Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/232886-24
Datum uitspraak: 2 oktober 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 18 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B.P. Simonis, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. S. van der Eijk, naar voren is gebracht.
De officier van justitie heeft op de terechtzitting van 18 september 2026 medegedeeld dat zij voornemens is een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, in of omstreeks de periode van 25 september 2023 tot en met 17 juli 2024 te Wassenaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (van) voorwerpen, te weten:
- een bakfiets van het merk Urban Arrow, voorzien van het framenummer [nummer 1] (zaak 2.1)
- een bakfiets van het merk Urban Arrow, voorzien van het framenummer [nummer 2] (zaak 2.2)
- een bakfiets van het merk Urban Arrow, voorzien van het framenummer [nummer 3] (zaak 2.4)
- een bakfiets van het merk Urban Arrow, voorzien van het framenummer [nummer 4] (zaak 2.6)
- een bakfiets van het merk Urban Arrow, voorzien van het framenummer [nummer 5] (zaak 2.7)
- een fatbike van het merk Knaap, voorzien van het framenummer [nummer 6] (zaak 2.8)
- een fatbike van het merk SUPER73, voorzien van het framenummer [nummer 7] (zaak 2.9)
- een bakfiets van het merk Urban Arrow, voorzien van het framenummer [nummer 8] (zaak 2.10)
- een bakfiets van het merk Urban Arrow, voorzien van het framenummer [nummer 9] (zaak 2.11)
- een bakfiets van het merk Urban Arrow, voorzien van het framenummer [nummer 10] (zaak 2.12)
- een bakfiets van het merk Urban Arrow, voorzien van het framenummer [nummer 11] (zaak 2.13)
- een bakfiets van het merk Urban Arrow, voorzien van het framenummer [nummer 12] (zaak 2.14)
- een bakfiets van het merk Urban Arrow, voorzien van het framenummer [nummer 13] (zaak 2.15)
heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen, omgezet en/of gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf en hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van dit feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van zaken 2.7, 2.8 en 2.9 en van het hem ten laste gelegde gewoontewitwassen.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
De raadsman heeft vrijspraak van zaken 2.8 en 2.9 bepleit, omdat onvoldoende vaststaat dat de verdachte wist dat beide fatbikes van diefstal afkomstig waren. De verdachte heeft deze twee fatbikes gekocht in zijn veronderstelling dat het legale fatbikes betrof, zoals hij vaker ook tweedehands fietsen kocht en opknapte voor de verkoop. Deze zaken passen namelijk ook niet binnen de modus operandi van de verdachte en zijn medeverdachten, aangezien het hier om fatbikes en niet om gestolen bakfietsen gaat.
De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt. De twee fatbikes zijn tijdens de aanhouding van de verdachte in zijn woning aangetroffen en in beslag genomen. Uit onderzoek van de politie is gebleken dat op beide fatbikes rond de framenummers bewerkingssporen waren aangebracht waardoor het niet mogelijk was om de originele framenummers te achterhalen. De verdachte is blijkens zijn eigen verklaringen een ervaren handelaar in tweedehands fietsen (van zowel legale als illegale herkomst). Naar het oordeel van de rechtbank kan het daardoor niet anders zijn dan dat de verdachte weet had van de gedeeltelijk weggekraste framenummers en daarmee kan het niet anders zijn dan dat de illegale herkomst van de fatbikes voor hem onmiskenbaar was. Zodoende heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank deze fatbikes voorhanden gehad terwijl hij wist dat beide uit misdrijf afkomstig waren.
De raadsman heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde gewoontewitwassen omdat in een relatief lange periode een beperkt aantal bakfietsen zou zijn witgewassen. De rechtbank verwerpt dit verweer. Gelet op de aard, intensiteit en duur van de handelingen van de verdachte en zijn mededader(s), namelijk het gedurende een periode van vier maanden witwassen van elf bakfietsen, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wel degelijk een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van voornoemde fietsen.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij in de periode van 17 maart 2024 tot en met 17 juli 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, voorwerpen, te weten:
- een bakfiets van het merk Urban Arrow, voorzien van het framenummer [nummer 1] (zaak 2.1)
- een bakfiets van het merk Urban Arrow, voorzien van het framenummer [nummer 2] (zaak 2.2)
- een bakfiets van het merk Urban Arrow, voorzien van het framenummer [nummer 3] (zaak 2.4)
- een bakfiets van het merk Urban Arrow, voorzien van het framenummer [nummer 4] (zaak 2.6)
- een bakfiets van het merk Urban Arrow, voorzien van het framenummer [nummer 5] (zaak 2.7)
- een bakfiets van het merk Urban Arrow, voorzien van het framenummer [nummer 8] (zaak 2.10)
- een bakfiets van het merk Urban Arrow, voorzien van het framenummer [nummer 9] (zaak 2.11)
- een bakfiets van het merk Urban Arrow, voorzien van het framenummer [nummer 10] (zaak 2.12)
- een bakfiets van het merk Urban Arrow, voorzien van het framenummer [nummer 11] (zaak 2.13)
- een bakfiets van het merk Urban Arrow, voorzien van het framenummer [nummer 12] (zaak 2.14)
- een bakfiets van het merk Urban Arrow, voorzien van het framenummer [nummer 13] (zaak 2.15)
heeft voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf en hij, verdachte, en zijn mededaders van het plegen van dit feit een gewoonte hebben gemaakt;
en
hij op 17 juli 2024 in Nederland voorwerpen, te weten:
- een fatbike van het merk Knaap, voorzien van het framenummer [nummer 6] (zaak 2.8)
- een fatbike van het merk SUPER73, voorzien van het framenummer [nummer 7] (zaak 2.9)
heeft voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat volstaan kan worden met een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het gewoontewitwassen van bakfietsen die veelal worden gebruikt door gezinnen om hun kinderen te vervoeren. Gedurende een periode van vier maanden heeft hij, al dan niet in vereniging met anderen, elf bakfietsen van het merk Urban Arrow en twee fatbikes witgewassen, onder meer door deze van misdrijf afkomstige fietsen na het (laten) verwijderen van framenummers, (doen) aanbrengen van valse framenummers en (doen) vervangen van sloten via Marktplaats door te verkopen. Zodoende heeft de verdachte aan deze fietsen een schijnbaar legale herkomst verschaft, waardoor de integriteit van het financieel en economisch verkeer wordt aangetast. Bovendien bevordert het handelen van de verdachte het plegen van fietsendiefstallen omdat, zonder het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst aan gestolen fietsen, het stelen daarvan een stuk minder lucratief zou zijn. Verder heeft de verdachte twee fatbikes witgewassen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 31 juli 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren niet is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 14 augustus 2026, waaruit volgt dat sprake is van laag recidiverisico. Ten tijde van het bewezen verklaarde feit leed de verdachte aan een cocaïneverslaving en kampte hij met grote geldproblemen. De reclassering heeft geconcludeerd dat de verdachte inmiddels een positieve draai aan zijn leven gegeven heeft: hij heeft stabiele huisvesting, werk en is onder behandeling bij De Waag. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf en ook geen bijzondere voorwaarden op te leggen.
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gelet op straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. De rechtbank acht in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden, gelet op de aard van het bewezen verklaarde. In deze zaak is echter de redelijke termijn overschreden. De verdachte is op 17 juli 2024 voor het eerst verhoord in deze strafzaak. De rechtbank zal heden op 2 oktober 2026 vonnis wijzen. Van bijzondere omstandigheden die een langere termijn dan twee jaar rechtvaardigen is niet gebleken. Dit betekent dat de redelijke termijn met ongeveer tweeëneenhalve maand is overschreden. Ook weegt de rechtbank mee dat de verdachte ter terechtzitting inzicht heeft getoond in het laakbare van zijn handelen en daarvan, ook ten overstaan van de aldaar aanwezige benadeelde partij, oprecht spijt heeft betuigd. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de verdachte niet meer naar de gevangenis te sturen.
Alles afwegend acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede een taakstraf van 200 uren passend en geboden. De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf passend om de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking te brengen.
7. De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregelen
[benadeelde 1] heeft zich in zaak 2.10 als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 6.845,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 4.345,- aan materiële schade en € 2.500,- aan immateriële schade.
[benadeelde 2] heeft zich in zaak 2.11 als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 3.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
[benadeelde 3] heeft zich in zaak 2.14 als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 3.340,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 3.200,- directe materiële schade en € 140,- reiskosten.
[benadeelde 4] heeft zich in zaak 2.15 als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 3.590,78, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van € 4.345,- aan materiële schade. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De officier van justitie heeft ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 4] geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vorderingen.
De officier van justitie heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 3.100,- en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.
Ten aanzien van alle toe te wijzen vorderingen heeft de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] op het standpunt gesteld dat de vordering, voor wat betreft de gevorderde immateriële schade, dient te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Voor wat betreft de gevorderde materiële schade heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zoverre voor toewijzing vatbaar is.
De raadsman heeft zich ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 4] op het standpunt gesteld dat deze toewijsbaar zijn.
De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering van [benadeelde 3] op het standpunt gesteld dat de vordering voor wat betreft de gevorderde reiskosten (ter hoogte van € 140,-) dient te worden afgewezen. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Benadeelde partijen [benadeelde 2] (zaak 2.11) en [benadeelde 4] (zaak 2.15)
Deze vorderingen zijn namens de verdachte erkend en door de benadeelde partijen voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partijen rechtstreeks schade hebben geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering van [benadeelde 2] toewijzen tot een bedrag van € 3.000,-, bestaande uit materiële schade en de vordering van [benadeelde 4] toewijzen tot een bedrag van € 3.590,78, bestaande uit materiële schade.
Benadeelde partij [benadeelde 1] (zaak 2.10)
De vordering, voor zover de vordering betrekking heeft op de materiële schade, is namens de verdachte erkend en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
Voor toewijzing van de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade (ter hoogte van € 2.500,-) moet op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek sprake zijn van een aantasting in de persoon op andere wijze, veroorzaakt door het bewezen verklaarde gedrag van de verdachte.
De benadeelde partij heeft toegelicht dat het bewezen verklaarde feit impact op haar heeft gehad. Zij heeft door het verlies van haar vervoermiddel voor met name het vervoer van haar kinderen en zonder alternatief vervoermiddel veel stress en spanning ervaren. De rechtbank is, in lijn met jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2025:1118 en ECLI:NL:HR:2021:1127) van oordeel dat, hoewel de gevolgen van het delict voor het slachtoffer goed invoelbaar zijn, de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij niet zozeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon van rechtswege kan worden aangenomen. Dit betekent dat door de benadeelde partij dient te worden onderbouwd dat de aard en de ernst van de normschending voor de benadeelde partij psychisch dermate nadelige gevolgen heeft veroorzaakt dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Een dergelijke onderbouwing ontbreekt.
De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de immateriële schade, de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 4.345,-, bestaande uit materiële schade.
Benadeelde partij [benadeelde 3] (zaak 2.14)
De door [benadeelde 3] gevorderde materiële schade bestaat voor een deel, te weten een bedrag van € 140,-, uit reiskosten tussen Staphorst en Wassenaar. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij niet onderbouwd. De rechtbank zal de vordering voor dit deel daarom afwijzen.
Voor het overige bestaat de gevorderde materiële schade (ter hoogte van € 3.200,-) uit de aanschafkosten van de bakfiets. Uit het proces-verbaal van verhoor getuige van [benadeelde 3] (PL1500-2024146160-69) blijkt dat hij voornoemde bakfiets voor een bedrag van € 3.100,- heeft gekocht. Dit deel van de vordering is tot een bedrag van € 3.100,- namens de verdachte erkend en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank daarom worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van € 3.100,-.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 3.100,-, bestaande uit materiële schade. Het resterende deel van € 100,- zal de rechtbank gelet op het voorgaande afwijzen.
Wettelijke rente
De rechtbank zal ten aanzien van alle toegewezen vorderingen de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 17 juli 2024, zijnde de laatste dag van de bewezen verklaarde periode.
Proceskosten
Aangezien de vorderingen van alle benadeelde partijen (gedeeltelijk) worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partijen aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hen is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen:
een bedrag van € 4.345,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [benadeelde 1] ;
een bedrag van € 3.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [benadeelde 2] ;
een bedrag van € 3.100,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [benadeelde 3] ;
een bedrag van € 3.590,78, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [benadeelde 4] .
8. De in beslag genomen voorwerpen
In het dossier bevindt zich een beslaglijst van 31 juli 2026 met daarop een zestal voorwerpen. De verdachte heeft ter terechtzitting hiervan afstand gedaan. De rechtbank hoeft daarom geen beslissing meer te nemen.
9. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 63, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
de meerdaadse samenloop van
witwassen
en
medeplegen van van het plegen van witwassen een gewoonte maken;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 5 (VIJF) MAANDEN;
bepaalt dat die straf, in zijn geheel, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf voor de tijd van 200 (TWEEHONDERD) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 100 (HONDERD) DAGEN;
wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen (deels) toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om te betalen:
bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 1] voor het overige deel van haar vordering niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] voor het overige af;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen:
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van:
de toepassing van gijzeling heft de opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;
verstaat dat de verdachte ter terechtzitting afstand heeft gedaan van de in beslag genomen voorwerpen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, voorzitter,
mr. J.M.J. Keltjens, rechter,
mr. R.J. Wortelboer, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. N.T.G. Levelt, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 oktober 2026.