ECLI:NL:RBDHA:2026:29164

ECLI:NL:RBDHA:2026:29164

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-10-2026
Datum publicatie 02-10-2026
Zaaknummer 09/088543-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

De verdachte heeft in zijn eigen woning in een oplopend conflict met aangever, die een goede vriend van verdachte was, geprobeerd hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door een mes in diens linkerschouder te steken. De verdachte is overeenkomstig de eis van de officier van justitie veroordeeld tot een deels (on)voorwaardelijke gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden. En voorts tot een taakstraf.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/088543-26

Datum uitspraak: 2 oktober 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 18 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B. Verheesen, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. W.G. Nieman, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 22 maart 2026 te Leiden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangever 1] met een mes heeft gestoken in zijn schouder, althans het lichaam,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 23 maart 2026 te Leiden, [aangever 2] (agent van de politie Eenheid Den Haag) heeft mishandeld, door door die [aangever 2] met kracht te duwen (ten gevolge waarvan hij ten val is gekomen en/of met zijn oor tegen een stalen kast is gevallen),

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had en/of terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening.

3. De bewijsbeslissingen

Inzake feiten 1 en 2

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026099488, van de politie eenheid Den Haag (doorgenummerd pagina 1 t/m 403).

Inzake feit 2

Opgave van bewijsmiddelen

De rechtbank zal voor feit 2 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. Een en ander geldt enkel voor wat betreft de ten laste gelegde mishandeling van een politieambtenaar.

De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit, inhoudende de mishandeling van een politieambtenaar, eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring (en tot vrijspraak van het als strafverzwarende omstandigheid ten laste gelegde zwaar lichamelijk letsel).

De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van die strafverzwarende omstandigheid.

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen ter zake van de mishandeling van de politieambtenaar:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd tijdens de terechtzitting van 18 september 2026;

2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , opgemaakt op 23 maart 2026 voor zover inhoudende (p. 184-186).

Inzake feit 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het, gelet op het dossier, evident is dat de verdachte met zijn eigen mes aangever in de linkerschouder heeft gestoken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde bepleit, nu de verdachte weliswaar heeft bekend met zijn mes aangever te hebben bedreigd, maar altijd heeft ontkend aangever daarmee ook te hebben gestoken. Als alternatief scenario heeft de raadsvrouw aangevoerd dat een ander, te weten aangever zelf of [naam] , met het mes de verwonding in de schouder van aangever heeft toegebracht.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in de aan dit vonnis gehechte bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Bewijsoverwegingen

Op grond van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang beschouwd - stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 22 maart 2026 om 19.31 uur de aangever met het enige mes met een rood lemmet en een rood/wit handvat, dat in zijn bezit was (hierna ook genoemd het rode mes), heeft bedreigd. Meteen hierop is de verdachte achter aangever aan de woonkamer in gelopen en heeft aldaar zijn hand met daarin het rode mes omhoog geheven, waarna hij het rode mes met een stekende beweging richting de schouder van aangever heeft bewogen. Kort hierop zag en voelde aangever bloed en even later voelde hij ook pijn. De verdachte bleek een met een steekwond overeenkomende verwonding in zijn linkerschouder te hebben.

Aangever heeft direct hierop tegen anderen gezegd en kort daarna geappt dat de verdachte hem op dat moment had gestoken, zoals hij ook later tegenover de politie heeft verklaard.

Het bloed op het handvat en het lemmet van het rode mes blijkt van de verdachte te zijn en het bloed op het puntje van dit mes van de aangever. Een half uur voor dit incident heeft verdachte de aangever per WhatsApp uitgedaagd en onder meer gedreigd aangever in stukken te zullen snijden. Op het moment dat de verdachte met zijn mes uithaalde richting aangever heeft hij tegen aangever gezegd: “ik maak je af als je niet uitkijkt”.

Uit bovenstaande leidt de rechtbank - mede gelet op de uiterlijke verschijningsvorm en het korte tijdsbestek waarin het incident zich heeft afgespeeld - af dat het niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte aangever in zijn linkerschouder heeft gestoken.

Alternatief scenario

Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario acht de rechtbank gelet op het bovenstaande onwaarschijnlijk. Immers, vaststaat dat de steekwond in de linkerschouder van aangever is veroorzaakt met het rode mes van de verdachte, waarmee de verdachte ook een stekende beweging richting de schouder van aangever heeft gemaakt. Direct hierop is de steekwond geconstateerd. Vóór dit incident was hiervan nog geen sprake.

Het geschetste scenario impliceert dan ook dat aangever in de korte periode direct na de stekende beweging het mes zou hebben (af)gepakt, waarna hij zichzelf in zijn eigen linkerschouder zou hebben gestoken, waarop hij het mes vervolgens nog in de lade van de salontafel zou hebben opgeborgen. Voor dit geopperde scenario kunnen door de rechtbank geen ondersteunende feiten en omstandigheden worden vastgesteld. Met betrekking tot het scenario dat [naam] deze handelingen zou hebben verricht overweegt de rechtbank het volgende. Geen van deze handelingen in de door de verdediging als mogelijkheid aangevoerde gang van zaken zijn door de verdachte zelf, zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, door de aangever of door [naam] waargenomen.

Conclusie

Met bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte aangever met een mes in zijn schouder heeft gestoken en heeft geprobeerd om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1.

hij op 22 maart 2026 te Leiden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [aangever 1] met een mes heeft gestoken in zijn schouder,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 23 maart 2026 te Leiden [aangever 2] (agent van de politie Eenheid Den Haag) heeft mishandeld, door die [aangever 2] met kracht te duwen (ten gevolge waarvan hij met zijn oor tegen een stalen kast is gevallen),

terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 76 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden; en tot- een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit om aan de verdachte geen gevangenisstraf op te leggen, maar een deels voorwaardelijke taakstraf met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft in zijn eigen woning in een oplopend conflict met aangever, die een goede vriend van verdachte was, geprobeerd hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door een mes in diens linkerschouder te steken. Aldus handelende heeft hij inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Algemene ervaringsregels leren dat slachtoffers van een dergelijk feit nog een lange tijd de psychische gevolgen daarvan ondervinden. Bovendien worden daardoor in de maatschappij levende gevoelens van angst en onveiligheid aangewakkerd.

De volgende dag heeft de verdachte in het politiebureau waar hij na voormeld steekincident naar toe was gebracht ook een opsporingsambtenaar mishandeld. De verdachte heeft die ambtenaar, die hem tot de orde wilde brengen, een duw gegeven, waardoor deze met zijn oor tegen een kast is gevallen. Aldus heeft de verdachte de politieambtenaar, naast pijn, een flinke wond aan zijn oor toegebracht. Dit terwijl opsporingsambtenaren ongehinderd hun werk moeten kunnen doen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 10 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van in het bijzonder het meest recente reclasseringsadvies van GGZ Fivoor over de verdachte van 3 september 2026. Hieruit volgt het volgende.

Bij de verdachte is sprake van een jarenlange verslavingsproblematiek (harddrugs en alcohol). Ook is de verdachte gediagnosticeerd met een verstandelijke beperking en heeft hij een gebrekkige emotie- en agressieregulatie. Daarbij bevindt de verdachte zich in een netwerk van mensen met een justitiële- en verslavingsachtergrond. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog, het risico op letsel als gemiddeld. De ernst van de verdenkingen neemt volgens de reclassering toe. Zonder gerichte interventies is de verwachting dat het delictgedrag zich verder ontwikkelt. Tegenover deze risico’s staat een pro sociale basishouding. De verdachte keurt delictgedrag af, toont zich coöperatief binnen het huidige reclasseringstoezicht en staat open voor een traject. Daarnaast beschikt hij over beschermende factoren, waaronder een curator, herstellend familiecontact, stabiele huisvesting en positief verlopende woonbegeleiding. De reclassering adviseert de verdachte op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden:

- meldplicht bij reclassering

- ambulante behandeling (met mogelijke kortdurende opname en medicatie) door [instelling] , waarbij de behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en/of andere problematiek).

- verbod op verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs);.

- dagbesteding; en

- beheersing van middelengebruik.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij wat in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk deel een proeftijd van twee jaren met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.

Daarnaast acht de rechtbank een taakstraf van 120 uren passend en geboden. Daarmee is de uitkomst gelijk aan de eis van de officier van justitie.

7. De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

De vordering van de benadeelde partij [aangever 1] (feit 1)

[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 250,- aan materiële schade (extra ziektekosten van ongeveer € 200,- 3x extra doktersbezoek en koptelefoon van ongeveer € 20,-) en € 1.000,- aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in diens vordering ter zake van de materiële schade bij gebrek aan voldoende onderbouwing niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De immateriële schade kan - hoewel heel summier onderbouwd - volgens de officier van justitie worden toewezen tot een bedrag van € 750,-, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de benadeelde partij in deze vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel dient te worden afgewezen dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. Volgens de raadsvrouw staat de benadeelde partij onder beschermingsbewind en de benadeelde partij had dus bij het indienen van de vordering door zijn bewindvoerder moeten worden vertegenwoordigd. Hiervan is niet gebleken.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat de benadeelde partij [aangever 1] bij het indienen van zijn vordering is vertegenwoordigd door zijn bewindvoerder, zoals bepaald in artikel 1:441, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek. De beginselen van een behoorlijke procesorde brengen nu mee dat de benadeelde partij niet op die grond niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering, maar pas nadat hem door het openbaar ministerie dan wel door de rechter de gelegenheid is geboden dat verzuim te herstellen en die gelegenheid niet is benut. De rechtbank stelt echter tevens vast dat de benadeelde partij niet ter terechtzitting aanwezig was, hetgeen zou betekenen dat de strafzaak hiertoe zou dienen te worden aangehouden. Dit zou naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal dan ook op de voet van artikel 361 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in zijn vordering en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de kosten die in verband met deze vordering zijn gemaakt compenseren door te bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten dragen.

De vordering van de benadeelde partij [aangever 2] (feit 2)

[aangever 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 550,- ter zake van geleden immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de vordering voor toewijzing vatbaar bevonden en medegedeeld dat de verdachte bereid is deze te voldoen.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 2 bewezen verklaarde feit. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 550,-.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 23 maart 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 550,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 maart 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] .

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

poging tot zware mishandeling;

ten aanzien van feit 2:

mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 100 (honderd) DAGEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 76 (zesenzeventig) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 (twee) JAREN vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat gedurende de proeftijd:

- de veroordeelde zich meldt bij GGZ Reclassering Fivoor [adres 2] op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;

- de veroordeelde zich laat behandelen door [instelling] , zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;

- indien daartoe aanleiding is, zoals bij een terugval in middelengebruik, bij overmatig middelengebruik of in geval van ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld, de reclassering een indicatiestelling kan aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert zal, nadat dit door de rechter is bevolen, veroordeelde zich laten opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt 7 weken of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt;

- de veroordeelde zich onthoudt van het gebruik van verdovende middelen genoemd in lijst I en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;

- de veroordeelde meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan urineonderzoek / ademonderzoek / speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

- de veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland GGZ Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf voor de tijd van 120 (honderdtwintig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 60 (zestig) DAGEN;

de vordering van de benadeelde partij [aangever 1]

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat de procespartijen ieder de eigen kosten dragen;

de vordering van de benadeelde partij [aangever 2]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 550,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 maart 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 2] ;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 550,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 maart 2026 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.M.J. Keltjens, voorzitter,

mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, rechter,

mr. R.J. Wortelboer, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. K. Oosterhof, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.M.J. Keltjens
  • mr. J.R.K.A.M. Waasdorp
  • mr. R.J. Wortelboer

Griffier

  • mr. K. Oosterhof

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand