RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.55362
(gemachtigde: mr. W.R.S. Ramhit),
en
(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 18 september 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. J.E. Herlaar.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
1. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) zich voordoen.
De maatregel van bewaring
2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser betwist alle gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Ter toelichting voert hij aan dat hij ten aanzien van grond a van mening is dat hij niet zelfstandig Nederland is binnengekomen maar op grond van de Verordening (EU) 2024/1351 (AMbV‑verordening) door de Zwitserse autoriteiten aan Nederland is overgedragen. Verder stelt eiser dat grond b niet aan hem kan worden tegengeworpen omdat hij aangeeft de meeromvattende beschikking niet te hebben ontvangen en dat verweerder niet heeft aangetoond dat deze op rechtsgeldige wijze aan eiser bekend is gemaakt. Ten aanzien van grond c betwist eiser dat hij niet dan wel onvoldoende heeft meegewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit nu hij alle informatie en documenten heeft verstrekt waarover hij redelijkerwijs kon beschikken. Over grond h merkt eiser op dat zijn enkele wens om terug te keren naar zijn familie in Albanië niet kan worden uitgelegd als een weigering om mee te werken aan terugkeer. Uit zijn verklaringen volgt immers dat hij bereid is Nederland te verlaten. Grond p is volgens eiser onjuist omdat verweerder heeft nagelaten duidelijk te concretiseren welke verplichting uit hoofdstuk 4 Vb door eiser zou zijn geschonden. Ten aanzien van grond r stelt eiser dat het ontbreken van een inschrijving op een woonadres niet zonder meer betekent dat sprake is van een verhoogd risico op onttrekking. Hij betwist dat hij geen vaste woonplek heeft omdat hij voor zichzelf kan zorgen en hij stelt verder dat hij een blanco strafblad heeft. Tot slot betwist eiser grond s omdat hij beschikt over financiële middelen, namelijk 100 Zwitserse Frank, en dat hij kan terugvallen op (financiële) ondersteuning van familieleden.
Verweerder heeft alle gronden weersproken en de rechtbank overweegt hierover als volgt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat grond a aan eiser kan worden tegengeworpen. Hoewel eiser recent op grond van de AMbV‑verordening naar Nederland is gekomen, blijkt (onder andere) uit zijn eigen verklaring uit het gehoor voorafgaand aan de maatregel van bewaring dat hij eerder Europa zonder paspoort illegaal is binnengekomen. Hieruit volgt dat eiser niet op de voorgeschreven wijze Nederland is ingereisd. Dat eiser nu door middel van een AMbV‑verordening is ingereisd, doet aan deze eerdere illegale inreis niet af. Ook grond b heeft verweerder aan eiser kunnen tegenwerpen. In de beschikking van 21 januari 2025 inhoudende het terugkeerbesluit is vermeld dat dit ter inzage is gelegd op het AZC in Ter Apel. Dit is een rechtmatige wijze van bekendmaking van het besluit aan eiser.
De bestreden gronden a en b, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Wat eiser heeft aangevoerd tegen de overige gronden, laat de rechtbank dan ook onbesproken. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
3. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Er is nog geen laissez passez (lp) aanvraag ingediend en dit had volgens eiser allang gedaan kunnen en moeten worden. Dat verweerder ter zitting stelt dat de lp-aanvraag de volgende dag wordt ingediend biedt onvoldoende duidelijkheid en zekerheid. De maatregel duurt al enige dagen voort zonder dat er handelingen zijn verricht in het kader van de uitzetting.
De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De rechtbank stelt vast dat eiser voorafgaand aan onderhavige inbewaringstelling tot 18 september 2026 in bewaring verbleef op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in verband met zijn lopende asielaanvraag. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat de minister bij een bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw niet gehouden is voortvarend handelingen ter voorbereiding van de uitzetting te verrichten die daadwerkelijk kunnen bijdragen aan de bespoediging van de feitelijke uitzetting. De handelingen ter voorbereiding van de uitzetting moeten pas worden verricht vanaf oplegging van de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a. De omzetting van de maatregel heeft plaatsgevonden op 18 september 2026 waardoor verweerder vanaf dat moment gehouden is voortvarend te werken aan de uitzetting. Dat verweerder ter zitting aangeeft op 25 september 2026 de lp-aanvraag te zullen indienen acht de rechtbank voldoende voortvarend. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. E. op den Kamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.