[naam], verzoeker,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Hij verzoekt om een verbod op verwijdering uit Nederland en om behoud van opvang en verstrekking door het COa zolang er niet op zijn bezwaarschrift is beslist.
Met het bestreden besluit van 7 juli 2026 heeft de minister bepaald dat verzoeker niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek om medische redenen zoals bedoeld in artikel 64 van de Vw. De minister heeft verzoeker een terugkeerbesluit opgelegd en hem opgedragen binnen vier weken de lidstaten van de EU te verlaten. Verzoeker moet terugkeren naar Guinee. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Nadat verzoeker het bericht heeft ontvangen dat hij de opvang op 5 oktober 2026 moet verlaten, heeft hij de rechtbank op 30 september 2026 verzocht om op korte termijn uitspraak te doen.
Verzoeker heeft op 2 oktober 2026 nadere gronden ingediend. De minister heeft hier dezelfde dag op gereageerd.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb het onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
3. Verzoeker voert aan dat hij bekend is met PTSS en het beëindigen van zijn opvang zal leiden tot een kwetsbare en risicovolle situatie. Met het eindigen van opvang zal ook zijn behandeling stoppen. Met verwijzing naar het BMA-advies van 27 mei 2026 stelt verzoeker dat dit zal leiden tot een toename van zijn klachten zoals herbelevingen, angst, nachtmerries, een slaapstoornis en concentratieproblemen.
4. Het bezwaar van verzoeker heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt. Niet wordt betwist dat verzoeker bekend is met PTSS met depressieve klachten. Uit het BMA-advies blijkt dat verzoeker in staat is om te reizen en dat bij het uitblijven van medische behandeling geen noodsituatie binnen de indicatieve termijn van drie tot zes maanden wordt verwacht. Onder een medische noodsituatie wordt verstaan: die situatie waarbij betrokkenen lijdt aan een aandoening, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade. Verzoeker heeft niet gemotiveerd betwist dat geen medische noodsituatie dreigt en heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat getwijfeld moet worden aan de conclusies van het BMA. Zoals de minister terecht opmerkt, betekent het enkele feit dat verzoeker zich niet kan vinden in het advies niet dat het advies niet inzichtelijk, niet concludent of onjuist is. Tot slot heeft de minister terecht opgemerkt dat niet is gebleken dat met het beëindigen van de opvang, ook de behandeling van verzoeker zal stoppen.
Conclusie en gevolgen
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het bestreden besluit niet wordt geschorst en dus gewoon blijft gelden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.