ECLI:NL:RBDHA:2026:29161

ECLI:NL:RBDHA:2026:29161

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-01-2026
Datum publicatie 02-10-2026
Zaaknummer NL23.39091
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

VK; verzoek opheffing inreisverbod; redelijkheid handhaving inreisverbod; evenredigheidstoets; ogg; overschrijding redelijke termijn

Uitspraak

[naam eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. D. Schaap),

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid).

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL23.39091

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar),

Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om opheffing van het aan hem opgelegde inreisverbod afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Beoordeling rechtbank
Redelijkheid handhaving inreisverbod
Evenredigheidstoets
Redelijke termijn

Feiten

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 2000 en heeft de Pakistaanse nationaliteit.

2. Bij besluit van 29 juni 2022 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen. In dit besluit heeft verweerder tevens aan eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod voor de duur van twee jaar op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Dit besluit van 29 juni 2022 staat in rechte vast.

3. Op 31 juli 2023 heeft eiser verzocht om opheffing van het aan hem opgelegde inreisverbod. Bij brief van dezelfde datum heeft eiser zijn verzoek nader toegelicht.

Verweerder heeft dit verzoek bij het bestreden besluit afgewezen. Hierover gaat deze uitspraak.

Het bestreden besluit

4. Het bestreden besluit houdt – samengevat – het volgende in. Verweerder heft het inreisverbod niet op. Eiser heeft namelijk niet de gegevens als bedoeld in artikel 6.5b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) ingeleverd en heeft daardoor niet aannemelijk gemaakt dat hij voldoet aan de voorwaarden voor opheffing van het inreisverbod, zoals neergelegd in artikel 6.5b, tweede lid, van het Vb. Eiser heeft verder geen bijzondere feiten en omstandigheden aangevoerd die aanleiding kunnen geven om het inreisverbod, ondanks dat niet aan de opheffingsvoorwaarden is voldaan, op te heffen. Evenmin is sprake van een zeer uitzonderlijk en dringend geval dat aanleiding geeft het inreisverbod tijdelijk op te heffen.

5. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser aan de hand van de beroepsgronden. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat eiser in beroep niet heeft betwist dat hij niet voldoet aan de ‘opheffingsvoorwaarden’ zoals die volgen uit artikel 6.5b, tweede lid, van het Vb. De rechtbank stelt verder vast dat eiser niet heeft gesteld dat er zich in zijn geval bijzondere feiten en omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf A4/2.5.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) in verbinding met paragrafen A4/3.5 (thans A4/3.6) en A4/3.6 van de Vc (thans A4/3.7), op grond waarvan een inreisverbod kan worden opgeheven zonder dat aan de opheffingsvoorwaarden van artikel 6.5b, tweede lid, van het Vb is voldaan.

6. Eiser betoogt dat het niet opheffen van zijn inreisverbod onredelijk is. Eiser heeft in dit verband naar voren gebracht dat aan hem een licht inreisverbod is opgelegd, maar dat voor de opheffing daarvan dezelfde voorwaarden gelden als bij een zwaar inreisverbod. Volgens eiser is dit niet redelijk, omdat het gaat om twee niet-gelijke categorieën die daarom ook ongelijk behandeld moeten worden. Aangezien het in eisers geval dus enkel gaat om een licht inreisverbod, moet aan zijn belang om het inreisverbod op te heffen meer gewicht worden toegekend dan aan het belang van verweerder om het inreisverbod te handhaven. Eiser wenst namelijk een leven in Portugal op te bouwen (door daar te werken en rechtmatig verblijf te verkrijgen). Welk belang van verweerder zwaarder zou moeten wegen, heeft verweerder niet inzichtelijk gemaakt. Verder is volgens eiser duidelijk dat verweerder het inreisverbod wel wil opheffen wanneer eiser verblijfsrecht in Portugal heeft verkregen. Tegelijkertijd staat het Nederlandse inreisverbod het verkrijgen van dit verblijfsrecht juist in de weg. Aangezien onduidelijk is of de Portugese autoriteiten bereid zijn een raadplegingsverzoek te starten om het Nederlandse inreisverbod op te heffen, had verweerder hierover contact moeten opnemen met de Portugese autoriteiten.

7. De rechtbank merkt allereerst op dat de voorwaarden waaronder verweerder kan besluiten een licht inreisverbod op te heffen, niet gelijk zijn aan de voorwaarden waaronder verweerder ertoe kan besluiten een zwaar inreisverbod op te heffen. Zo geldt de voorwaarde zoals bedoeld in artikel 6.5b, derde lid, aanhef en onder d, van de Vb uitsluitend voor zware

inreisverboden. Verweerder heeft in de brief van 24 oktober 2023 ook niet verzocht om de gegevens bedoeld in die voorwaarde. Dat zowel het lichte als het zware inreisverbod gelijk zouden worden behandeld, zoals eiser stelt, volgt de rechtbank dan ook niet.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eisers aanvraag om opheffing van het inreisverbod terecht afgewezen. Eiser heeft niet aangetoond dat hij heeft voldaan aan de voorwaarden voor opheffing van het inreisverbod, zoals neergelegd in artikel 6.5b, tweede lid, van het Vb. Eiser heeft namelijk niet aangetoond dat hij Nederland en de Europese Unie (EU) heeft verlaten en dat hij een ononderbroken periode van tenminste één jaar buiten Nederland en de EU heeft verbleven. Gemachtigde heeft ook ter zitting toegegeven dat, hoewel in het hiervoor genoemde artikel van het Vb enkel wordt gesproken over Nederland, daaronder ook de EU moet worden verstaan. Nu eiser niet aan deze voorwaarden heeft voldaan, was voor een belangenafweging geen plaats. De beroepsgrond slaagt niet.

9. Eiser betoogt dat de beslissing om het inreisverbod niet op te heffen in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiser naar de noot van mr. dr. E.R. Brouwer bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1075, JV 2025/129.

10. De rechtbank merkt allereerst op dat de door eiser aangehaalde uitspraak ziet op de weigering van verweerder om een SIS-signalering te verwijderen en niet, zoals in de onderhavige zaak, op de afwijzing van een verzoek tot intrekking van een inreisverbod. Aan de door eiser aangehaalde noot gaat de rechtbank dan ook reeds daarom voorbij. Uit artikel 25, eerste lid, van de Schengenuitvoeringsovereenkomst (SUO) volgt dat wanneer de Portugese autoriteiten overwegen om aan eiser, ondanks het door verweerder aan hem opgelegde inreisverbod, een verblijfsvergunning te verlenen, het aan de Portugese autoriteiten is om hierover contact op te nemen met verweerder en na te gaan wat verweerders belangen zijn. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Portugese autoriteiten, eventueel na aansporing daartoe door eiser in de vorm van een klacht, artikel 25, eerste lid, van de SUO niet zullen naleven en evenmin is gebleken dat verweerder, die zijn uitvoeringspraktijk inmiddels heeft vastgelegd in paragraaf A4/2.5.5. van de Vc, niet tot opheffing van het inreisverbod zal overgaan indien daartoe op grond van artikel 25, eerste lid, van de SUO aanleiding bestaat. Van dit laatste was ten tijde van het bestreden besluit geen sprake, reeds nu uit de bij de aanvraag overgelegde vertaling van het voornemen van de Portugese autoriteiten tot afwijzing van de aanvraag van een verblijfvergunning blijkt dat het Nederlandse inreisverbod daarvoor niet de enige reden is. Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat de bestreden afwijzing van eisers aanvraag om opheffing van het inreisverbod in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.

11. Eiser heeft verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

12. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, zoals de uitspraak van 29 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:188), volgt dat voor de berechting van een zaak in eerste aanleg als

redelijke termijn geldt dat binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld uitspraak moet worden gedaan. Wordt deze termijn overschreden, dan moet de overheid € 500,- aan immateriële schadevergoeding betalen voor ieder half jaar overschrijding, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

13. Eiser heeft op 13 december 2023 beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn verzoek om het aan hem opgelegde inreisverbod op te heffen. Vanaf dat moment is de redelijke termijn aangevangen. Hieruit volgt dat sinds het beroepschrift van 13 december 2023 tot de datum van de uitspraak twee jaar en ruim één maand is verstreken. Nu de beroepsfase meer dan twee jaren heeft geduurd, is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Eiser heeft dus recht op immateriële schadevergoeding. Toegekend wordt een bedrag van in totaal € 500,-, geheel toe te rekenen aan de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid).

Conclusie

14. Nu geen van de beroepsgronden slaagt, is het beroep ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling in verband met het beroep bestaat geen aanleiding. De rechtbank zal wel de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van € 467,- veroordelen (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding op grond van het Bpb, met een waarde per punt van € 934,-en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar

Griffier

  • mr. D.M. Abrahams

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand