RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser 1] en [eiser 2],
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.57391, NL26.57393, NL26.58042 en NL26.58043
V-nummers: [V-nummer 1] en [V-nummer 2]
hierna: eisers
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
(gemachtigde: mr. W. Vrooman).
Procesverloop
Bij besluiten van 25 september 2026 (bestreden besluiten 1, zaaknummers NL26.57391 en NL26.57393) is aan eisers op grond van artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6 van de Schengengrenscode de toegang geweigerd en bij besluiten van diezelfde datum (bestreden besluiten 2, zaaknummers NL26.58042 en NL26.58043) is aan eisers op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de besluiten tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eisers ingesteld beroep. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Op grond van artikel 94, tweede lid, van de Vw wordt, indien aan de vreemdeling een besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, het beroep geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten.
De rechtbank heeft de beroepen op 1 oktober 2026 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eisers stellen broers te zijn, te zijn geboren op respectievelijk [datum 1] 1997 en [datum 2] 2000 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
Onverwijlde kennisgeving
2. In artikel 94, eerste lid, van de Vw is onder meer bepaald dat verweerder onverwijld na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel zoals bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw, de rechtbank hiervan in kennis stelt.
4. De rechtbank stelt vast dat de vrijheidsontnemende maatregelen op 25 september 2026 zijn opgelegd en dat verweerder de rechtbank op 28 september 2026 om 10:21 uur en 10:26 uur hiervan in kennis heeft gesteld. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 17 september 2026 geoordeeld dat een kennisgeving onverwijld is verstuurd indien deze binnen zes uur na oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel naar de rechtbank is verstuurd. Dit betekent dat verweerder in dit geval de rechtbank niet onverwijld in kennis heeft gesteld van de aan eisers opgelegde maatregelen. Dit maakt de maatregelen op zichzelf nog niet onrechtmatig. Het niet nakomen van de verplichting om de rechtbank onverwijld in kennis te stellen van een vrijheidsontneming maakt de vrijheidsontnemende maatregel alleen onrechtmatig als de maatregel, gelet op de ernst van het gebrek en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen, niet meer gerechtvaardigd is.
5. De belangenafweging valt in dit geval in het voordeel van verweerder uit. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat niet is gebleken dat eisers door deze gang van zaken zijn geschaad in hun verdediging. De rechtbank kan zonder problemen nog binnen de wettelijke termijn van vijftien dagen na oplegging van de maatregel uitspraak doen over de rechtmatigheid daarvan. Eisers krijgen dus tijdig een oordeel over de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming. Ook overigens is niet gebleken dat zij nadeel hebben ondervonden door de niet onverwijlde kennisgeving. De rechtbank ziet daarom in dit gebrek geen reden om de maatregelen op te heffen.
Over bestreden besluiten 1 (toegangsweigering van 25 september 2026)
6. Verweerder heeft eisers de toegang geweigerd omdat eisers:
- niet in het bezit zijn van een geldig reisdocument; - niet over voldoende middelen van bestaan kunnen beschikken voor zowel de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of voor de doorreis naar een derde land, waar de toegang is gewaarborgd, dan wel niet in staat zijn deze middelen rechtmatig te verwerven.
7. De rechtbank stelt vast dat geen inhoudelijke gronden tegen de toegangsweigering zijn aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om de toegangsweigering onrechtmatig te achten.
Over bestreden besluiten 2 (vrijheidsontnemende maatregelen van 25 september 2026)
8. Op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.
9. Eisers stellen dat het digitale dossier onduidelijk is, omdat het dossier ook een digitaal ondertekende vrijheidsontnemende maatregel van 24 september 2026 bevat. Zoals door verweerder ter zitting is toegelicht, bevat het dossier een proces-verbaal van bevindingen van 29 september 2026. Hierin wordt duidelijk uiteengezet dat de maatregelen van 24 september 2026 als niet opgemaakt beschouwd kunnen worden en dat deze ook niet aan de vreemdelingen zijn uitgereikt.
10. Eisers menen dat verweerder hen standaardgronden tegenwerpt die voor elke asielzoeker van toepassing zijn. Dat er negatief is beslist op hun asielaanvragen, onderbouwt niet het onttrekkingsrisico. De rechtbank overweegt hiertoe dat voor grensdetentie op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw geen gronden zijn vereist. Vereist is dat er sprake is van een rechtsgeldige toegangsweigering. Hiervoor is al geoordeeld dat verweerder eisers terecht de toegang tot Nederland heeft geweigerd. Aan de vrijheidsontnemende maatregelen ligt dus een rechtmatige toegangsweigering ten grondslag. De in de maatregelen opgenomen gronden zijn dan ook ten overvloede en behoeven geen beoordeling.
11. Tot slot stellen eisers dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet is gekozen voor een lichter middel, zoals een vrijheidsbeperkende maatregel.
12. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de vrijheidsontnemende maatregel doeltreffend konden worden toegepast.. Het opleggen van een lichter middel zou in dit geval betekenen dat aan eisers toegang tot Nederland zou moeten worden verleend en verweerder het grensbewakingsbelang zou moeten prijsgeven. Hetgeen eisers in dit verband hebben verklaard over hun mentale en medische klachten is kenbaar meegenomen in de beoordeling. Daarbij komt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2012 volgt dat de wetgever de mogelijkheid om vreemdelingen aan wie de toegang is geweigerd hun vrijheid te ontnemen heeft ingevoerd omdat verblijf in de lounge als vrijheidsbeperkende maatregel grote nadelen heeft. De lounge heeft geen adequate faciliteiten en is ongeschikt voor een menswaardige opvang en een adequate handhaving van de openbare orde en rust. Een (langdurige) vrijheidsbeperkende maatregel is daarom geen geschikt alternatief.
Conclusie
13. De beroepen tegen bestreden besluiten 1 en tegen bestreden besluiten 2 zijn ongegrond. Daarom worden ook de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 2 oktober 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.