RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam verzoekster] , V-nummer: [nummer] , verzoekster
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18848
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en
Procesverloop
Op 3 april 2026 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag tot afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘nareis’.
Bij bericht van 28 mei 2026 heeft de gemachtigde van verzoekster het beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen in de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft hierop bij brief van 12 juni 2026 gereageerd en gesteld het beroep is ingetrokken omdat verzoekster is overleden en dat verweerder niet geheel of gedeeltelijk tegemoet is gekomen en er geen besluit kenbaar is gemaakt. Daarom dient volgens verweerder het verzoek om een veroordeling in de proceskosten afgewezen te worden.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
3. Het beroep is – onder voorbehoud van proceskostenveroordeling - ingetrokken vanwege het overlijden van verzoekster. Uit het dossier blijkt niet van familieleden of andere personen die mogelijk belang hadden bij, of de bevoegdheid hadden tot, voortzetting van de procedure. De aanleiding tot intrekking is gelegen in een omstandigheid die niet van verzoeksters wil afhankelijk was. Het beroep niet tijdig is op zich ook terecht ingesteld omdat verweerder niet binnen de voorgeschreven termijn op de aanvraag heeft beslist. De proceskosten zijn dus, terugkijkend, niet zonder grond gemaakt. Onder die omstandigheden is het dan ook redelijk dat deze aan verweerder worden toegerekend.
4. De rechtbank veroordeelt verweerder in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).
5. De rechtbank wijst erop dat verzoekster wegens betalingsonmacht is vrijgesteld van het betalen van griffierecht, zodat verweerder niet op grond van artikel 8:74 van de Awb griffierecht hoeft te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van G.I. Heijblom, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.