RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie.
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.54381
(gemachtigde: mr. V.M. Oliana),
en
Procesverloop
Bij besluit van 8 september 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd en de rechtbank is hiervan op 11 september 2026 in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2026 op zitting behandeld. Eiser kon wegens ziekte niet aanwezig zijn. De gemachtigde van eiser is via videoverbinding verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.H.M. Maas als zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep geschorst op 17 september 2026 en vervolgens op 22 september 2026 voortgezet. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde (via videoverbinding). Als tolk is verschenen A. Safai Pour. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G. Cambier als zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Iraanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 2009. Op 8 september 2026 heeft hij aan de buitengrens van de Europese Unie een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft zijn land van herkomst verlaten en is via Dar Es Salaam, Tanzania, op Schiphol Airport aangekomen. Eiser was niet in het bezit van geldige identiteitsdocumenten met een geldig Schengenvisum. Eiser heeft bij de Koninklijke Marechaussee aangegeven dat hij in Nederland een asielaanvraag wil indienen. Op 11 september 2026 is aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel (de grensdetentie) opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000, waarover dit beroep gaat.
2. De minister kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, verplichten zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure. Deze maatregel wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang en wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. De strekking van de grensdetentie is dat een vreemdeling moet verblijven in het Aanmeldcentrum Schiphol.
3. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 de beroepen gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregelen.Het oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en bevelen de vrijheidsontnemende maatregel op te heffen. Zij overweegt hiertoe als volgt.
5. In de procedure van eiser is twijfel ontstaan over de leeftijd van eiser. Eiser verklaart zelf dat hij minderjarig is, maar de medewerker van de Koninklijke Marechaussee geloofde dit niet. Eiser heeft op Schiphol Airport een nationaliteitsverklaring ondertekend waarin een meerderjarige leeftijd is opgenomen, maar hij stelt dat hij dit moest ondertekenen en hij blijft consequent verklaren dat hij minderjarig is.
6. De rechtbank heeft de gang van zaken rondom eisers aankomst op Schiphol Airport, het invullen van de nationaliteitsverklaring en het gehoor voorafgaand aan de vrijheidsontnemende maatregel uitvoerig met partijen besproken. De minister heeft op 18 september 2026 een aanvullend proces-verbaal van bevindingen van een medewerker van de Koninklijke Marechaussee op Schiphol Airport overgelegd. De tolk die op de zitting van 22 september 2026 is verschenen is ook telefonisch aanwezig geweest bij het invullen van de nationaliteitsverklaring en het gehoor voorafgaand aan de vrijheidsontnemende maatregel. Hij heeft ter zitting aan de rechtbank inlichtingen verschaft over de gang van zaken en daarbij onder andere verklaard dat eiser zeker 10 keer heeft verklaard minderjarig te zijn, maar dat werd gezegd dat hij niet werd geloofd. Ook gaf de tolk aan dat het klonk alsof eiser gedwongen werd om het document waarop zijn meerderjarige leeftijd stond te ondertekenen. De rechtbank is ambtshalve bekend met een verklaring van de senior medewerker IND op het Aanmeldcentrum Schiphol waaruit volgt dat de tolk ook daar het voorgaande heeft verklaard over de gang van zaken en dat er zelfs zou zijn aangegeven (in ieder geval bij één van deze drie vreemdelingen) dat hij terug gestuurd zou worden naar Iran als hij zou blijven volhouden minderjarig te zijn.
7. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat er twijfel is ontstaan over het invullen van de nationaliteitsverklaring van eiser en de overname van de gegevens door de Koninklijke Marechaussee en de minister heeft deze twijfel bij de rechtbank niet weg kunnen nemen. Omdat het uitgangspunt is dat minderjarige vreemdelingen niet in grensdetentie worden geplaatst en de minister ervoor heeft gekozen om geen leeftijdsonderzoek te verrichten, geeft de rechtbank eiser in dit geval het voordeel van de twijfel.
8. De rechtbank heeft ook ambtshalve kennis van het proces-verbaal van bevindingen van 18 september 2026 dat is opgesteld door een medewerker van de Koninklijke Marechaussee. De minister heeft dit proces-verbaal overgelegd in de zaak van een van de andere twee vreemdelingen. Uit dit proces-verbaal volgt onder andere dat de verbalisant de vreemdeling een nationaliteitsverklaring heeft gegeven in de taal Sorani en dat de vreemdeling een pen pakte en vervolgens zelfstandig het formulier heeft ingevuld. De verbalisant zou vervolgens de nationaliteitsverklaring op de computer uitgewerkt en uitgeprint hebben. De verbalisant zou tegen de vreemdeling gezegd hebben dat wanneer de nationaliteitsverklaring correct was ingevuld hij deze mocht bevestigen met een handtekening en dat hij zag dat de vreemdeling de handtekening zette.De rechtbank kent aan deze verklaring echter niet de waarde toe die de minister wenst. Eiser is ingereisd met twee andere vreemdelingen en hun binnenkomst is tegelijkertijd behandeld door verschillende medewerkers van de Koninklijke Marechaussee. Uit het proces-verbaal van bevindingen kan niet worden opgemaakt welke medewerker welk dossier onder zich heeft gehad, omdat degene die het proces-verbaal heeft opgemaakt niets daarover heeft opgeschreven, maar wel heeft aangegeven dat hij zag dat eiser (en de andere vreemdelingen) een pen pakte en het formulier invulde. Dit kan echter niet door hem gezien zijn in alle drie de gevallen en bovendien zegt dat nog niets over wat er door de vreemdeling is opgeschreven. Dat de andere medewerkers niet aanwezig waren om het proces-verbaal op te stellen en dat er sprake was van tijdsdruk, zoals door de minister gesteld ter zitting, wordt niet gevolgd. De betreffende medewerker had kunnen volstaan met zijn bevindingen te noteren in de zaak waar hij daadwerkelijk bij betrokken was. Daarbij komt dat eiser aangeeft dat hij de nationaliteitsverklaring met pen heeft ingevuld en daarbij zijn minderjarige geboortedatum heeft opgeschreven. De rechtbank begrijpt van de minister dat sinds invoering van het Asiel- en Migratiepact deze geschreven verklaringen door een medewerker van de Koninklijke Marechaussee worden overgetypt op de computer en dat de (door de vreemdeling) geschreven verklaring vervolgens niet wordt bewaard. De rechtbank acht dit onwenselijk omdat dan ook niet meer te verifiëren is of de gegevens goed zijn overgenomen. Gelet hierop is onvoldoende duidelijk wat de gang van zaken is geweest. De rechtbank kan op basis van deze stukken niet zonder meer concluderen dat eiser meerderjarig is.
9. Het voorgaande betekent overigens niet dat de minderjarige leeftijd van eiser hiermee is vastgesteld.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond en de maatregel is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig.
11. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van de maatregel beveelt, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 15 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring van 15 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.800,-.
12. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1,5 punten voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 22 september 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.800,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.D. Kock, rechter, in aanwezigheid van mr.M.B.J. Schreijen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 22 september 2026.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.