RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6165
(gemachtigde: mr. M. van Werven),
en
(gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 10 april 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [2009] . De minister heeft met het bestreden besluit van 28 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en H. Ahmed als tolk. Tevens was aanwezig eisers voogd van het Nidos, [A] .
Met de brief van 13 augustus 2026 heeft de rechtbank partijen ervan op de hoogte gesteld dat er een rechterswissel zal plaatsvinden. Partijen zijn daarom in de gelegenheid gesteld om een nadere zitting te verzoeken. Partijen hebben niet verzocht om een nadere zitting. De rechtbank heeft besloten dat een nadere zitting achterwege kan worden gelaten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij is geboren op [2009] , heeft de Syrische nationaliteit komt uit [plaats] en behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep. Eiser is voor de val van Assad uit Syrië vertrokken vanwege de oorlog en omdat eiser het idee kreeg dat de situatie voor hem en zijn familie niet zou verbeteren. Eiser vreest bij terugkeer vermoord, ontvoerd of gevangen genomen te worden door de nieuwe Syrische regering. Eiser vreest een etnische zuivering. Ook vreest eiser dat hij door Koerdische strijdgroepen verplicht zal worden mee te vechten. Eiser wil niet meevechten. Eisers familie heeft het zwaar, omdat zij geen eten, elektriciteit, drinken of geld hebben en de situatie onzeker en onveilig is vanwege alle gevechten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister het volgende relevante asielmotief: identiteit, nationaliteit en herkomst.
De minister stelt zich op het standpunt dat het asielmotief geloofwaardig is met uitzondering van de gestelde leeftijd van eiser. Eiser wordt meerderjarig geacht en komt daarom niet in aanmerking voor het buitenschuld beleid. De minister baseert zich hierbij op een schouw van medewerkers van de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) die concludeert tot evidente meerderjarigheid, de schouw door de medewerker van de IND die twijfelt aan de gestelde leeftijd en op de registratie in Zwitserland en de in de Zwitserse signalering (SIS) genoemde geboortedatum van [2006] . De overige aanwezige documenten zijn volgens de minister onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Deze overige documenten betreffen een echt bevonden paspoort waarvan de minister de juistheid van de inhoud betwist, een brief van 16 april 2025 van [B] , gedragskundige AMV (hierna: de brief van de gedragsdeskundige), een kopie van een familieboekje en een echt bevonden individueel uittreksel.
Verder stelt de minister zich op het standpunt dat eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag, omdat op grond van zijn verklaringen niet is gebleken van een gegronde vrees voor vervolging. Ook loopt eiser bij terugkeer geen reëel risico (meer) op ernstige schade. In Syrië is sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden, een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. De gestelde humanitaire omstandigheden kunnen slechts een rol spelen in de beoordeling van de mate van willekeurig geweld als er sprake is van de uitzonderlijke situatie dat strijdende partijen in een gewapend conflict bewust catastrofale humanitaire omstandigheden creëren als oorlogsmethodiek en dit onderdeel is van willekeurig geweld. Dat is niet aan de orde volgens de minister.
Het verweerschrift
5. De rechtbank stelt vast dat het verweerschrift de dag voor de zitting om 17.30 uur aan het dossier is toegevoegd. Eiser heeft op zitting desgevraagd meegedeeld dat hij vanwege de omvang van het verweerschrift niet kan reageren op het door verweerder daarin gestelde over artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft desgevraagd meegedeeld dat het verweerschrift gezien moet worden als een toelichting op hoe hij tot het oordeel van een lage gradatie van willekeurig geweld is gekomen en het daarom niet gezien moet worden als een aanvulling op het in het bestreden besluit ingenomen standpunt hierover. De rechtbank zal daarom het verweerschrift voor zover het gaat over (de invulling van) artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn buiten beschouwing laten.
Beroepsgronden
Benadeling door gewijzigd beleid
6. Eiser voert aan dat de beslistermijn voor de minister al verstreken was en hij ten onrechte het nadeliger gewijzigde beleid voor Syrië heeft toegepast bij de beoordeling van eisers aanvraag.
7. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat de enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van nieuwe beleidsregels in een ongunstigere positie komt, onvoldoende is om van het uitgangspunt af te wijken dat bij het nemen van een besluit op bezwaar de beleidsregels worden toegepast zoals die op dat moment gelden. Slechts indien sprake is van bijzondere omstandigheden kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken. Dit uitgangspunt geldt ook voor beslissingen op asielaanvragen. De rechtbank oordeelt dat van dergelijke bijzondere omstandigheden geen sprake is. Het feit dat de minister niet tijdig op de aanvraag heeft beslist, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een bijzondere omstandigheid. Er zijn namelijk meer vreemdelingen waarvoor geldt dat de beslistermijn (ruimschoots) is overschreden en waarvan de behandeling van de aanvraag (te) lang is blijven liggen. Het betoog van eiser slaagt daarom niet.
De huidige algemene veiligheidssituatie in Syrië
8. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat er in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Eiser wijst onder meer op de actieve gevechten die ten tijde van zijn aanvraag gaande waren in zijn herkomstgebied en op de grote humanitaire nood. De minister kon daarom niet onverkort uitgaan van het landenbeleid. Verder volgt volgens eiser uit het Algemeen ambtsbericht Syrië van 30 januari 2026 dat er in Syrië een groot gebrek is aan stabiliteit. Daarnaast roept Vluchtelingenwerk Nederland volgens eiser op om tot een betere bescherming te komen voor onder meer Koerden en heeft de EU commissaris voor Migratie recent gesteld dat Syrië nog niet veilig genoeg is voor terugkeer. Onder verwijzing naar twee uitspraken van de Afdeling van 2025 voert eiser aan dat de minister de humanitaire omstandigheden op onjuiste wijze in het bestreden besluit heeft betrokken. En wijst eiser op zijn individuele omstandigheden.
Leeftijd
9. Eiser voert ook aan dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat eisers minderjarige leeftijd niet aannemelijk is. Volgens eiser moet de minister uitgaan van de geboortedatum [2009] en niet van [2006] . Eiser onderbouwt dit in grote lijnen als volgt.
Eiser merkt op dat de minister in het bestreden besluit eerstens stelt dat eiser wordt gevolgd in zijn standpunt over de veronderstelde tegenstrijdige verklaringen over de leeftijdsregistratie in Zwitserland en dat dit punt komt te vervallen, maar dit vervolgens wel tegenwerpt als een argument dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn leeftijd.
De verrichte leeftijdsschouwen zijn volgens eiser niet voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent. De verbinding tussen de observaties en de conclusies ontbreekt. Eiser verwijst voor dit standpunt naar de uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2026.
Ten aanzien van het paspoort en de verkrijging daarvan heeft de minister niet gemotiveerd op welke punten eiser tegenstrijdig daarover heeft verklaard en is eiser er zelfs helemaal niet over bevraagd. Verder heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser en zijn vader over de wijze van verkrijging en totstandkoming van het paspoort met daarop de handtekening van de vader van eiser geen reden vormt om enige bewijswaarde aan het paspoort toe te kennen. Dat het paspoort niet als objectief identificerend document kan worden beschouwd, betekent niet dat aan het paspoort in z’n geheel geen waarde toekomt, juist nu ook de wijze van verkrijging van het paspoort is onderbouwd met algemene landeninformatie en de gegevens overeenkomen met de overige overgelegde documenten, zoals het originele en echt bevonden individueel uittreksel en de kopieën van het familieboekje.
Eiser heeft een origineel en echt bevonden individueel uittreksel overgelegd en in de bestreden besluit motiveert de minister niet deugdelijk waarom dit document slechts als begin van bewijs wordt gezien.
De gedragsdeskundige heeft een verklaring overgelegd waaruit volgt dat eiser qua ontwikkeling als minderjarige kan worden beschouwd. De minister heeft dit niet betrokken bij zijn beoordeling en ondeugdelijk gemotiveerd waarom in het geheel bezien niet meer bewijswaarde hieraan wordt toegekend nu – in tegenstelling tot de schouwers – een gedragskundige in staat is om de leeftijd van een vreemdeling te relateren aan zijn ontwikkeling.
Juridisch kader
10. De Afdeling heeft in de uitspraak van 9 oktober 2024 het voor deze zaak relevante juridisch kader uiteen gezet. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de minister Werkinstructie 2025/1 opgesteld
De Afdeling heeft geoordeeld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is bij de leeftijdsbeoordeling van vreemdelingen. De leeftijd van een vreemdeling en de bewijswaarde van een leeftijdsregistratie zullen volgens de Afdeling moeten worden beoordeeld met toepassing van het nationale bestuursrechtelijke bewijsrecht, met inachtneming van wat daarover aanvullend in het Unierecht is bepaald. Indien een vreemdeling stelt minderjarig te zijn en de minister twijfelt hieraan, dan is het vertrekpunt de presumptie van minderjarigheid. Het is dan aan de minister het vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen. Hij zal dan nader onderzoek moeten doen, eventueel in samenwerking met andere lidstaten. Als hij na dat onderzoek toch tot de conclusie komt dat de twijfel over de minderjarigheid is weggenomen en hij ervan uitgaat dat de vreemdeling meerderjarig is, dan zal hij dat moeten motiveren.
Als de minister een leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat aantreft, waaruit volgt dat de vreemdeling meerderjarig is, dan mag hij die bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling betrekken en daaraan gewicht toekennen. Hij zal dan steeds zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Daarbij zal hij zo mogelijk moeten toelichten waarop de leeftijdsregistratie is gebaseerd. Als een leeftijdsregistratie is gebaseerd op een brondocument of een medisch leeftijdsonderzoek, dan zal hij hierover navraag moeten doen bij de betreffende lidstaat en nader moeten toelichten waarom hij daaraan al dan niet een bepaalde waarde hecht. Als aan een leeftijdsregistratie alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal de minister moeten informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring, omdat deze afwijking in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. De minister zal steeds alle feiten en omstandigheden moeten meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. De minister moet bij deze beoordeling ook eventuele overgelegde bewijsmiddelen, zoals officiële en onofficiële identificerende documenten en/of verklaringen van voogden van Nidos, betrekken.
Beoordeling
11. Uit het hiervoor weergegeven juridisch kader volgt dat, omdat eiser stelt minderjarig te zijn, het in eerste instantie aan de minister is om het vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen. De rechtbank vindt dat de minister hierin niet is geslaagd.
Wat is de bewijswaarde van de leeftijdsregistratie in Zwitserland?
12. De minister baseert zich voor het standpunt dat hij mag uitgaan van de geboortedatum [2006] op de schouw van AVIM en IND en de in Zwitserland geregistreerde gegevens. De door eiser overgelegde documenten dragen volgens de minister niet (voldoende) bij aan de door eiser gestelde leeftijd. Omdat uit informatie van de Zwitserse autoriteiten blijkt dat de identiteit van eiser niet is gebaseerd op documenten gaat de minister ervan uit dat de in Zwitserland geregistreerde datum door eiser zelf is opgegeven.
Volgens de hiervoor genoemde Afdelingsuitspraak moet de minister in dergelijke gevallen in Zwitserland informeren of het inderdaad eiser is geweest die zelf die verklaring heeft afgelegd, en als ja, onder welke omstandigheden die verklaring is afgelegd. Dat heeft de minister niet gedaan. Omdat de minister geen nader onderzoek heeft gedaan bij de Zwitserse autoriteiten over de wijze waarop de leeftijdsbepaling in Italië tot stand is gekomen, heeft verweerder de leeftijdsbepaling onvoldoende zorgvuldig onderzocht en ondeugdelijk gemotiveerd in het bestreden besluit.
Zijn de conclusies van de schouwen voldoende zorgvuldig tot stand gekomen?
13. De rechtbank oordeelt dat uit de schouw door de AVIM, die concludeert tot evidente meerderjarigheid, niet blijkt op grond waarvan geconcludeerd wordt tot evidente meerderjarigheid. Zoals eiser op zitting onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2026 terecht benadrukt, ontbreekt een verbinding tussen de door AVIM waargenomen lichamelijke kenmerken en gedrag en de conclusies die AVIM daaruit trekt. Uit het proces-verbaal van 10 april 2024 blijkt dat de schouwers een opsomming hebben gemaakt van hun waarneming van de lichamelijke kenmerken en een opsomming van de waargenomen gedragingen en dat eiser heeft verklaard dat hij op [2009] is geboren. De schouwers concluderen vervolgens:
‘(…). Op basis van bovenstaande verklaringen en signalen oordelen wij unaniem dat geconcludeerd kan worden dat de vreemdeling evident meerderjarig is. (…)’.
De rechtbank concludeert dat uit het proces-verbaal van de AVIM dus onvoldoende blijkt hoe de observaties, de gedragingen en de verklaring van eiser hebben geleid tot de conclusie van evidente meerderjarigheid, waardoor die schouw onvoldoende inzichtelijk en concludent is.
Zijn eisers verklaringen over de door hem opgegeven geboortedatum tegenstrijdig?
14. De rechtbank stelt vast dat de minister op zitting zijn standpunt over de tegenstrijdige verklaringen van eiser over zijn geboortedatum heeft gewijzigd. Het standpunt van de minister is thans dat eiser toch tegenstrijdig daarover heeft verklaard. De rechtbank oordeelt dat de door de minister gestelde tegenstrijdige verklaringen over de opgegeven leeftijd in Zwitserland niet eenduidig uit het dossier blijken. De minister stelt in het bestreden besluit dat eiser in het aanmeldgehoor (AMG) heeft verklaard dat hij in Zwitserland 2006 als geboortejaar heeft opgegeven en dat hij bij de AVIM 2009 als geboortejaar heeft opgegeven. Uit het AMG blijkt echter niet dat eiser heeft verklaard dat hij 2006 als geboortejaar heeft opgegeven. In het AMG op pagina 14 verklaart eiser over Bulgarije:
‘(…). Op welke datum reisde je Bulgarije in?
Dat weet ik niet.
(…).
Welke geboortedatum heb je in dit land opgegeven?
Ik was met Arabieren en we zijn ergens naar binnen gebracht en er was een tolk Arabisch en later begreep ik dat mijn leeftijd als 2006 is opgegeven en dat de politie die geboortedatum heeft genoteerd.(…)’.
Anders dan de minister, ziet de rechtbank in het AMG dus niet dat de verklaring van eiser over Zwitserland gaat en ziet de rechtbank niet dat eiser heeft verklaard dat hij 2006 als geboortedatum heeft opgegeven. De rechtbank ziet hierin dus geen tegenstrijdigheid. De minister kon deze gestelde tegenstrijdigheid daarom niet tegenwerpen.
Heeft de minister terecht geen bewijswaarde aan het paspoort gehecht?
15. Het door eiser overgelegde paspoort is een door Bureau Documenten (BD) echt bevonden paspoort waarbij de handtekening afwijkt van de handtekening die de houder voor zijn Nederlandse verblijfsdocumenten gebruikt. Het is BD niet bekend op welke wijze het paspoort is aangevraagd en of een deugdelijke toetsing heeft plaatsgevonden. Op grond van deze informatie stelt de minister dat “er aan het paspoort een en ander schort” waardoor niet vastgesteld kan worden of het inhoudelijk juist is en dat eiser tegenstrijdig over het paspoort verklaard. Ook merkt de minister in dit verband op dat het paspoort is afgegeven toen eiser al in Nederland was.
De rechtbank oordeelt dat eiser terecht aanvoert dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser en zijn vader over de wijze van verkrijging en totstandkoming van het paspoort met daarop de handtekening van de vader van eiser, geen reden vormt om enige bewijswaarde aan het paspoort toe te kennen. De stelling van de minister dat de landeninformatie niet relevant is, omdat niet de wijze van verkrijgen ter discussie staat, maar de door eiser aan het paspoort gewenste waarde, kan geen stand houden. De waarde van het paspoort immers wordt door de minister in twijfel getrokken juist doordat er niet de handtekening van eiser op staat vermeld wat samenhangt met de wijze van verkrijging. Omdat eiser en zijn vader uitleg hebben gegeven over de verkrijging en totstandkoming van het paspoort die lijkt te stroken met door eiser aangedragen informatie uit het thematisch ambtsbericht van december 2019, kan de minister deze informatie niet zonder meer terzijde schuiven. De minister had de verklaring van eiser en zijn vader over de wijze van verkrijging van het paspoort deugdelijk moeten toetsen.
Temeer ook omdat, zoals eiser aanvoert, de gegevens in het paspoort overeenkomen met de overige overgelegde documenten, zoals het originele en echt bevonden individueel uittreksel en de kopieën van het familieboekje. Daarnaast wordt het ook ondersteund door de verklaring in de al eerder genoemde brief van de gedragsdeskundige. Dit levert een motiveringsgebrek op.
Daarnaast volgt de rechtbank de minister niet in zijn stelling dat eiser tegenstrijdig over het paspoort heeft verklaard. Zoals eiser terecht aanvoert, licht de minister immers niet toe waar en waarom eiser tegenstrijdig over het paspoort heeft verklaard. Voor zover de minister doelt op het feit dat het paspoort is afgegeven toen eiser al in Nederland was, verwijst de rechtbank naar de toelichting die eiser onder verwijzing naar het thematisch ambtsbericht van december 2019 daarover heeft gegeven.
Heeft de minister terecht gesteld dat het individueel uittreksel slechts een begin van bewijs is?
16. Eiser heeft een echt bevonden individueel uittreksel overgelegd. De minister heeft daarover gesteld dat dit een begin van bewijs is, maar niet leidt tot de conclusie die eiser eraan verbonden wil zien, gelet op de overige overwegingen in het voornemen. De rechtbank stelt vast dat de overige overwegingen waar de minister op doelt de registratie in Zwitserland, de SIS signalering en de schouwen zijn. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft vastgesteld heeft de minister de registratie in Zwitserland onvoldoende onderzocht en is met name de schouw door AVIM onvoldoende inzichtelijk. De signalering in SIS tot slot komt uit dezelfde bron als de registratie in Zwitserland en heeft op die grond geen toegevoegde waarde. De rechtbank oordeelt dat de minister heeft nagelaten om dit document mee te wegen in het licht van de overige overgelegde documenten, waaronder het paspoort, de verklaring van vader, de foto’s van het familieboekje en de brief van de gedragsdeskundige. Dit levert een motiveringsgebrek op.
Heeft de minister voldoende bewijswaarde aan de brief van de gedragskundige gehecht?
17. De rechtbank stelt vast dat de gedragsdeskundige in de brief van 16 april 2025 uitgebreid toelicht waarom het gedrag en de begeleidingsbehoefte van eiser, die bij haar in het systeem als 19-jarige geregistreerd staat, maar al een jaar in een locatie voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen verblijft, past bij een 15-16 jarige. De minister stelt dat uit die verklaring enkel de constatering volgt dat eiser als minderjarige wordt beschouwd en daarvoor gepaste begeleiding behoeft. Dat maakt, aldus de minister, niet dat eiser als minderjarige moet worden beschouwd, zodat hieraan niet het gewicht wordt gegeven dat eiser wenst.
De rechtbank stelt vast dat in het geheel niet duidelijk is welke waarde de minister aan deze verklaring hecht, zodat alleen daarom al dit onderdeel van het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Daarnaast voert eiser niet ten onrechte aan dat een gedragsdeskundige, in tegenstelling tot de schouwers die eiser slechts korte tijd meemaken, in staat zou moeten zijn om leeftijd te relateren aan ontwikkeling en zo een betere inschatting kan maken van iemands leeftijd. De rechtbank concludeert dat de minister de bewijswaarde van de brief van de gedragsdeskundige onvoldoende heeft gemotiveerd en ook hier heeft nagelaten om dit document mee te wegen in het licht van de overige door eiser aangeleverde informatie en zijn verklaringen.
Gelet op het voorgaande is het beroep reeds gegrond en behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
18. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat de minister in het bestreden besluit de leeftijdsbepaling onvoldoende zorgvuldig heeft onderzocht en ondeugdelijk heeft gemotiveerd door de Zwitserse autoriteiten niet te raadplegen over de wijze waarop de leeftijdsvaststelling heeft plaatsgevonden en omdat de minister heeft nagelaten om de afzonderlijke documenten in onderlinge samenhang te wegen en geen inzichtelijke weging heeft gemaakt van alle relevante documenten en verklaringen bij de beoordeling van eisers leeftijd.
19. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen, omdat de rechtbank niet zelf een beslissing over de geboortedatum kan nemen en verweerder dus een nieuwe beoordeling moet maken.
20. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
21. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 28 januari 2026;
- draagt de minister op om binnen een termijn van twaalf weken een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens - Kleijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.