Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/707779 / KG ZA 26-701
Vonnis in kort geding van 2 september 2026
in de zaak van
[de vader] te [woonplaats 1],
eiser,
advocaat mr. M. Ahmadi te Rotterdam,
tegen:
[de moeder] te [woonplaats 2],
gedaagde,
advocaat mr. A.A.G. Balkenende te Katwijk.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vader en ‘de moeder’.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties (1 t/m 8);
- de door de moeder overgelegde conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties (1 t/m 22);
- de op 19 augustus 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij de vader, bijgestaan door zijn advocaat en de moeder, bijgestaan door haar advocaat, zijn verschenen.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
2. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Partijen hebben met elkaar een affectieve relatie gehad tot februari 2026. Zij zijn de ouders van de minderjarige: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats]. De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit. [minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de moeder.
Partijen hebben zich aangemeld bij Cardea voor het traject Omgangsbegeleiding en Ouderschapsbemiddeling.
3. Het geschil
in conventie
De vader vordert – zakelijk weergegeven – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. de moeder te veroordelen tot nakoming van de navolgende voorlopige zorgregeling, althans de navolgende voorlopige zorg- en contactregeling vast te stellen:
iedere zaterdag van 09:00 uur tot 19:00 uur bij de vader;
iedere dinsdag van 09:00 uur tot 13:00 uur bij de vader;
de vader haalt [minderjarige] bij de moeder op, dan wel op een door partijen nader overeen te komen neutrale locatie, en brengt [minderjarige] na afloop van de zorgmomenten weer terug naar de moeder;
2. de moeder te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 150,- per dag of gedeelte daarvan dat zij niet voldoet aan de bij dit vonnis opgelegde verplichtingen, met een maximum van € 10.000,-, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag.
Daartoe voert de vader – samengevat – het volgende aan. De vader is tijdens de relatie nauw betrokken geweest bij de opvoeding en verzorging van [minderjarige]. De relatie tussen partijen is in februari 2026 verbroken. Sindsdien is het contact tussen de vader en [minderjarige] afhankelijk geworden van de medewerking van de moeder. De vader heeft [minderjarige] voor het laatst gezien op 16 mei 2026 bij een indoor speelhal. Daarna heeft hij verschillende pogingen gedaan om structureel contact met [minderjarige] tot stand te brengen. De moeder wil hier echter niet aan meewerken. Volgens de vader is het voor [minderjarige], zeker op deze leeftijd, van belang dat zij regelmatig contact heeft met haar vader en dat de bestaande hechtingsrelatie wordt onderhouden. Gelet op het voorgaande is de vader van mening dat een zorgregeling moet worden vastgesteld, en dat aan de nakoming hiervan een dwangsom moet worden verbonden.
De moeder voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
De moeder vordert – zakelijk weergegeven – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. primair, de vader te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis zijn medewerking te verlenen aan de afgifte van het paspoort van [minderjarige], welke medewerking bestaat uit het tekenen van het daartoe bestemde formulier ter bevestiging van zijn toestemming ex artikel 34 lid 1 van de Paspoortwet, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag dat de vader in gebreke blijf om aan deze veroordeling te voldoen,
subsidiair, aan de moeder rechterlijke toestemming te verlenen, die de toestemming van de vader vervangt, voor het aanvragen van een paspoort voor [minderjarige];
2. primair, de vader te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het ten dezen te wijzen vonnis zijn medewerking te verlenen aan de reis van de moeder met [minderjarige] naar het buitenland, welke medewerking bestaat uit het tekenen van het daartoe bestemde KMAR-formulier ter bevestiging van zijn toestemming aan deze reis, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag dat de vader in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen,
subsidiair, aan de moeder rechterlijke toestemming te verlenen, die de toestemming van de vader vervangt, voor de reis naar het buitenland met [minderjarige];
3. de vader te veroordelen om aan de moeder te betalen het bedrag van € 2.202,44.
Daartoe voert de moeder – samengevat – het volgende aan. De moeder wil voor [minderjarige] een paspoort aanvragen. Daarnaast wil de moeder in oktober met [minderjarige] naar het buitenland reizen. De vader heeft zijn toestemming hiervoor (nog) niet willen verlenen, terwijl daar geen grond voor bestaat. Verder stelt de moeder dat er kosten bij haar in rekening zijn gebracht, waaronder boetes en wegenbelasting, in verband met de auto die op haar naam staat. Deze auto was echter van de vader en werd door hem gebruikt.
De vader voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
in conventie
Spoedeisendheid
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vader een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen, omdat er op dit moment geen contact is tussen de vader en [minderjarige]. De voorzieningenrechter zal daarom hierna de vorderingen van de vader inhoudelijk behandelen.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder voert aan dat tijdens de relatie sprake is geweest van intieme terreur. Hier is ook [minderjarige] aan blootgesteld. De moeder heeft op 13 mei 2026 aangifte gedaan van mishandelingen en bedreigingen in de periode februari 2021 tot 13 mei 2026. Na het verbreken van de relatie is het contact tussen de vader en [minderjarige] gefaciliteerd door de zus en de zwager van de moeder. Volgens de moeder moesten deze contactmomenten onder de voorwaarden van de vader verlopen en heeft hij zelf aangegeven dat het “na 16 mei 2026 niet meer hoeft”. Gelet op de aanhoudende strijd tussen partijen is de moeder van mening dat het contact tussen de vader en [minderjarige] moet worden begeleid door een professionele partij. Op die manier kan worden onderzocht of de vader over voldoende opvoedvaardigheden beschikt om zelfstandig voor [minderjarige] te kunnen zorgen. De vader erkent – zo begrijpt de voorzieningenrechter – dat hij op bepaalde momenten uit emotie heeft gereageerd. Volgens de vader kan de strijd tussen partijen echter geen reden zijn om hem van het contact met [minderjarige] te onthouden. De vader is bereid mee te werken aan hulpverlening, maar wil niet nog maanden wachten op een traject Omgangsbegeleiding bij Cardea. Immers, in het verleden heeft hij ook al zelfstandig voor [minderjarige] gezorgd.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Partijen hebben een belaste voorgeschiedenis, hetgeen ertoe heeft geleidt dat het vertrouwen van de moeder in de opvoedvaardigheden van de vader ontbreekt. De spanningen tussen partijen en de frustratie over een weer is duidelijk voelbaar. Hoewel de voorzieningenrechter het van belang vindt dat het contact tussen de vader en [minderjarige] weer wordt hersteld, dient daarbij wel de belastbaarheid van de moeder in aanmerking te worden genomen. De moeder is de hoofdopvoeder van [minderjarige], waardoor het belangrijk is dat zij overeind blijft staan.
Gelet op de ernstig verstoorde verhoudingen tussen partijen is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat het contact tussen de vader en [minderjarige] onder begeleiding van een derde dient te worden hersteld. Op de zitting is gebleken dat de familie van de moeder niet langer bereid is om het contact tussen de vader en [minderjarige] te begeleiden. Ook is gebleken dat de zus van de vader (bij wie hij woont) borstkanker heeft.
De voorzieningenrechter constateert dat zij onvoldoende informatie heeft over de toestand van de zus van de vader om haar in deze kwestie te betrekken. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen opties binnen het netwerk van partijen. Partijen hebben zich inmiddels aangemeld bij Cardea voor het traject Omgangsbegeleiding en Ouderschapsbemiddeling. Hoewel de wachtlijsten voor het traject Omgangsbegeleiding lang zijn, is de voorzieningenrechter van oordeel dat voornoemd traject de meeste kans van slagen biedt om het contact tussen de vader en [minderjarige] op een veilige en passende wijze te herstellen. In afwachting hiervan zal de voorzieningenrechter geen belregeling of andersluidende regeling, zoals door de vader op de zitting is verzocht, vaststellen. [minderjarige] is twee jaar oud, waardoor een belregeling tussen de vader en [minderjarige] communicatie en medewerking van beide partijen vereist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat partijen hier op dit moment niet toe in staat zijn gebleken.
Nu de voorzieningenrechter geen zorgregeling zal vaststellen in afwachting van het traject Omgangsbegeleiding bij Cardea, ziet zij geen aanleiding om de moeder een dwangsom op te leggen.
in reconventie
Intrekking vordering onder ‘3’
De moeder heeft haar vordering onder ‘3’ op de zitting ingetrokken, zodat de voorzieningenrechter daar niet meer op behoeft te beslissen.
Spoedeisendheid
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de moeder een spoedeisend belang heeft bij haar resterende vorderingen, omdat [minderjarige] op dit moment niet over een paspoort beschikt en zij in oktober met [minderjarige] op vakantie wil op korte termijn kort naar het buitenland om de gebeurtenissen een plek te geven. De voorzieningenrechter zal daarom hierna de vorderingen van de moeder inhoudelijk behandelen.
Inhoudelijke beoordeling
De vader heeft op de zitting aangegeven dat hij zijn toestemming voor het aanvragen van een paspoort voor [minderjarige] en de vakantie naar het buitenland zal verlenen. Gelet op de verhoudingen tussen partijen, en voor zover nodig, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de moeder vervangende toestemming te verlenen voor het aanvragen van een paspoort voor [minderjarige] en de vakantie naar het buitenland.
Ten aanzien van de vakantie acht de voorzieningenrechter de vordering (enigszins) te ruim en zij zal die ambtshalve inperken, in die zin dat de vervangende toestemming zal gelden voor een vakantie binnen Europa gedurende maximaal 10 dagen binnen de periode vanaf heden tot 1 november 2026.
Nu de voorzieningenrechter de verzochte vervangende toestemming voor het aanvragen van een paspoort voor [minderjarige] en de vakantie naar het buitenland zal verlenen, ziet zij geen aanleiding om de vader een dwangsom op te leggen.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie
wijst de vorderingen van de vader af;
in reconventie
verleent toestemming aan de moeder – ter vervanging van de toestemming van de vader – om een paspoort aan te vragen voor de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats];
verleent toestemming aan de moeder – ter vervanging van de toestemming van de vader – om met de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats] te reizen naar het buitenland, althans binnen Europa, voor een periode van maximaal 10 dagen, in de periode vanaf heden tot 1 november 2026;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde door de moeder.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G. Meeder en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.
F.M.W.