RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.51271
geboren op [geboortedatum] 1995, Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
eiser,
(gemachtigde: mr. E. van den Hombergh),
en
(gemachtigde: mr. K. Boonen).
Procesverloop
Eiser heeft op 26 mei 2026 een asielaanvraag ingediend.
Verweerder heeft bij besluit van 26 augustus 2026 deze asielaanvraag niet in behandeling genomen en een overdrachtsbesluit vastgesteld omdat hij Frankrijk verantwoordelijk acht voor de inhoudelijk behandeling.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het overdrachtsbesluit en tegelijkertijd een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL26.51272).
De rechtbank heeft op 8 september 2026 een bericht in het dossier geplaatst met de navolgende inhoud:
(…)
In het overdrachtsbesluit is aan eiser medegedeeld dat zijn recht op opvangvoorzieningen in
Nederland wordt stopgezet. De rechtbank verzoekt verweerder om uiterlijk op 15 september
2026 mede te delen of de opvangvoorzieningen daadwerkelijk zijn beëindigd.
(…)
Verweerder heeft bij brief van 15 september 2026 medegedeeld dat in het besluit van 26 augustus 2026 ten onrechte is vermeld dat de opvangvoorzieningen worden beëindigd en dat dit besluit daarom op 15 september 2026 is vervangen door een nieuw besluit.
Verweerder heeft op 15 september 2026 een nieuw overdrachtsbesluit vastgesteld. In het besluit is vermeld dat de datum waarop dit besluit is genomen 26 augustus 2026 is.
De rechtbank heeft het beroep op 22 september 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. De gemachtigde van verweerder is ook verschenen.
Overwegingen
1. Eiser heeft een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft op 23 juli 2026 een kennisgeving inzake terugname ingediend bij de Franse autoriteiten. De Franse autoriteiten hebben de ontvangst van deze kennisgeving niet, zoals voorgeschreven in artikel 41, lid 2, van Verordening 2024/1351, binnen twee weken bevestigd. Verweerder heeft de Franse autoriteiten op 11 augustus 2026 medegedeeld dat zij (niettemin) verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Deze bevoegdheid volgt uit Verordening 2024/1351. De onderhavige procedure betreft dus een terugnameprocedure die heeft plaatsgevonden op grond van de regeling voor terugnameprocedures in Verordening 2024/1351.
2. Eiser stelt zich onder meer op het standpunt dat hij onvoldoende gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaren tegen een overdracht aan Frankrijk kenbaar te maken en dat artikel 4 van het Handvest aan de overdracht in de weg staat. Eiser is eerder in Frankrijk verstoken gebleven van opvang en vreest na terugkeer wederom niet te worden opgevangen. Eiser heeft verwezen naar het AIDA-rapport van mei 2026, rechtspraak van het Hof en een uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 17 augustus 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:23878) om te onderbouwen dat de overdracht aan Frankrijk moet worden verboden. Eiser heeft tevens verklaard mentale problemen te hebben, vanaf zijn geboorte slecht te zien en door het leven op straat pijn aan zijn benen te hebben. Eiser heeft geen medische informatie overgelegd.
3. De rechtbank overweegt allereerst dat de Uniewetgever in artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 heeft beoogd om de omvang van het rechtsmiddel te beperken. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 18 en 21 september 2026 prejudiciële vragen gesteld en het Hof onder meer gevraagd om te beoordelen of deze beperking geldig is (ECLI:NL:RBDHA:2026:27252 & ECLI:NL:RBDHA:2026:27492). De rechtbank ziet in de onderhavige procedure geen aanleiding om de uitspraak op het beroep aan te houden in afwachting van het arrest. Artikel 22 van Verordening 2024/1351 verplicht niet tot het voeren van een persoonlijk onderhoud in terugnameprocedures en eiser heeft wel de gelegenheid gehad om schriftelijk bezwaren tegen de overdracht kenbaar te maken.
4. Op 16 juli 2026 is aan eiser kenbaar gemaakt welke advocaat hem in deze procedure zal bijstaan. Op 23 juli 2026 is eiser de brochure Verordening 2024/1351 verstrekt en is aan eiser via zijn gemachtigde kenbaar gemaakt dat deze verordening van toepassing is. In deze brief is niet vermeld dat er reeds een kennisgeving inzake terugname bij de Franse autoriteiten is ingediend. Eiser heeft niet gereageerd op deze brief. Het (aanvankelijke) overdrachtsbesluit is op 26 augustus 2026 vastgesteld. De rechtbank overweegt dat onvoldoende is geconcretiseerd waarom deze periode niet toereikend is geweest om bezwaren tegen ‘een’ overdracht aan te dragen. Weliswaar is het aan verweerder om uitdrukkelijk aan te geven dat hij de Franse autoriteiten verantwoordelijk acht, maar van enig misverstand bij eiser hierover is (kennelijk) geen sprake. Eiser heeft niet aangegeven dat hij zijn verdedigingsrechten niet heeft kunnen uitoefenen omdat hij niet in persoon is gehoord maar slechts schriftelijk bezwaren heeft kunnen uiten. Eiser is ter zitting ook in de gelegenheid gesteld om zelf bezwaren naar voren te brengen, maar heeft in aanvulling op de beroepsgronden geen andere argumenten aangedragen om te betogen dat hij zijn bezwaren niet deugdelijk kenbaar heeft kunnen maken en heeft ook geen andere bezwaren tegen de overdracht kenbaar gemaakt. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
5. De rechtbank zal het overdrachtsbesluit evenwel vernietigen en motiveert dit als volgt.
6. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel het uitgangspunt vormt bij het vaststellen van een overdrachtsbesluit en de rechterlijke controle hiervan. Dit betekent echter niet dat verweerder in elke zaak kan volstaan met het benoemen van dit uitgangspunt.
7. Het Hof heeft in haar arrest van 29 februari 2024 in de zaak X (ECLI:EU:C:2024:195, C-392/22) onder meer het navolgende overwogen:
(…)
76. Bijgevolg moet rekening worden gehouden met elk gegeven dat de verzoeker heeft overgelegd om aan te tonen dat er een gevaar voor behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest bestaat, waarbij de rechterlijke instanties van de lidstaat die belast is met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat ertoe gehouden zijn om op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens en afgemeten aan het beschermingscriterium van de door het Unierecht gewaarborgde grondrechten, de realiteit van de aangevoerde tekortkomingen te beoordelen [zie in die zin arresten van 19 maart 2019, Jawo, C-163/17, EU:C:2019:218, punt 90, en 30 november 2023, Ministero dell’Interno e.a. (Gemeenschappelijke Brochure – Indirect refoulement), C-228/21, C-254/21, C-297/21, C-315/21 en C-328/21, EU:C:2023:934, punt 136].
77. Bovendien moet worden opgemerkt dat de lidstaten, los van de inaanmerkingneming van de door de verzoeker verstrekte informatie, gehouden zijn een verzoeker niet aan de verantwoordelijke lidstaat over te dragen wanneer zij niet onkundig kunnen zijn van het feit dat de structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming in deze lidstaat verzoeken ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat de asielzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest (zie in die zin arresten van 21 december 2011, N. S. e.a., C-411/10 en C-493/10, EU:C:2011:865, punt 94, en 19 maart 2019, Jawo, C-163/17, EU:C:2019:218, punt 85). Aldus kan niet worden uitgesloten dat de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast, uit eigen beweging rekening zal moeten houden met relevante informatie waarvan hij kennis heeft om te beslissen over de toepassing van artikel 3, lid 2, tweede alinea, van de Dublin III-verordening.
78. Hieruit volgt ten eerste dat de lidstaat die is belast met het bepalen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van een derdelander rekening moet houden met alle informatie die hem door deze derdelander wordt verstrekt en die relevant is om op correcte wijze de verantwoordelijke lidstaat te bepalen, met name wat betreft het eventuele bestaan van een risico van een met artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling in geval van overdracht van deze verzoeker. Ten tweede moet de betrokken lidstaat meewerken aan de vaststelling van de feiten door te beoordelen of dit risico reëel is, op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens en afgemeten aan het beschermingscriterium van de door het Unierecht gewaarborgde grondrechten. In voorkomend geval moet deze lidstaat hierbij op eigen initiatief rekening houden met relevante informatie waarvan hij niet onkundig kan zijn met betrekking tot mogelijke structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor
personen die in de verantwoordelijke lidstaat om internationale bescherming verzoeken.
(…)
8. Dit arrest is gewezen in een procedure die werd beheerst door Verordening 604/2013. De rechtbank overweegt dat er echter geen enkele aanleiding bestaat om aan verweerder een geringere vergewisplicht toe te kennen indien de verantwoordelijkheidsvaststelling op grond van Verordening 2024/1351 plaatsvindt. Het refoulementverbod is absoluut en dit betekent dat verweerder -ook uit eigen beweging- moet nagaan of dit verbod in de weg staat aan het vaststellen van een overdrachtsbesluit. Verweerder dient zich hiervan te vergewissen alvorens hij een terugkeerbesluit vaststelt en niet pas als er gronden worden aangevoerd die betrekking hebben op het beginsel van non-refoulement.
9. De rechtbank kan in de onderhavige procedure niet vaststellen dat verweerder zich hiervan op enig moment voorafgaand aan het onderzoek ter zitting enige rekenschap heeft gegeven.
10. In het overdrachtsbesluit is niet aangegeven van welke informatie verweerder kennis heeft en heeft genomen om zich te vergewissen dat ook in de situatie van eiser kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In het besluit is om het beoordelingskader aan te geven verwezen naar het arrest van het Hof van 19 maart 2019 in de zaak Jawo (ECLI:EU:C:2019:218, C-163/17), bovengenoemd arrest van het Hof, het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3455). Tevens is verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:786) en aangegeven dat de Afdeling in die uitspraak heeft bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
11. De rechtbank acht deze motivering volstrekt ontoereikend en zal het overdrachtsbesluit om deze reden vernietigen.
12. Verweerder heeft het beoordelingskader kennelijk ‘overgeschreven’ uit overdrachtsbesluiten die zijn vastgesteld vóór 12 juni 2026. Verweerder heeft namelijk in het overdrachtsbesluit van 15 september 2026 onder meer het navolgende vermeld:
(…)
“De IND neemt een slechte behandeling in Frankrijk niet snel aan.
Het EU+-land moet niet genoeg doen voor iemand die daar in de asielprocedure en opvang zit. De IND noemt dit structurele tekortkomingen.
(…)
13. Verweerder benoemt ten onrechte dat sprake moet zijn van ‘structurele tekortkomingen’ in de asielprocedure en opvang. Daargelaten dat artikel 4 van het Handvest een algemene regeling is en elk reëel en voorzienbaar risico op een schending van artikel 4 van het Handvest meebrengt dat de overdracht is verboden, heeft de Uniewetgever in Verordening 2024/1351 niet meer vereist dat de 4 Handvest-schending moet voortkomen uit zogenoemde systeemfouten. De risicotaxatie vereist dus ‘slechts’ een individuele beoordeling en dit zal meebrengen dat verzoekers eenvoudiger in staat zullen zijn om een dergelijk risico aannemelijk te maken. Verweerder heeft dus in zijn besluit een verkeerde maatstaf gehanteerd en een te hoge drempel aangelegd bij het beoordelen of ten aanzien van eiser ook te gelden heeft dat kan worden uitgegaan van interstatelijk vertrouwen. Dit gebrek is reeds reden om het overdrachtsbesluit te vernietigen.
14. Voorts is het onbegrijpelijk dat voor zover verweerder verwijst naar de Afdeling, in het besluit niet naar de meest recente uitspraak wordt verwezen waarin de Afdeling beoordeelt of ten aanzien van Frankrijk kan worden uitgegaan van interstatelijk vertrouwen. Het overdrachtsbesluit is volgens verweerder vastgesteld op 15 september 2026. Na de uitspraak van 13 februari 2026 waarnaar verweerder in zijn besluit verwijst, heeft de Afdeling meerdere uitspraken gedaan die onder meer zien op het interstatelijk vertrouwen ten aanzien van Frankrijk. Door niet te verwijzen naar de meeste recente uitspraak, wekt verweerder ook om deze reden de indruk dat andere besluiten worden ‘overgeschreven’, danwel van tekstblokken worden voorzien die niet regelmatig geactualiseerd worden.
15. De uitspraak van de Afdeling die in het besluit is vermeld kan bovendien niet als onderbouwing van het overdrachtsbesluit dienen. In de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:786) is namelijk het navolgende vermeld:
(…)
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (…) op het hoger beroep van [appellant] mede namens haar minderjarige kinderen, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 22 januari 2026 in zaak nr. NL25.49894(…)
(…)
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De voorzieningenrechter van de Afdeling neemt de motivering onder 9 tot en met 9.4 en onder 14 en 14.1 van de uitspraak van de rechtbank over.
Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter van de Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af.
(…)
16. De rechtbank stelt vast dat er in deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling geen inhoudelijke overwegingen zijn gewijd aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit deze uitspraak kan bovendien niet worden afgeleid om welke lidstaat het in de procedure gaat, welke grieven zijn aangevoerd en of de Afdeling ambtshalve een aanvullende refoulementbeoordeling heeft verricht. De rechtbank stelt vast dat de uitspraak van zittingsplaats Zwolle die de Afdeling in deze uitspraak heeft ‘omarmd’, niet is gepubliceerd. Verweerder heeft een, in wezen niet te rechtvaardigen, procedurele voorsprong op vreemdelingen doordat hij kennis heeft van alle uitspraken en de vreemdelingen alleen van de gepubliceerde of anderszins gedeelde uitspraken. Verweerder moet zich hiervan bewust zijn en dus begrijpen dat als hij in zijn besluit één uitspraak vermeldt om zijn motivering “ten aanzien van Frankijk is het interstatelijk vertrouwensbeginsel het uitgangspunt en de Afdeling vindt dat ook” te onderbouwen, dit een uitspraak moet zijn die ofwel inhoudelijk is gemotiveerd, ofwel een uitspraak is op het hoger beroep tegen een gepubliceerde rechtbankuitspraak.
17. Doordat verweerder zijn besluit baseert op een Afdelingsuitspraak waarin slechts wordt verwezen naar de motivering van een niet-gepubliceerde rechtbankuitspraak, kan eiser zijn verdedigingsrechten niet uitoefenen. De rechtbank acht dit een ernstig motiveringsgebrek. Dat de rechtbank wel de onderliggende uitspraak kan raadplegen en dat de rechtbank ook uit eigen beweging het refoulementrisico moet beoordelen doet op geen enkele wijze afbreuk aan het recht dat eiser heeft om kennis te kunnen nemen van stukken en uitspraken die verweerder ten grondslag legt aan zijn besluit. De rechtbank merkt hierbij uitdrukkelijk op dat het niet aan eiser is om contact op te nemen met de rechtbank, zittingsplaats Zwolle, om de uitspraak op te vragen. Verweerder moet zelf eiser in staat stellen om het besluit en de motivering hiervan te kunnen begrijpen en zo nodig te kunnen betwisten. De rechtbank overweegt in aanvulling hierop dat zowel eiser als de rechtbank geen kennis hebben van de grieven die tegen de rechtbankuitspraak zijn gericht en dus niet weten wat de omvang van het geschil in hoger beroep is en wat de omvang van het ambtshalve onderzoek door de Afdeling is geweest.
18. De rechtbank overweegt voorts dat verweerder zich zelf moet vergewissen van actuele informatie om na te gaan wat de situatie van de in beginsel verantwoordelijke lidstaat is en niet kan volstaan met het verwijzen naar de Afdeling. Verweerder is het bestuursorgaan dat beslist op de asielaanvragen en moet zijn besluit zorgvuldig voorbereiden en deugdelijk motiveren. Deze verplichting geldt te meer indien er divergerende jurisprudentie is ten aanzien van de vraag of ten aanzien van de betreffende lidstaat kan worden uitgegaan van interstatelijk vertrouwen.
19. De rechtbank beoordeelt de beroepsgronden, maar controleert ook of verweerder alvorens het terugkeerbesluit vast te stellen méér heeft gedaan dan de individuele feiten en omstandigheden vast te stellen en te verwijzen naar het interstatelijk vertrouwen en de Afdeling. Of in het geval van eiser ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwen kan worden uitgegaan is de inzet van deze concrete procedure. Verweerder moet dus meer motiveren dan dat dit beginsel het uitgangspunt van elke procedure is. Zoals hiervoor overwogen heeft verweerder ten onrechte naar een niet-actuele en niet-inhoudelijk gemotiveerde uitspraak op een hoger beroep van een niet-gemotiveerde rechtbankuitspraak van de Afdeling verwezen. Verweerder heeft in het besluit bovendien geen enkele individuele omstandigheid van eiser benoemd behalve zijn naam, geboortedatum en nationaliteit. Ondanks dat de procedure een terugname betreft, bevat het dossier wel enkele mogelijk relevante gegevens. Uit het dossier blijkt dat er ook ten aanzien van Duitsland een Eurodac-treffer is. In het besluit is niet gemotiveerd waarom de kennisgeving inzake de terugname naar de Franse autoriteiten en niet naar de Duitse autoriteiten is verzonden. De Franse autoriteiten hadden weliswaar binnen twee weken na de ontvangst van de kennisgeving kunnen aantonen dat zij niet verantwoordelijk zijn, maar verweerder had in zijn overdrachtsbesluit de verantwoordelijkheidsbepaling ook kunnen toelichten. Eiser heeft in zijn gehoor(tje) bij de DISA op 26 mei 2026 bovendien verklaard twee kinderen te hebben die in Duitsland wonen. Eiser heeft ter zitting op vragen van de rechtbank verklaard niet naar Duitsland te willen. Daargelaten dat eiser geen keuze heeft als het gaat om de verantwoordelijkheidsvaststelling, verbaast het de rechtbank dat in het besluit geen enkele overweging is gewijd aan deze persoonlijke omstandigheden van eiser en enkel het procedureverloop is weergegeven met de vermelding dat Frankrijk verantwoordelijk geworden is doordat de Franse autoriteiten niet hebben gereageerd op de kennisgeving inzake de terugname. Eiser heeft in zijn gronden van 9 september 2026 verwezen naar het meest recente AIDA-rapport en zijn medische klachten benoemd. Het ‘vervangende overdrachtsbesluit’ is volgens verweerder vastgesteld op 15 september 2026. In dit besluit is niet ingegaan op de door eiser aangehaalde informatie en niet ingegaan op de door eiser gestelde medische problematiek.
20. De rechtbank overweegt dat de terugnameprocedure zoals die is neergelegd in Verordening 2024/1351, met minimale waarborgen voor eiser is omkleed en slechts minimale verplichtingen voor verweerder kent. Dit laat onverlet dat verweerder gebonden is aan algemene bestuursrechtelijke beginselen. Verweerder dient namelijk ook indien de grondslag van zijn besluit gelegen is in het Unierecht, zijn besluit ‘gewoon’ zorgvuldig voor te bereiden en ‘gewoon’ deugdelijk te motiveren zoals de Awb daartoe verplicht.
21. De rechtbank heeft inmiddels meerdere overdrachtsbesluiten die worden beheerst door Verordening 2024/1351 gezien. Deze besluiten zijn vergelijkbaar standaardmatig en vergelijkbare “aaneenrijgingen van tekstblokken”. De rechtbank heeft de indruk dat de overdrachtsbesluiten zoals deze nu worden vastgesteld, in wezen de standaardvoornemens zoals die voorheen werden genomen voor 12 juni 2026 zijn, maar nu als titel ‘besluit’ hebben gekregen. De rechtbank heeft na 12 juni 2026 van meerdere overdrachtsbesluiten kennis genomen en constateert dat alle deze besluiten nagenoeg identiek en gelijkluidend zijn en alleen van elkaar zijn te onderscheiden door de persoonsgegevens van de vreemdeling en de data van de procedurele fases. De rechtbank heeft ter zitting besproken dat de indruk ontstaat dat de beslismedewerker enkel hoeft te kiezen uit het format ‘terugname’ of ‘overname’ en vervolgens alleen de verantwoordelijke lidstaat hoeft in te vullen om een besluit ‘te produceren’. Het bestreden besluit is weliswaar in ‘begrijpelijke taal’ opgesteld, maar de enige relevante informatie in dit besluit zijn de persoonsgegevens van eiser, de vermelding dat het een terugnameprocedure betreft en de datum waarop de Franse autoriteiten verantwoordelijk zijn geworden.
22. De rechtbank acht een dergelijke wijze van motiveren van een overdrachtsbesluit ontoereikend. Artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 ziet onder meer op de omvang van het rechtsmiddel. De rechtbank overweegt dat de beoordeling van de inhoud van het rechtsmiddel in wezen pas aan de orde kan komen als sprake is van een volwaardig besluit. De rechtbank acht daar in de onderhavige procedure geen sprake van. De motivering in het besluit is onvoldoende toegespitst op de persoon en situatie van eiser. Het besluit lijkt veeleer op een ‘kale mededeling’ dan op een zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd besluit in een procedure die is ingeleid met een verzoek om internationale bescherming. Doordat verweerder het aanvankelijk vastgestelde overdrachtsbesluit heeft vervangen, is hij bovendien in de gelegenheid geweest om in het besluit te reageren op de beroepsgronden. Verweerder heeft echter volstaan met het ‘deleten’ van het tekstblok over het stopzetten van de opvang en heeft zelfs de datum van het besluit ongewijzigd gelaten.
23. De rechtbank is verplicht en in staat om zelf een actuele refoulementbeoordeling te verrichten en om daarbij de beroepsgronden te beoordelen. De rechtbank gaat daartoe echter thans niet over omdat verweerder eerst een fatsoenlijk overdrachtsbesluit moet nemen waarin aan eiser wordt uitgelegd waarom hij eiser aan Frankijk wil overdragen en waarom hij daartoe, volgens verweerder, bevoegd is. Als verweerder eerst invulling geeft aan zijn verplichting om een zorgvuldig voorbereid en afdoende gemotiveerd besluit te nemen, kan eiser vervolgens zijn verdedigingsrechten uitoefenen en zal de rechtbank -daarna- een rechtmatigheidsbeoordeling verrichten. Verweerder kan niet volstaan met een niet gemotiveerd besluit omdat de rechtbank toch wel gehouden is om zo nodig ambtshalve het refoulementrisico te beoordelen. De rechtbank vernietigt dus het overdrachtsbesluit omdat verweerder zijn werk alsnog naar behoren zal moeten doen.
24. De rechtbank zal een proceskostenveroordeling uitspreken omdat het beroep gegrond is en zal hierbij de standaardmatig toegekende punten en bedragen hanteren.
25. Beslist wordt als volgt.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het overdrachtsbesluit dat is vastgesteld op 15 september 2026 maar is gedateerd op 26 augustus 2026;
- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op de asielaanvraag van 26 mei 2026;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. F.A.E. van de Venne, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 2 oktober 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.