RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiseres] , eiseres
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/11125
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Procesverloop
Bij besluit van 5 juli 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij brief van 24 oktober 2023, ontvangen door verweerder op 26 oktober 2023, is verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op dit bezwaar.
Bij besluit van 11 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. [naam referent] (referent) heeft op 6 augustus 2024 namens eiseres beroepsgronden ingediend.
Verweerder heeft op 12 augustus 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens zijn verschenen referent en [naam partner van referent] , partner van referent.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1959 en heeft de Iraanse nationaliteit. Zij heeft op 8 juni 2023 een visum voor kort verblijf aangevraagd om haar dochter (referent) en kleinkinderen te bezoeken. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen.
Het bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de visumaanvraag van eiseres gehandhaafd op basis van twee weigeringsgronden, namelijk (1) dat zij het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond en (2) dat er redelijke twijfel bestaat over haar voornemen om het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het visum te verlaten. Verweerder heeft hierbij verwezen naar artikel 32, eerste lid, onder a) ii en onder b) van Verordening (EG) nr. 810/2009 (Visumcode).
Beroepsgronden
3. Eiseres betoogt dat zij wel degelijk voldoende sociale binding met Iran heeft. Daartoe voert zij aan dat zij een zeer hechte band heeft met haar echtgenoot, vijf kinderen en kleinkinderen. Zij komen ook meerdere keren per maand met elkaar samen. Daarnaast zorgt eiseres voor haar echtgenoot, die kampt met ernstige hart- en longproblemen. De zorg die een van haar kinderen tijdens haar bezoek aan Nederland kan overnemen is niet voor langere tijd mogelijk. Verder voert eiseres aan dat zij moslim is en niet in een christelijk land wil wonen.
Daarnaast betoogt eiseres dat zij ook voldoende economische binding met Iran heeft. Zij ontvangt namelijk de nodige huurinkomsten uit de onroerende goederen die zij en haar echtgenoot in bezit hebben. Anders dan in Nederland is het in Iran gebruikelijk dat huurinkomsten niet op vaste maar op onregelmatige momenten worden betaald. Dit verklaart ook de relatief hoge stortingen op het overgelegde bankafschrift.
Ook beroept eiseres zich op het gelijkheidsbeginsel. De schoonmoeder van referent heeft namelijk wel een visum gekregen, terwijl zij in een vergelijkbare situatie verkeert als eiseres. Eiseres doet ook een beroep op de medemenselijkheid van verweerder.
Verder voert eiseres aan dat zij het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf wel voldoende heeft aangetoond.
Juridisch kader en toetsingsmaatstaf
4. Op grond van artikel 32, eerste lid, van de Visumcode wordt een visum geweigerd:
a. indien de aanvrager: […] ii. het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond; […],
of
indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
Uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, volgt dat de autoriteiten bij het onderzoek van een visumaanvraag over een ruime beoordelingsruimte beschikken met betrekking tot de toepassingsvoorwaarden van (onder andere) artikel 32, eerste lid, van de Visumcode en de beoordeling van de relevante feiten, om te bepalen of een van de weigeringsgronden aan de aanvrager kan worden tegengeworpen.
De rechtbank toetst het bestreden besluit en doet dit aan de hand van de feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van dat besluit.
Beoordeling door de rechtbank
Twijfel over tijdige terugkeer
5. Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van de geldigheid van het gevraagde visum te verlaten (weigeringsgrond als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode), overweegt de rechtbank als volgt.
Bij de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de vreemdeling om tijdig terug te keren naar het land van herkomst mag verweerder zich in belangrijke mate laten leiden door de intensiteit van de sociale en economische binding van die vreemdeling met zijn land van herkomst. Al naar gelang de sociale en/of economische binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de vreemdeling om tijdig terug te keren toe- of afnemen.
Verweerder heeft in het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat een tijdige terugkeer van eiseres naar Iran onvoldoende is gewaarborgd. Hiertoe heeft verweerder gesteld dat eiseres onvoldoende economische binding met Iran heeft. Verder heeft verweerder hiertoe gesteld dat eiseres ook onvoldoende sociale binding met Iran heeft. De vijf achterblijvende kinderen zijn namelijk meerderjarig en eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij haar hulpbehoevende echtgenoot daadwerkelijk verzorgt. Tevens heeft verweerder erop gewezen dat één van de dochters van eiseres met haar gezin in Nederland woont, zodat ook sprake is van een sociale binding met Nederland.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres niet een zodanige economische binding met Iran heeft dat tijdige terugkeer naar dat land redelijkerwijs gewaarborgd is te achten. Eiseres is huisvrouw en heeft geen baan. Los van de vraag of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat de stortingen op de overgelegde bankafschriften zien op huurinkomsten, is de rechtbank van oordeel dat deze inkomsten ook vanuit het buitenland kunnen worden ontvangen. Verweerder heeft daarnaast terecht gesteld dat voor het onroerend goed dat eiseres bezit niet vereist is dat zij zich fysiek in Iran bevindt. Gelet op het voorgaande heeft verweerder dan ook terecht gesteld dat eiseres onvoldoende economische binding met Iran heeft. Dit betekent echter niet zonder meer dat daardoor een tijdige terugkeer naar Iran onvoldoende gewaarborgd is. Een tijdige terugkeer is namelijk niet slechts voldoende gewaarborgd als er én een (substantiële) economische binding én een (substantiële) sociale binding met het land van herkomst bestaat, maar kan ook voldoende zijn gewaarborgd door alleen een voldoende sterke sociale binding (of alleen een voldoende sterke economische binding) met het land van herkomst.
Niet in geschil is dat eiseres in Iran haar echtgenoot, met wie zij in 1977 is gehuwd, vijf kinderen en kleinkinderen achterlaat. Naar het oordeel van de rechtbank brengt deze situatie in beginsel mee dat sprake is van een behoorlijk sterke sociale binding van eiseres met Iran. Dat geldt te meer nu naar het oordeel van de rechtbank eiseres, in weerwil van hetgeen verweerder stelt, wel degelijk aannemelijk is dat zij zorgt voor haar hulpbehoevende 70-jarige echtgenoot. Hiertoe overweegt de rechtbank dat bij een partner die hulpbehoevend is, het zeer gebruikelijk is dat het in eerste instantie de andere partner is die de benodigde zorg levert. Het ligt dan ook voor de hand dat eiseres als echtgenote de taak op zich heeft genomen om voor haar echtgenoot te zorgen. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat het niet eenvoudig is om dit soort zorg met objectieve stukken aan te tonen. Dat de in Iran achterblijvende kinderen tijdelijk de zorgtaken van eiseres op zich kunnen nemen, maakt naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet dat eiseres een minder sterke sociale binding met Iran heeft.
Uit het voorgaande volgt dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de omstandigheid dat de echtgenoot van eiseres, voor wie zij zorgt, en haar kinderen en kleinkinderen in Iran achterblijven, niet maakt dat sprake is van een voldoende sterke sociale binding met Iran om haar tijdige terugkeer naar Iran gewaarborgd te achten. Het standpunt van verweerder dat de onder 5. weergegeven weigeringsgrond zich voordoet, berust dan ook niet op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit kan om die reden niet in stand blijven.
Doel en omstandigheden van het voorgenomen verblijf
6. Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat eiseres, vanwege het door verweerder gestelde vestigingsgevaar, het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond (weigeringsgrond als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, sub ii, van de Visumcode), overweegt de rechtbank dat verweerder, nu hij niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat sprake is van vestigingsgevaar, ook dit standpunt niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Ook in zoverre kan het bestreden besluit niet in stand blijven.
Conclusie
7. Het bestreden besluit moet worden vernietigd omdat het is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Ter zitting is gebleken dat de echtgenoot van eiseres begin van dit jaar is overleden. Deze omstandigheid vormt onvoldoende grond voor het oordeel dat geen sprake meer is van een voldoende sterke sociale binding van eiseres met Iran. Behalve referente wonen alle kinderen en kleinkinderen van eiseres in Iran. Eiseres en referente hebben bovendien gemotiveerd toegelicht waarom eiseres referente en haar gezin in Nederland wil bezoeken en dat het zwaartepunt van haar leven zich bevindt bij haar familie en vrienden in Iran. In dit verband acht de rechtbank ook van belang dat in dezelfde periode waarin eiseres het visum heeft aangevraagd, een visum kort verblijf voor familiebezoek is verleend aan de schoonmoeder en zij na een verblijf van enkele weken tijdig is teruggekeerd naar Iran. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat de schoonmoeder een sterkere economische binding had met Iran omdat zij werkte. Dit neemt echter niet weg dat uit de omstandigheid dat de schoonmoeder tijdig is teruggekeerd kan worden opgemaakt dat ook eiseres en referente de intentie hebben dat eiseres na een kort verblijf voor familiebezoek in Nederland tijdig zal terugkeren naar Iran.
De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Verweerder dient met in achtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen, nadat eiseres en/of referente zijn gehoord.
Griffierecht en proceskosten
8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 187,- moet vergoeden.
9. Niet is gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 187,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: