een behandeling bij hem noodzakelijk is. Aangezien tbs met voorwaarden gelet op de op te leggen straf niet aan de orde is, resteert de vraag of de door de rechtbank noodzakelijk geachte behandeling in het kader van tbs met dwangverpleging kan en moet worden opgelegd.
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan het wettelijke vereiste voor het opleggen van tbs en dat het begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. De rechtbank is verder van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke vereiste dat de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel eist en dat zulks tevens geldt voor dwangverpleging. Daartoe is redengevend dat het begane feit zeer ernstig is, dat het recidiverisico op een vergelijkbaar delict hoog is, dat bij de verdachte een gebrekkig ziekte-inzicht bestaat en dat de voor de verdachte vereiste behandeling niet mogelijk is in een ander kader dan tbs met dwangverpleging.
De rechtbank zal dan ook de maatregel tbs met dwangverpleging opleggen. Daarbij overweegt zij dat de maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam, zodat de totale duur van de maatregel een periode van vier jaren te boven kan gaan.
7. De vorderingen tot schadevergoeding
De vorderingen
In deze zaak heeft een aantal nabestaanden zich gevoegd in het strafproces. Zij vorderen ieder een schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Het gaat om de navolgende vorderingen:
Naam benadeelde partij
Gevorderde materiële schade
Gevorderde immateriële schade
Totaal
[benadeelde partij 1]
-
€ 17.500,-
€ 17.500,-
[benadeelde partij 2]
€ 9.832,68
€ 42.500,-
€ 52.332,68
[benadeelde partij 3]
€ 8.989,12
€ 17.500,-
€ 26.489,12
[benadeelde partij 4]
-
€ 17.500,-
€ 17.500,-
[benadeelde partij 5]
-
€ 17.500,-
€ 17.500,-
[benadeelde partij 6]
-
€ 17.500,-
€ 17.500,-
[benadeelde partij 7]
-
€ 17.500,-
€ 17.500,-
[benadeelde partij 8]
-
€ 17.500,-
€ 17.500,-
[benadeelde partij 9]
-
€ 17.500,-
€ 17.500,-
[benadeelde partij 10]
-
€ 17.500,-
€ 17.500,-
[benadeelde partij 11]
-
€ 17.500,-
€ 17.500,-
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich niet uitgelaten over de vorderingen tot schadevergoeding.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een aantal vorderingen vanwege het ontbreken van het in artikel 51g Sv bedoelde voegingsformulier niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Ook is verweer gevoerd op de gevorderde schockschade ten aanzien van[benadeelde partij 2] en de gevorderde materiële schade ten aanzien van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] . De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de gevorderde affectieschade en de gevorderde materiële schade ten aanzien van de aangeschafte urn. De rechtbank zal deze verweren, voor zover dat op één van bovengenoemde vorderingen ziet, afzonderlijk bespreken.
Het oordeel van de rechtbank
De ontvankelijkheid van de vorderingen van [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 8] , [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 11]
De verdediging heeft naar voren gebracht dat bovengenoemde benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, aangezien door hen geen gebruik is gemaakt van het door de Minister van Veiligheid en Justitie vastgestelde formulier ex artikel 51g van het Wetboek van Strafvordering (Sv) (hierna: het voegingsformulier). De verdediging heeft bepleit dat het voegingsformulier een wettelijk vereiste en in die zin een essentiële, procedurele vereiste voor voeging is.
De rechtbank overweegt dat de advocaten van de benadeelde partijen namens deze vóór aanvang van het onderzoek ter terechtzitting schriftelijke vorderingen hebben ingediend en dat die vorderingen telkens ter terechtzitting zijn toegelicht. Hiermee voldoen de namens de benadeelde partijen ingediende vorderingen naar het oordeel van de rechtbank aan de wettelijke vereisten zoals genoemd in artikel 51g, eerste lid, eerste volzin Sv. Het betreft niet een formaliteit die de verdachte beoogt te beschermen en waarop deze zich kan beroepen.
Aangezien in de namens de benadeelde partijen ingediende schriftelijke vorderingen telkens tijdig opgave is gedaan van de inhoud van de vorderingen en de gronden waarop deze berusten, een en ander als bedoeld in artikel 51g lid 1 Sv, en verder niet is gebleken dat de verdachte enig nadeel heeft ondervonden doordat geen gebruik is gemaakt van een voegingsformulier, ziet de rechtbank geen enkele aanleiding om de benadeelde partijen om deze reden niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen. De rechtbank zal hierna de vorderingen beoordelen.
De vorderingen van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 7] ,[benadeelde partij 10] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 8] , [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 11]
Affectieschade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partijen, kinderen van het overleden slachtoffer, voor vergoeding in aanmerking komende affectieschade hebben geleden door het impliciet subsidiair bewezen verklaarde feit. De rechtbank zal dan ook telkens het gevorderde bedrag van € 17.500,- aan affectieschade geheel toewijzen.
Wettelijke rente
De rechtbank zal telkens de gevorderde wettelijke rente over de immateriële schadevergoeding toewijzen met ingang van 19 mei 2025, omdat vast is komen te staan dat die schade op die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Aangezien deze vorderingen geheel worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het impliciet subsidiair bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partijen aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan hen zijn toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte telkens de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 17.500, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 mei 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van:
[benadeelde partij 1] ;
[benadeelde partij 6] ;
[benadeelde partij 7] ;
[benadeelde partij 10] ;
[benadeelde partij 5] ;
[benadeelde partij 8] ;
[benadeelde partij 4] ; en
[benadeelde partij 11] .
Ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]
Het juridisch kader
De rechtbank stelt voorop dat buiten twijfel staat dat de nabestaanden diep zijn getroffen door het overlijden van hun vader. Er is begrijpelijkerwijs sprake van groot verdriet en leed. De vorderingen moeten desondanks worden beoordeeld binnen de wettelijke kaders en de van toepassing zijnde jurisprudentie. De rechtbank zal hieronder eerst - indien en voor zover relevant - het toepasselijke juridische kader schetsen, waarna de vorderingen worden beoordeeld.
Kosten van lijkbezorging
Op grond van het bepaalde in artikel 6:108 lid 2 BW kan degene die de kosten van lijkbezorging van het slachtoffer heeft gedragen deze kosten vorderen. Dat betreft kosten die in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene. Om voor vergoeding in aanmerking te komen moeten de kosten in rechtstreeks verband staan met het begraven van de overledene.
Schockschade
Schockschade kan worden toegewezen, als sprake is van een onrechtmatige daad jegens de benadeelde partij, doordat de confrontatie met de gebeurtenis een emotionele schok bij de benadeelde heeft teweeggebracht. De beoordeling van de vraag of daarvan sprake is, gebeurt aan de hand van drie gezichtspunten, waarbij wordt opgemerkt dat geen van de gezichtspunten van doorslaggevende betekenis is. Het gaat daarbij om (1) aard, toedracht en de gevolgen van de onrechtmatige daad, (2) de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de onrechtmatige daad en gevolgen daarvan en (3) de aard en hechtheid van de relatie tussen primaire en secundaire slachtoffer. Indien de onrechtmatige daad wordt vastgesteld dient daarna de vraag te worden beantwoord of het secundaire slachtoffer ook recht heeft op vergoeding. Er is alleen recht op vergoeding schade als sprake is van geestelijk letsel als gevolg van de onrechtmatige daad. Het geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Een verklaring van een bevoegde en bekwame deskundige kan – afhankelijk van de inhoud en betwisting – voldoende zijn. De rechtbank moet uit de verklaring kunnen afleiden dat een emotionele shock bestaat die heeft geleid tot geestelijk letsel. (vgl. ECLI:NL:HR:2022:958)
De vordering van [benadeelde partij 2]
Kosten van de lijkbezorging (materiële schade)
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de urn ad € 233,- is namens de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd met een factuur. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het impliciet subsidiair bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de post ‘vliegtickets’ als volgt. Uit het dossier blijkt genoegzaam dat het overleden slachtoffer een dermate band met Suriname had, dat het niet onaannemelijk is dat hij de wens had dat zijn as in Suriname zou worden uitgestrooid. Deze kosten vallen naar het oordeel van de rechtbank onder de kosten van lijkbezorging. Gelet daarop acht de rechtbank in beginsel een vergoeding voor de gemaakte reiskosten om de as uit te kunnen strooien voor toewijzing vatbaar. Desalniettemin, is namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd op grond waarvan met een dergelijk aantal personen naar Suriname afgereisd moest worden en waarom Businessclass-tickets zijn aangeschaft. De rechtbank zal daarom één Economyclass-ticket vergoeden en zal voor de hoogte daarvan gebruikmaken van haar schattingsbevoegdheid (artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek), omdat de omvang van de geleden (materiële) schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Zij stelt de schade, gelet op wat doorgaans voor dergelijke tickets betaald moet worden, op € 1.250,-.
De rechtbank zal gelet op het voorgaande de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen.
Affectieschade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij, een dochter van het overleden slachtoffer, voor vergoeding in aanmerking komende affectieschade heeft geleden door het impliciet subsidiair bewezen verklaarde feit. De hoogte van de schade is door of namens de verdachte niet betwist. De rechtbank zal dan ook het gevorderde bedrag van € 17.500,- aan affectieschade geheel toewijzen.
Schockschade
De benadeelde partij is een dochter van het overleden slachtoffer. Zij heeft een verwonde vader in het ziekenhuis waargenomen en hem met allerlei slangetjes gezien. Ook was het voor haar duidelijk dat haar vader stervende was. Hoewel de rechtbank niets wil afdoen aan de ernst van die gebeurtenissen, is vooralsnog onvoldoende onderbouwd dat voornoemde confrontatie een dusdanig hevige emotionele schok bij de benadeelde partij teweeg heeft gebracht dat daardoor schokschade is ontstaan en dat de gestelde klachten niet het gevolg kunnen zijn van het leed dat door het verlies van een dierbare is veroorzaakt. Het moet immers verschrikkelijk zijn dat van de een op de andere dag door toedoen van een ander een dierbare niet meer leeft. Evenwel is schokschade niet bedoeld om klachten die daaruit voortvloeien te compenseren. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de gevorderde shockschade dan ook niet-ontvankelijk verklaren. Nader onderzoek naar de gronden voor schokschade zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Totaal toegewezen
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 18.983, bestaande uit € 1.483,- aan materiële schade en € 17.500,- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 19 november 2025 voor wat betreft de vliegtickets ad € 1.250,-, met ingang van 18 november 2025 voor wat betreft de urn ad € 233,-, omdat is vast komen te staan dat de kosten vanaf die data zijn gemaakt en met ingang van 19 mei 2025 voor wat betreft de affectieschade ad € 17.500,-, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenvergoeding
Aangezien de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het impliciet subsidiair bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 18.983,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 november 2025 voor wat betreft de vliegtickets ad € 1.250,-, vanaf 18 november 2025 voor wat betreft de urn ad € 233,- en vanaf 19 mei 2025 voor wat betreft de affectieschade ad € 17.500,-, tot aan de dag dat deze bedragen zijn betaald, ten behoeve van [benadeelde partij 2] .
Ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 3]
Kosten van de lijkbezorging (materiële schade)
De rechtbank overweegt met betrekking tot de post ‘vliegtickets’ als volgt. Anders dan de verdediging heeft bepleit, blijkt genoegzaam uit het dossier dat het overleden slachtoffer een dermate band met Suriname had, dat het niet onaannemelijk is dat hij de wens had dat zijn as in Suriname zou worden uitgestrooid. Deze kosten vallen naar het oordeel van de rechtbank dus onder de kosten van lijkbezorging. Gelet daarop acht de rechtbank in beginsel een vergoeding voor de gemaakte reiskosten om de as uit te kunnen strooien voor toewijzing vatbaar. Desalniettemin, is namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd op grond waarvan met een dergelijk aantal personen naar Suriname afgereisd moest worden en waarom Businessclass-tickets zijn aangeschaft. De rechtbank zal daarom één Economyclass-ticket vergoeden en zal voor de hoogte daarvan gebruikmaken van haar schattingsbevoegdheid (artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek), omdat de omvang van de geleden (materiële) schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Zij stelt de schade, gelet op wat doorgaans voor dergelijke tickets betaald moet worden, op € 1.250,-.
De rechtbank zal gelet op het voorgaande de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen.
Affectieschade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij, een zoon van het overleden slachtoffer, voor vergoeding in aanmerking komende affectieschade heeft geleden door het impliciet subsidiair bewezen verklaarde feit. De hoogte van de schade is door of namens de verdachte niet betwist. De rechtbank zal dan ook het gevorderde bedrag van € 17.500,- aan affectieschade geheel toewijzen.
Totaal toegewezen
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 18.750, bestaande uit € 1.250,- aan materiële schade en € 17.500 aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 20 november 2025 voor wat betreft het vliegticket ad € 1.250,-, omdat is vast komen te staan dat de kosten vanaf die datum zijn gemaakt en met ingang van 19 mei 2025 voor wat betreft de affectieschade ad € 17.500,-, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenvergoeding
Aangezien de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het impliciet subsidiair bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 18.750,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 november 2025 voor wat betreft het vliegticket ad € 1.250,-, en vanaf 19 mei 2025 voor wat betreft de affectieschade ad € 17.500,-, tot aan de dag dat deze bedragen zijn betaald, ten behoeve van [benadeelde partij 3] .
8. De vordering tot tenuitvoerlegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 5 november 2025 gevorderd dat de bij parketnummer 08-177416-23 door de politierechter van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, op 23 oktober 2023 voorwaardelijk opgelegde straf van één maand gevangenisstraf, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de vordering af te wijzen, gelet op de gevorderde gevangenisstraf in combinatie met de gevorderde maatregel.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is, met de verdediging, van oordeel dat, gelet op de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf in combinatie met de opleggen tbs met dwangverpleging toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging niet opportuun is. De rechtbank zal de vordering dan ook afwijzen.
9. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5. bewezen is verklaard, en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
doodslag;
verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;
de vorderingen tot schadevergoeding
wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de onderstaande benadeelde partijen toe en veroordeelt de verdachte om te betalen:
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] deels toe en veroordeelt de verdachte om te betalen een bedrag van € 18.983,-, bestaande uit € 1.483 aan materiële schade en € 17.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 november 2025 voor wat betreft de vliegtickets ad
€ 1.250,-, vanaf 18 november 2025 voor wat betreft de urn ad € 233,- en vanaf 19 mei 2025 voor wat betreft de affectieschade ad € 17.500,-, tot de dag waarop deze vordering is betaald;
wijst af de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] voor wat betreft de overig gevorderde materiële schade;
bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] voor de overige gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] deels toe en veroordeelt de verdachte om te betalen een bedrag van € 18.750,-, bestaande uit € 1.250,- aan materiële schade en € 17.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover voor wat betreft de materiële schade vanaf 20 november 2025 en vanaf 19 mei 2025 voor wat betreft de immateriële schade tot de dag waarop deze vordering is betaald;
wijst af de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] voor wat betreft het overig gevorderde;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de bovengenoemde benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
de schadevergoedingsmaatregel;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van:
bepaalt dat als de navolgende verschuldigde bedragen niet volledig worden betaald of kunnen worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de hieronder te noemen duur:
de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichtingen niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;
de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;
wijst af de vordering van officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo d.d. 23 oktober 2023, gewezen onder parketnummer 08-177416-23.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P. van Essen, voorzitter,
mr. F. Bouman, rechter,
mr. Ş. Kara, rechter,
in tegenwoordigheid van R.O. Hollander, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 oktober 2026.