RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser,
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.28066
mede namens zijn zoon [naam zoon] ,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S. Fattah),
en
(gemachtigde: mr. S. Burgmans).
Procesverloop
Met de besluiten van 5 oktober 2023 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eiser en zijn zoon tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.
Eiser heeft op 2 november 2023 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Hij heeft op 9 februari 2024 verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op dit bezwaar.
Bij besluit van 14 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft op 11 juli 2024 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Eiser heeft op 3 augustus 2024 beroepsgronden ingediend.
Verweerder heeft op 7 juli 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens is verschenen [naam referent] (referent).
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedag 1] 1980 en heeft de Iraanse nationaliteit. Zijn zoon is geboren op [geboortedag 2] 2006 en heeft eveneens de Iraanse nationaliteit. Zij hebben op 7 september 2023 een visum voor kort verblijf aangevraagd om respectievelijk hun schoonzus en tante (referent) en schoonbroer en oom te bezoeken. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvragen afgewezen.
Het bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de visumaanvragen van eiser en zijn zoon gehandhaafd op basis van twee weigeringsgronden, namelijk (1) dat hij het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond en (2) dat er redelijke twijfel bestaat over zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het visum te verlaten. Verweerder heeft hierbij verwezen naar artikel 32, eerste lid, onder a) ii en onder b) van Verordening (EG) nr. 810/2009 (Visumcode).
Juridisch kader en toetsingsmaatstaf
3. Op grond van artikel 32, eerste lid, van de Visumcode, voor zover van belang, wordt een visum geweigerd:
a. indien de aanvrager:
[…]
ii. het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond;
[…]
of
b. indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
Uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, volgt dat de autoriteiten bij het onderzoek van een visumaanvraag over een ruime beoordelingsruimte beschikken met betrekking tot de toepassingsvoorwaarden van (onder andere) artikel 32, eerste lid, van de Visumcode en de beoordeling van de relevante feiten, om te bepalen of een van de weigeringsgronden aan de aanvrager kan worden tegengeworpen. Dit betekent dat de rechtbank het standpunt van verweerder dat een weigeringsgrond zich voordoet slechts terughoudend kan toetsen.
Beoordeling door de rechtbank
Twijfel over tijdige terugkeer
4. Eiser voert aan dat zijn sociale binding met Iran veel sterker is dan die met Nederland. In Nederland wonen alleen zijn schoonbroer en schoonzus, terwijl hij in Iran zijn echtgenote, minderjarige dochter en de rest van zijn familie achterlaat. Daarnaast voert eiser aan dat hij als vader hoofdverantwoordelijke is van zijn gezin en verplicht is hen te onderhouden. Deze verplichting maakt volgens eiser dat hij zal terugkeren naar Iran. Om zijn gezin te onderhouden heeft eiser een eigen bedrijf en werkt hij als manager bij [bedrijf] . Volgens eiser blijkt hier tevens uit dat hij een sterke economische binding met Iran heeft. Ter onderbouwing daarvan heeft eiser in beroep nog een aantal stukken overgelegd. Ook voert eiser aan dat verweerder bij zijn beslissing om geen visum af te geven, heeft nagelaten de economische binding van zijn zoon met Iran bij de beoordeling te betrekken. Eiser wijst er tot slot nog op dat verweerder eraan voorbij is gegaan dat het voorgenomen bezoek ook een emotioneel aspect heeft. Eisers zoon is de zoon van de overleden zus van referent en in het kader van de rouwverwerking is het belangrijk dat zij de gelegenheid krijgen elkaar te ontmoeten.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er twijfel bestaat over de tijdige terugkeer van eiser en zijn zoon naar Iran. Bij de beoordeling hiervan mag verweerder zich in belangrijke mate laten leiden door de intensiteit van de sociale en economische binding van de vreemdeling met zijn of haar land van herkomst. Al naar gelang de sociale en/of economische binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de vreemdeling om tijdig terug te keren toe- of afnemen.
Verweerder heeft zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn economische binding met Iran zodanig sterk is, dat tijdige terugkeer gewaarborgd is te achten. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij beschikt over een substantieel en regelmatig inkomen. Op de Vragenlijst Visumaanvraag heeft referent aangegeven dat eiser zelfstandig ondernemer is. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser in bezwaar een aantal stukken overgelegd. In beroep heeft eiser (onder andere) nog de bedrijfsvergunning van 7 juli 2024 en een bankafschrift over de periode van 11 april 2024 tot 12 juli 2024 overgelegd. Ook deze stukken zal de rechtbank als onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt bij de beoordeling van het beroep betrekken. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder worden gevolgd in zijn standpunt dat de stortingen op de bankafschriften niet te herleiden zijn tot inkomsten verdiend met de gestelde onderneming van eiser. Daarnaast tonen de overgelegde bedrijfsvergunningen (die inmiddels zijn verlopen) enkel aan dat eiser toestemming heeft om een bedrijf te starten maar deze tonen geenszins aan dat eiser ook daadwerkelijk als zelfstandig ondernemer werkt. Daarnaast heeft eiser aangegeven manager bij [bedrijf] te zijn. Ter onderbouwing hiervan heeft hij (onder meer) de werkgeversverklaring van 19 augustus 2023 overgelegd. Daarin staat vermeld dat eiser werkzaam is als manager bij [bedrijf] en een maandelijks inkomen heeft van 450.000.000 Iraanse rial. Ten aanzien hiervan heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat deze enkele verklaring onvoldoende is om het gestelde werk en inkomen aan te tonen. Van eiser had verwacht mogen worden dat hij zijn werk daarnaast met andere stukken, zoals een arbeidsovereenkomst, had kunnen onderbouwen. Eiser heeft dit niet gedaan. Daar komt bij dat uit voormelde bankafschriften ook niet blijkt dat eiser daadwerkelijk loon ontvangt van zijn gestelde werkgever. Ten aanzien van de economische binding merkt de rechtbank tot slot nog op dat verweerder, anders dan eiser betoogt, de economische binding van de zoon van eiser wel degelijk heeft betrokken bij zijn beoordeling dat van voldoende economische binding met Iran niet is gebleken. Zo heeft verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd dat de zoon van eiser schoolgaand is. Dit is volgens verweerder echter geen aannemelijke terugkeergarantie, omdat onderwijs tijdelijk kan worden onderbroken en weer later (en ook elders) kan worden hervat.
Wat betreft de sociale binding overweegt de rechtbank dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat weliswaar sprake is van enige sociale binding met Iran, maar dat die in dit geval niet opweegt tegen het gebrek aan economische binding met Iran. Eiser is gehuwd en heeft twee minderjarige kinderen. Eiser is voornemens om zijn (toen nog) minderjarige zoon met hem mee te nemen. Zijn echtgenote en minderjarige dochter blijven dus achter in Iran. Dit levert sociale binding op met Iran. Verweerder heeft echter kunnen overwegen dat dit, in samenhang beoordeeld met het ontbreken van economische binding met Iran, onvoldoende is om te concluderen dat er geen redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Nu niet is gebleken van een economische binding met Iran, is het enkele feit dat eisers echtgenote en dochter in Iran achterblijven onvoldoende om te kunnen spreken van een zodanige sociale binding dat deze opweegt tegen het ontbreken van een economische binding. Hierbij betrekt de rechtbank ook dat eiser van plan was om met zijn zoon naar Nederland te reizen. Van bijkomende omstandigheden, zoals de zorg voor andere familieleden of andere zwaarwegende verplichtingen, is verder niet gebleken. Dat eiser als vader verantwoordelijk is voor de zorg van zijn achterblijvende gezin, is naar het oordeel van de rechtbank geen zwaarwegende verplichting die maakt dat sprake is van een zodanige sociale binding met Iran dat tijdige terugkeer gewaarborgd is te achten.
Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, heeft verweerder zich niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser en zijn zoon om Nederland vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum te verlaten, als bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder b, van de Visumcode. De rechtbank begrijpt dat referent en de zoon van eiser elkaar willen ontmoeten, maar aangezien sprake is van vestigingsgevaar en dit een dwingende afwijzingsgrond is, heeft verweerder de visumaanvragen terecht afgewezen.
Doel en omstandigheden van het voorgenomen verblijf
5. Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat eiser het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond (weigeringsgrond als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, sub ii, van de Visumcode), overweegt de rechtbank dat de hiervoor besproken grond dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van de geldigheid van het gevraagde visum te verlaten al voldoende is om de visumaanvraag van eiser af te wijzen. De rechtbank laat deze tweede afwijzingsgrond daarom onbesproken.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
7. Nu het bezwaar terecht kennelijk ongegrond is verklaard, heeft verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen dwangsom toekomt.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.