RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/9797
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S. Karkache),
en
(gemachtigde: mr. D.A.H. de Laat).
Procesverloop
Bij besluit van 28 augustus 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.
Bij besluit van 15 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Eiser heeft op 18 juli 2024 beroepsgronden ingediend.
Verweerder heeft op 20 juli 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 5 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Matadien, als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1996 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Op 28 juli 2023 heeft hij een visum voor kort verblijf aangevraagd. Hij wil naar Nederland komen om zijn oom, [naam referent] (tevens referent) en neefje te bezoeken. Bij het primaire besluit heeft verweerder de visumaanvraag afgewezen.
Het bestreden besluit
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de visumaanvraag van eiser gehandhaafd op de weigeringsgrond dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van de geldigheid van het visum te verlaten. Verweerder heeft hierbij verwezen naar artikel 32, eerste lid, onder b) van Verordening (EG) nr. 810/2009 (Visumcode).
Juridisch kader en toetsingsmaatstaf
3. Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b van de Visumcode wordt een visum geweigerd indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
Uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, volgt dat de autoriteiten bij het onderzoek van een visumaanvraag over een ruime beoordelingsruimte beschikken met betrekking tot de toepassingsvoorwaarden van (onder andere) artikel 32, eerste lid, van de Visumcode en de beoordeling van de relevante feiten, om te bepalen of een van de weigeringsgronden aan de aanvrager kan worden tegengeworpen. Dit betekent dat de rechtbank het standpunt van verweerder dat een weigeringsgrond zich voordoet slechts terughoudend kan toetsen.
Beoordeling door de rechtbank
Twijfel over tijdige terugkeer
4. Eiser betoogt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er redelijke twijfel bestaat over zijn tijdige terugkeer naar Marokko. Eiser heeft wel degelijk voldoende sociale en economische binding met Marokko, zodat zijn tijdige terugkeer gewaarborgd is te achten. Ten aanzien van de sociale binding met Marokko voert eiser aan dat hij Engels studeert en is gebonden aan de bijbehorende studiefaciliteiten in Marokko. Dat eiser niet in staat is om zijn studievoortgang aan te tonen, heeft ermee te maken dat hij voor sommige examens moet betalen en dit niet altijd kan. Hierdoor doet eiser langer over zijn eerste studiejaar dan hij eigenlijk zou willen. Dat eiser geen partner en kinderen heeft, betekent volgens hem niet dat hij onvoldoende sociale binding met Marokko heeft. Eiser laat namelijk zijn ouders en vijf broers en zussen achter in Marokko, met wie hij samenwoont en een hechte band heeft. Ook wordt eiser door zijn ouders onderhouden. Verder wijst eiser erop dat hij niet illegaal in Nederland wil verblijven en dat hij niet eerder een visum heeft gekregen, zodat verweerder hem niet kan tegengeworpen dat hij eerder niet is teruggekeerd.
Over de economische binding voert eiser aan dat hij studeert. Dit verklaart waarom hij geen werk heeft. Eiser wordt financieel onderhouden door zijn ouders en zijn moeder is bereid de kosten van de reis naar Nederland te betalen. Hiermee beschikt eiser (indirect) over een regelmatig inkomen. Dat deze steun ook vanuit Marokko zou kunnen worden ontvangen, betekent volgens eiser niet dat hij onvoldoende economische binding met Marokko heeft, omdat het bedrag te laag is om in Nederland van te kunnen leven. Daarnaast wijst eiser erop dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat eiser geen studie Engels volgt. Verweerder heeft hierbij alleen het studentencertificaat en niet de andere overgelegde stukken betrokken. Verweerder lijkt eiser verward te hebben met een andere persoon, aangezien hij in het bestreden besluit spreekt over ‘haar’ (in plaats van ‘hem’).
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er twijfel bestaat over de tijdige terugkeer van eiser naar Marokko. Bij de beoordeling hiervan mag verweerder zich in belangrijke mate laten leiden door de intensiteit van de sociale en economische binding van de vreemdeling met zijn of haar land van herkomst. Al naar gelang de sociale en/of economische binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de vreemdeling om tijdig terug te keren toe- of afnemen.
Verweerder heeft zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn sociale binding met Marokko zodanig sterk is, dat tijdige terugkeer gewaarborgd is te achten. Verweerder heeft daarbij kunnen meewegen dat eiser ongehuwd is en geen kinderen heeft. Eiser heeft dus geen sociale band met Marokko in de vorm van een eigen gezin. Dat de ouders en broers en zussen van eiser in Marokko achterblijven, is onvoldoende grond om voldoende sociale binding met Marokko aan te nemen. Eiser is meerderjarig en niet is gebleken dat zijn ouders en/of broers en zussen van hem afhankelijk zijn. Dat eiser door zijn ouders wordt onderhouden vergroot zijn sociale band met Marokko niet. Die financiële steun kan ook op afstand worden voortgezet. Daarnaast is tussen partijen niet (meer) in geschil dat eiser in het eerste jaar van zijn studie Engels zit. Maar ook deze omstandigheid is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om voldoende sociale binding met Marokko aan te nemen. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser zich nog maar aan het begin van zijn studie bevindt. Dat eiser niet altijd in staat is om zijn examens te betalen en daardoor minder voortgang maakt in zijn studie, maakt het voorgaande niet anders. Verder is de rechtbank ook niet gebleken van andere zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die maken dat sprake is van een zodanige sociale binding met Marokko dat tijdige terugkeer naar dat land redelijkerwijs gewaarborgd kan worden geacht.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat eiser een zodanige economische binding met Marokko heeft, dat tijdige terugkeer redelijkerwijs gewaarborgd is te achten. Eiser heeft geen werk en beschikt daarmee niet over een stabiel en regelmatig inkomen. Dat eiser student is, is op zichzelf onvoldoende om voldoende economische binding met Marokko aan te nemen en betekent ook niet dat verweerder niet heeft kunnen tegenwerpen dat eiser niet over een stabiel en regelmatig inkomen beschikt. Dat eiser geld van zijn ouders ontvangt, betekent evenmin dat hij een sterkere economische binding met Marokko heeft. Zoals hiervoor al is overwogen kan de financiële steun van zijn ouders ook op afstand worden ontvangen. Dat het geld dat hij van zijn ouders ontvangt onvoldoende is om van te kunnen leven in Nederland, maakt het voorgaande niet anders.
Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, heeft verweerder zich niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om Nederland vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum te verlaten, als bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder b, van de Visumcode. De algemene stelling van eiser dat hij niet illegaal in Nederland wil verblijven en dat verweerder (omdat eiser niet eerder een visum heeft gekregen) hem niet kan tegenwerpen dat hij eerder niet is teruggekeerd, leidt niet tot een ander oordeel.
Hoorplicht
5. Eiser voert aan dat hij ten onrechte niet in bezwaar is gehoord.
Verweerder mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht van het horen in bezwaar afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Een bezwaar is kennelijk ongegrond als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift, in samenhang met de motivering van het eerste besluit. Naar het oordeel van de rechtbank deed een dergelijke situatie zich hier voor. Eiser was er in het primaire besluit al op gewezen dat hij onvoldoende heeft aangetoond dat hij voldoende sociale en economische binding met Marokko heeft. Nu dit aspect in bezwaar onvoldoende is onderbouwd, heeft verweerder van het horen van eiser kunnen afzien. Verweerder heeft dan ook terecht het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Conclusie en gevolgen van het beroep tegen het bestreden besluit
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: