RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.47804
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. A. Hol),
en
(gemachtigde: mr. L. Drenthe).
Procesverloop
In het bestreden besluit van 26 september 2025 heeft de minister de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van eiser afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.
In de tussenuitspraak van 29 januari 2026 heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om binnen zestien weken na bekendmaking van de tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de tussenuitspraak.
De minister heeft in reactie op de tussenuitspraak op 9 februari 2026 schriftelijk verklaard geen gebruik te maken van de gelegenheid het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
De rechtbank heeft -op grond van artikel 8:57, tweede lid, onder a, van de Awb- bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten. Partijen hebben hiervan op 13 februari 2026 bericht gekregen.
Overwegingen
1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in
de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde.
2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat de minister onder de in de tussenuitspraak gegeven omstandigheden, aanleiding had moeten zien om een forensisch medisch onderzoek (een FMO) aan eiser aan te bieden. Omdat de minister geen FMO aan eiser heeft aangeboden, is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Op grond van artikel 8:51a van de Awb heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen en daarbij medisch advies in te winnen door aan eiser een FMO aan te bieden.
3. De minister heeft de rechtbank met het bericht van 9 februari 2026 laten weten dat geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat nog medisch advies moet worden ingewonnen door een FMO aan te bieden. De minister moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zestien weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak.
4. Voor zover in de tussenuitspraak niet alle beroepsgronden zijn besproken, heeft dat te maken met het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit. De uitkomst van die beroepsgronden hangt namelijk af van de uitkomst van de nadere besluitvorming van de minister op het punt van het gebrek. Daarom kan de rechtbank die beroepsgronden ook in deze uitspraak niet beoordelen. Deze punten zullen in de nadere besluitvorming van de minister opnieuw aan de orde moeten komen.
5. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt (2 punten x € 934,-) € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zestien weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Meesters – van Luijk, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.