RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53708
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. T.M. van der Wal)
en
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers asielaanvraag. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 7 april 2023 een asielaanvraag ingediend. Eiser is gehoord en op 17 februari 2025 is een voornemen uitgebracht. Naar aanleiding van een zienswijze is eiser nader gehoord waarna op 1 juli 2025 een aanvullend voornemen is uitgebracht.
De minister heeft met het bestreden besluit van 27 oktober 2025 de aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 28 november 2025 heeft eiser gronden ingediend. Daarna heeft eiser op 29 januari 2026, 4 februari 2026, 24 juni 2026, 6 juli 2026 en op 8 juli 2026 aanvullende gronden ingediend. Namens de minister is op 9 juli 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De zaak is aangehouden in afwachting van verschillende uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats.
Partijen zijn nadien in de gelegenheid gesteld om op de hiervoor bedoelde uitspraken te reageren. De minister heeft dit op 27 augustus 2026 gedaan en eiser op 1 september 2026. Daarna is het vooronderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser is geboren in Al Hudaydah, Noord-Jemen. In 2011 is eiser tien maanden naar India gegaan en in 2013 is hij naar Saoedi-Arabië gegaan om te werken. Tot zijn vertrek naar Nederland in 2022 heeft eiser in Saoedi-Arabië gewoond. Wel is hij enkele keren teruggegaan naar Jemen waaronder een keer in 2016 om te trouwen. Hij verbleef bij terugkeer in Taiz. Eiser behoort tot de Al-Madhahij stam, die oorspronkelijk uit Taiz komt. Eiser kan niet terug naar Jemen omdat hij Soennitisch is en de Houthi’s Sjiitisch zijn. Eiser vreest voor de Houthi’s en de moslimbroederschap. Hij heeft kritiek gehad op een kolonel, een hooggeplaatst persoon, van de moslimbroederschap. Daarna is eiser door hen bedreigd en zijn zij naar hem op zoek. Er is een opsporingsbevel uitgevaardigd. In Nederland heeft eiser, op 15 september 2024 in Den Haag, deelgenomen aan een demonstratie tegen Houthi’s. Dit is gefilmd en in Jemen uitgezonden. Eiser is duidelijk in beeld. Naar aanleiding hiervan is in Jemen een bevel tot gedwongen voorgeleiding aan eiser uitgevaardigd. Gelet op deze omstandigheden is het voor eiser niet veilig om terug te gaan naar Jemen. Daarbij is ook de algehele situatie in Jemen niet veilig.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst.
2. Problemen met de autoriteiten door uiten kritiek.
3. Problemen door deelname aan protest in Nederland.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat het eerste motief geloofwaardig is en het tweede en het derde motief niet. Het eerste asielmotief maakt niet dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer. Omdat eiser zich niet onmiddellijk na binnenkomst in Nederland heeft gemeld concludeert de minister dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond.
Werkinstructie 2024/6
5. Eiser stelt dat het beleid omtrent de geloofwaardigheidsbeoordeling, zoals is opgenomen in WI 2024/6, een onjuiste toepassing van het Unierecht is. Elk document dat wordt overgelegd ter onderbouwing van een asielrelaas dient te worden beschouwd als element waarmee rekening dient te worden gehouden overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn. Dat eiser het originele arrestatiebevel en het origineel van het bevel tot gedwongen voorgeleiding moet indienen gaat dus te ver. Ook kopieën hebben bewijswaarde. Uit de motivering in de besluitvorming moet blijken dat de overgelegde documenten in onderlinge samenhang met de verklaringen van de vreemdeling en wat algemeen bekend is uit openbare bronnen zijn beoordeeld. Dit heeft de minister niet gedaan. Daarbij is eiser in grote lijnen wel geloofwaardig geacht, omdat artikel 31, zesde lid, onder e van de Vreemdelingenwet (Vw) niet aan eiser is tegengeworpen.
De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 8 augustus 2025 twee uitspraken gedaan over WI 2024/6, waarin is geoordeeld dat WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. De rechtbank oordeelt echter dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat toepassing van de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2024/6, in iedere zaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank zal dus in iedere afzonderlijke asielzaak, aan de hand van de beroepsgronden, moeten toetsen of de minister alle relevante aspecten heeft betrokken en voldoende heeft gemotiveerd waarom het asielrelaas niet geloofwaardig is. Dat doet de rechtbank hieronder.
Geloofwaardigheidsbeoordeling
Problemen met de autoriteiten door uiten kritiek
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij pas in mei 2025 voor het eerst heeft verklaard over zijn problemen met de autoriteiten door het uiten van kritiek, terwijl eiser al in september 2022 Nederland is ingereisd, zijn asielaanvraag van 7 april 2023 dateert en hij al verschillende keren was gehoord. Volgens eiser zou hij in 2015 kritiek hebben geuit en in 2016 problemen hebben ondervonden. Dat eiser geen bewijsstukken had en daarom niet eerder durfde te verklaren heeft de minister onvoldoende kunnen vinden. Zeker omdat eiser stelt dat deze problemen de reden waren voor zijn vertrek uit Jemen. Er is in het aanvullend gehoor uitdrukkelijk gevraagd of eiser ooit problemen had ondervonden met de autoriteiten, hier heeft eiser ontkennend op geantwoord. Ook dat eiser de Whatsapp-berichten, waardoor de problemen met de autoriteiten zijn ontstaan, niet kan overleggen kan aan eiser worden tegengeworpen. Dat hij ondertussen een andere telefoon heeft is onvoldoende, de minister heeft terecht tegengeworpen dat Whatsapp voldoende mogelijkheden biedt om berichten te exporteren en op te slaan. Ook heeft eiser summier verklaard over de kritiek. Zo blijft hij herhalen dat hij kritiek heeft geuit, maar niet wat de inhoud van de kritiek was. Ook benoemt eiser dat hij geen problemen heeft ondervonden van de moslimbroederschap, terwijl hij anderzijds benoemt dat hij kritiek heeft geuit op de kolonel van de moslimbroederschap waardoor hij gevaar loopt en er een opsporingsbevel tegen hem is uitgevaardigd. Dit is tegenstrijdig. De enkele stelling van eiser dat zijn verklaringen niet summier en niet tegenstrijdig zijn maakt het oordeel niet anders. Daarbij heeft de minister voldoende gemotiveerd dat er wel bewijswaarde toekomt aan de ingediende kopie van het arrestatiebevel, maar dat dit document onvoldoende gewicht in de schaal legt om de summiere en tegenstrijdige verklaringen te compenseren.
Problemen door deelname protest in Nederland
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister terecht heeft overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij problemen heeft ondervonden of zal ondervinden door de deelname aan een protest of demonstratie in Nederland. Allereerst was de demonstratie waar eiser bij aanwezig was, gericht op het Nederlandse asielbeleid ten aanzien van Jemen en niet tegen de Houthi’s. Eiser heeft stills overgelegd waarin te zien is dat hij voorkomt in het gemaakte filmpje. Deze beelden zijn meegewogen, niet in geschil is dat eiser is gefilmd tijdens de demonstratie. De minister stelt echter terecht dat niet aannemelijk is geworden dat de Houthi’s deze beelden hebben gezien en uit de beelden zouden afleiden dat eiser een tegenstander is van de Houthi’s. De minister heeft daarbij wel bewijswaarde toegekend aan de ingediende kopie van het bevel tot gedwongen voorgeleiding. Omdat het een kopie betreft heeft het echter geringe waarde omdat niet geverifieerd kan worden of het een authentiek document is. De minister heeft het document in samenhang met eisers verklaringen beoordeeld. Daarbij heeft de minister terecht tegengeworpen dat de vrees voor problemen door de deelname aan de demonstratie is gebaseerd op aannames (van derden) en een summiere verklaring over iets wat eiser van zijn broer heeft vernomen.
De rechtbank is tot slot van oordeel dat de minister in de bestreden beschikking eisers verklaringen en de ingediende stukken kenbaar in onderlinge samenhang heeft beoordeeld en gewogen. Dat eiser in grote lijnen geloofwaardig is bevonden en artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw (oud) niet aan eiser is tegengeworpen, betekent niet dat eiser op alle onderwerpen geloofwaardig heeft verklaard. De minister heeft alle relevante aspecten betrokken en voldoende gemotiveerd waarom het asielrelaas niet geloofwaardig is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister in dit geval niet een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt, zodat het beroep op dit punt ongegrond is.
Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening
Juridisch kader
7. Als gevolg van het arrest X en Y van het Hof van Justitie van de Europese Unie, en de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 over dit arrest, neemt de minister in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn verschillende gradaties van willekeurig geweld aan. De drie gradaties zijn:
uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld;
relatief hoger niveau van willekeurig geweld;
relatief lager niveau van willekeurig geweld.
Vanaf 2016 gold voor Jemen in het beleid van de minister het hoogste niveau van willekeurig geweld. In WBV 2024/9 heeft de minister dit niet langer aangenomen en is, mede naar aanleiding en met toepassing van het arrest X en Y, bepaald dat voor Jemen de middelste gradatie van willekeurig geweld geldt: een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. In dit beleid werd geen onderscheid per regio gemaakt.
De Afdeling is in de uitspraak van 16 juli 2025 ingegaan op dit beleid en heeft geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen niet langer sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft volgens de Afdeling niet alle relevante omstandigheden in zijn beoordeling betrokken, namelijk:
slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten;
de recente confrontaties;
het verhoogde percentage ontheemden als direct gevolg van het gewapende conflict in Jemen; en
de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict in Jemen.
Op het moment van genoemde Afdelingsuitspraak was het Algemeen Ambtsbericht Jemen 2025 al uitgebracht. De Afdeling heeft de minister opgedragen een nieuwe beoordeling te maken met inachtneming van dit nieuwe Ambtsbericht. In de Kamerbrief van 8 oktober 2025 heeft de minister naar aanleiding van het Ambtsbericht van april 2025 en de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 de wijzigingen in het landenbeleid over Jemen uiteengezet. De wijzigingen zijn opgenomen in WBV 2025/20. De minister heeft daarin wel een onderscheid gemaakt per regio en geeft aan dat onder andere in de provincie Al Hudayda sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld.
Beoordeling door de rechtbank
8. De rechtbank stelt vast dat bij de beoordeling van 15c, allereerst moet worden vastgesteld waar eiser zijn normale woon- en verblijfplaats had, zodat duidelijk is waar hij naar terug zal moeten keren. De minister heeft Al Hudayda aangewezen als vaste woon- en verblijfsplaats, eiser meent dat dit Taiz moet zijn. Bij de beoordeling van de normale woon- en verblijfsplaats dient te worden bezien waar de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek uit het land van herkomst feitelijk gedurende enige tijd heeft verbleven en onder welke omstandigheden dit verblijf plaatsvond. De geboorteplaats is daarbij niet van belang. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het verweerschrift voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat Al Hudayda voor eiser als normale woon- en verblijfplaats kan worden aangemerkt. Eiser is in [geboortejaar] geboren in Al Hudayda en heeft daar tot zijn vertrek uit Jemen in 2011 gewoond. Zijn familie is, na zijn vertrek uit Jemen, verhuisd naar Taiz. Eiser is slechts enkele keren korte tijd teruggekeerd naar Jemen en heeft in die tijd in Taiz verbleven. Voorafgaand aan zijn vertrek heeft eiser feitelijk enkel in Al Hudayda gewoond. De minister is dan ook terecht uitgegaan van Al Hudayda als vaste woon- en verblijfsplaats.
De volgende vraag is of de minister voldoende heeft gemotiveerd dat eiser kan terugkeren naar deze vaste woon- en verblijfplaats. De minister heeft erop gewezen dat hij bij zijn beoordeling niet alleen de aantallen dodelijke slachtoffers van geweld in verhouding tot de totale bevolking heeft betrokken, maar ook de humanitaire omstandigheden en op welke wijze deze beïnvloed werden door methoden van oorlogsvoering. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat het zorgelijk is dat veel mensen in Jemen afhankelijk zijn van humanitaire hulp zowel in het door de regering gecontroleerde gebied als in Houthi-gebied, maar dat uit het Ambtsbericht Jemen 2025 ook volgt dat met name de Houthi’s oorlog bewust gebruikten om de humanitaire situatie te verslechteren in frontlinies, regio’s onder eigen controle en indien mogelijk regeringsgebieden. Het aantal incidenten kent daarbij in Al Hudayda echter nog altijd een zeer sterke daling ten opzichte van het niveau van 2022 en daarvoor. Verder vindt er in Al Hudayda nog steeds nieuwe ontheemding plaats, maar ondanks dat in deze provincie ook overstromingen hebben plaatsgevonden wordt Al Hudayda niet genoemd als provincie waar de meeste voedselonzekerheid voorkomt. Ook is de minister nagegaan of er relevante wijzigingen in de veiligheidssituatie van Al Hudayda zijn geweest. Zoals volgt uit het arrest CF en DN moeten de relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen. Dat heeft de minister conform de opdracht van de Afdeling van 16 juli 2025 naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate gedaan. De rechtbank is in lijn met uitspraken van de meervoudige kamer van 10 augustus 2026 van deze zittingsplaats, van oordeel dat de minister met de aanvullende motivering in voldoende mate alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen die van belang zijn voor de beoordeling van de mate van willekeurig geweld in, in dit geval, Al Hudayda, Jemen.
De rechtbank oordeelt dat de minister op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat de landeninformatie in onderlinge samenhang bezien – de afgenomen algemene geweldsintensiteit, de daling van het aantal burgerslachtoffers afgezet tegen het inwonertal, de omvangrijke ontheemdenstromen in Jemen die in Al Hudayda, afgezet tegen het inwoneraantal, beperkt is en de slechte maar niet doorslaggevende humanitaire situatie – onvoldoende grond biedt voor het standpunt dat in de provincie Al Hudayda sprake is van het hoogste niveau van willekeurig geweld. Wat eiser daartegen heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
Bovenstaande betekent dat de minister uit mag gaan van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in Al Hudayda. Dit houdt in dat eiser op basis van zijn individuele omstandigheden aannemelijk moet maken waarom juist hij specifiek een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van de hoge mate van willekeurig geweld ten opzichte van andere burgers. Daartoe heeft eiser aangevoerd dat hij door zijn psychische problemen een verhoogd risico loopt. Hij heeft een uitdraai van zijn medisch dossier ingediend en een tussentijdse berichtgeving van Kleur GGZ. Uit deze stukken volgt dat eiser depressieve klachten heeft die voortkomen uit de duur en onzekerheid van zijn asielprocedure. Zoals de minister ter zitting terecht heeft toegelicht is hiermee door eiser onvoldoende onderbouwd waarom juist eiser als individu door zijn psychische problemen een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van het willekeurige geweld. Eiser heeft eerder zelf juist verklaard dat hij niet meer risico loopt dan ieder ander in Jemen. Het beroep slaagt op dit punt niet.
Artikel 3 van het EVRM
9. Eiser stelt dat hij door de problemen en zijn (psychische) gezondheid bij terugkeer naar Jemen in een situatie van materiele deprivatie terecht zal komen.
De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het tweede en derde asielmotief niet geloofwaardig zijn. Daarnaast komt de slechte psychische gezondheid van eiser, volgens de ingediende stukken, voort uit de duur en onzekerheid van zijn asielprocedure. Eiser heeft niet toegelicht hoe deze gezondheidsproblemen er bij terugkeer voor zouden zorgen dat hij in een situatie van materiele deprivatie terecht zal komen. De minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat er geen reden is om aan te nemen dat eiser terecht zal komen in een situatie van materiële deprivatie of in slechte humanitaire omstandigheden als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.
Kennelijk ongegrond
10. Tot slot stelt eiser dat de aanvraag ten onrechte is afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser benoemt dat hij inderdaad eerst ondergedoken heeft gezeten zodat hij binnen de Dublinprocedure niet teruggestuurd kon worden naar Frankrijk. Aan onderduiken of frustreren van een Dublinoverdracht is echter enkel de sanctie verbonden van het verlengen van de overdrachtstermijn in de Dublinprocedure. Dit mag volgens eiser niet doorwerken in de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag. Eiser verwijst daartoe naar een uitspraak van de zittingsplaats Roermond. Waarom het onderduiken leidt tot een kennelijke ongegrondheid is onvoldoende gemotiveerd.
De aanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h van de Vw (oud), omdat eiser zich niet onverwijld heeft gemeld. Dit volgt uit artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn. De Procedureverordening is op grond van artikel 79 van de Procedureverordening van toepassing op aanvragen van ná 12 juni 2026. Voor aanvragen van vóór 12 juni 2026 geldt de Procedurerichtlijn nog. Artikel 32 van de Procedurerichtlijn geldt hier dus nog. Daarin is opgenomen dat in nationale wetgeving bepaald kan worden wanneer een aanvraag als kennelijk ongegrond wordt afgedaan. In dit geval is het oude artikel 30b van de Vw (oud) nog van toepassing waarin in het eerste lid aanhef en onder h is opgenomen dat een aanvraag kan worden afgewezen als kennelijk ongegrond in het geval een vreemdeling zich zonder gegronde reden niet onverwijld meldt. Niet in geschil is dat eiser in september 2022 Nederland binnen is gekomen en zich pas in april 2023, dus niet onverwijld, heeft gemeld. Dat eiser niet teruggestuurd wilde worden naar Frankrijk heeft de minister niet als gegronde reden hoeven opvatten. De uitspraak waar eiser naar verwijst ziet op de ingangsdatum van een vergunning bij een ingewilligde aanvraag in een Dublinprocedure. In die zaak is geoordeeld dat wanneer iemand de overdracht frustreert niet als ‘sanctie’ een latere ingangsdatum datum voor een verblijfsvergunning kan gelden. De vergelijking gaat hier niet op. De minister heeft de aanvraag dan ook als kennelijk ongegrond kunnen afwijzen.
Conclusie en gevolgen
11. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiser geen verblijfsvergunning krijgt. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.