ECLI:NL:RBDHA:2026:29173

ECLI:NL:RBDHA:2026:29173

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-10-2026
Datum publicatie 02-10-2026
Zaaknummer NL26.31915
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Vereenvoudigde behandeling
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Dublin, Zwitserland, 8:54 Awb, aanmeldgehoor niet summier, geen reden voor het stellen van (verdere) vervolgvragen, interstatelijk vertrouwensbeginsel, AIDA-rapport (update 2024) van mei 2025, artikel 17 Dublinverordening, indirect refoulement, beroep kennelijk ongegrond.

Uitspraak

[naam 1] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,

van Algerijnse nationaliteit,

V-nummer: [nummer]

alias:

[naam 2] ,

geboren op [geboortedatum] ,

van Algerijnse nationaliteit,

(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 5 juni 2026 niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.

Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dit, mede, aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.

De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

3. De EU heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Met ingang van 12 juni 2026 gelden de regels die zijn neergelegd in de AMbV.

Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de Dublinverordening vastgelegde criteria.

Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 29 april 2026 bij Zwitserland een verzoek om terugname gedaan. Zwitserland heeft dit verzoek op 5 mei 2026 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.

Zienswijze

4. Eiser verwijst allereerst naar hetgeen hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht en wenst de inhoud van de genoemde stukken als herhaald en ingelast te beschouwen. De rechtbank oordeelt dat dit onvoldoende is om aan te merken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd ingegaan op de zienswijze van eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens hem niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.

Aanmeldgehoor

5. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende onderzoek heeft verricht alvorens te concluderen dat een overdracht aan Zwitserland geen belemmeringen oplevert. Uit het dossier blijkt dat het gehoor op dit punt summier is geweest. Nadat eiser heeft verklaard dat hij in Zwitserland geen problemen heeft ondervonden, heeft de minister geen vervolgvragen gesteld over zijn verblijf aldaar, de toegang tot medische zorg, de opvangsituatie, zijn psychische gesteldheid, eventuele kwetsbaarheden of de praktische gevolgen van een overdracht. Eiser is niet juridisch geschoold en daarom kan van hem niet worden verlangd dat hij uit eigen beweging concrete bezwaren formuleert tegen omstandigheden in Zwitserland waarvan hij niet op de hoogte is. Op de minister rust een eigen verantwoordelijkheid om relevante feiten en omstandigheden zorgvuldig vast te stellen. Het gehoor biedt geen aanknopingspunt voor de vaststelling dat de minister daadwerkelijk heeft onderzocht of eiser vanwege zijn medische en psychische situatie bijzondere kwetsbaarheden heeft die relevant zijn voor de beoordeling van een overdracht. De minister heeft eiser ook geen medische machtiging laten ondertekenen om onderzoek te doen naar zijn medische gesteldheid. Van bijzonder gewicht is verder dat eiser heeft verklaard dat hij in Nederland een voormalige partner en een minderjarige dochter heeft, met wie hij het contact probeert te herstellen. Deze familiebanden en zijn medische situatie maken dat Nederland voor eiser het aangewezen land is om zijn procedure te behandelen.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat het gehoor summier is geweest. Zo heeft eiser tijdens het aanmeldgehoor van 8 mei 2026 desgevraagd verklaard dat hij naar Nederland is gekomen om behandeld te worden aan zijn benen en om zijn voormalige partner en dochtertje te vinden. In reactie hierop heeft de hoormedewerker aan eiser gevraagd wat er aan de hand is met zijn benen, waarop eiser heeft geantwoord dat hij spataderen heeft. Daarnaast heeft eiser naar voren gebracht dat hij in Zwitserland geen persoonlijke problemen heeft ondervonden en terug zal keren naar Zwitserland als de Nederlandse autoriteiten hem dat opleggen. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat de hoormedewerker (verdere) vervolgvragen had moeten stellen.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

6. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte heeft aangenomen dat Zwitserland zijn internationale verplichtingen jegens asielzoekers naleeft. De minister baseert zich hierbij uitsluitend op het interstatelijk vertrouwensbeginsel zonder concrete en actuele toetsing aan de feitelijke situatie. In het meest recente AIDA-rapport en diverse NGO’s-rapportages is gewezen op ernstige tekortkomingen in Zwitserland, waaronder structurele overbevolking van opvangcentra, gebrek aan rechtsbijstand en gevallen van mishandeling van asielzoekers. De minister had deze bronnen moeten betrekken bij een actuele risicoanalyse. Hoewel de Afdeling in de door de minister aangehaalde uitspraken heeft overwogen dat in algemene zin nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Zwitserland kan worden uitgegaan, ontslaat dit de minister niet van de verplichting om een actuele, individuele en zorgvuldige beoordeling te maken van de situatie waarin eiser na overdracht terecht zal komen. Dat passages uit het meest recente AIDA-rapport overeenkomsten vertonen met eerdere rapportages, betekent niet dat de daarin beschreven tekortkomingen niet langer relevant zijn of geen risico meer opleveren. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom in het individuele geval van eiser geen sprake meer zou zijn van een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Verder kan de minister niet zonder meer tegenwerpen dat eiser zich bij eventuele problemen dient te beklagen bij de Zwitserse autoriteiten. Zo heeft de minister niet onderzocht of rechtsmiddelen daadwerkelijk effectief en toegankelijk zijn voor Dublinclaimanten in Zwitserland. De enkele theoretische mogelijkheid om te klagen volstaat niet, omdat bescherming daadwerkelijk en effectief dient te zijn. Ook stelt de minister zich ten onrechte op het standpunt dat het ontbreken van feitelijke toegankelijke kosteloze rechtsbijstand voor Dublinclaimanten in Zwitserland niet kan bijdragen aan de conclusie dat sprake is van systeem-gerelateerde tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen.

De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van de lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft in meerdere uitspraken geoordeeld dat ten aanzien van Zwitserland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het AIDA-rapport (update 2023) van juli 2024 en het meest recente (in de beroepsgronden genoemde) AIDA-rapport (update 2024) van mei 2025 zijn daarbij meegewogen. Dit betekent dat de minister er in beginsel van mag uitgaan dat Zwitserland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Zwitserland niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Zwitserland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Zwitserse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Zwitserland overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen daarmee. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in het geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Zwitserland sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen waardoor hij bij overdracht aan Zwitserland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van

het Handvest. De Zwitserse autoriteiten hebben met het claimakkoord gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen, in overeenstemming met de verdragsverplichtingen. Mocht eiser na zijn overdracht toch problemen ervaren in het kader van de asielprocedure en/of de opvangvoorzieningen, dan ligt het op zijn weg om daarvoor de autoriteiten van Zwitserland te benaderen. Niet is gebleken dat klagen of het vragen van hulp bij de Zwitserse autoriteiten voor eiser niet mogelijk zal zijn. Gelet hierop en ook gelet op de hiervoor onder 6.1. genoemde Afdelingsuitspraken, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister zich zelfstandig ervan dient te vergewissen dat eiser na overdracht daadwerkelijk toegang zal hebben tot opvang en de asielprocedure. De enkele stelling van eiser dat sprake is van de onmogelijkheid om daadwerkelijk rechtsbescherming te verkrijgen in Zwitserland, acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de situatie in Zwitserland wat betreft rechtsbijstand niet voldoet aan de vereisten van artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn. Uit de artikelen 20 en verder van de Procedurerichtlijn volgt dat kosteloze rechtsbijstand niet onbeperkt is en dat daaraan voorwaarden mogen worden gesteld. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat Zwitserland in strijd met deze richtlijn handelt en dat eiser in Zwitserland een effectief rechtsmiddel wordt onthouden.

Artikel 17 van de Dublinverordening

7. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft nagelaten gebruik te maken van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser dient in de gelegenheid te worden gesteld om via een gehoor zijn bijzondere individuele omstandigheden en het ontbreken van een sociaal netwerk in Zwitserland toe te lichten. De minister heeft deze omstandigheden niet kenbaar bij de besluitvorming betrokken, maar volstaan met een algemene verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

De rechtbank is van oordeel dat de minister geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Uit hetgeen eiser heeft aangevoerd is niet gebleken van zodanige bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Zwitserland van onevenredige hardheid getuigt. De minister is in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd ingegaan op wat eiser heeft verklaard over zijn persoonlijke situatie. De enkele stelling van eiser dat hij het contact probeert te herstellen met zijn voormalige partner, met wie hij een minderjarige dochter heeft, is onvoldoende om te spreken van een bijzondere omstandigheid. Daarbij merkt de rechtbank op dat de Dublinverordening niet is bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een familie- of gezinslid in Nederland kan worden verkregen, omdat daar andere regelingen voor openstaan. Ook de gestelde medische/psychische klachten (spataderen en depressiviteit) acht de rechtbank onvoldoende om te kunnen spreken van een bijzondere, individuele omstandigheid. Daarbij komt dat een onderbouwing hiervan ontbreekt.

Indirect refoulement

8. Ten aanzien van eisers betoog dat hij bij overdracht aan Zwitserland vreest voor indirect refoulement, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het Hof van 30 november 2023 en de Afdeling van 12 juni 2024. Uit die uitspraken volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land, omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Zoals hiervoor onder 6.1. en 6.2. is overwogen kan ten aanzien van Zwitserland nog altijd worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank onderzoekt daarom niet of er bij overdracht aan Zwitserland een risico is op indirect refoulement.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand