RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.43454
[eiser] , ook bekend onder de naam [naam] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
(gemachtigde: mr. C. Knoppers).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft eerder op 2 oktober 2018, 27 februari 2019 en 12 februari 2026 een asielaanvraag ingediend. De eerste twee aanvragen zijn buiten behandeling gesteld. De derde aanvraag heeft eiser ingetrokken.
Vervolgens heeft eiser op 9 juli 2026 opnieuw een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 25 juli 2026 deze aanvraag in de versnelde asielprocedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Op 3 september 2026 heeft de minister op verzoek van de rechtbank vier verslagen van vertrekgesprekken ingediend. Op 4 september 2026 heeft eiser nadere gronden ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard [eiser] uit Marokko te zijn, geboren op [1992] . Hij heeft verklaard de Marokkaanse nationaliteit te hebben en de Arabische etniciteit. Eiser heeft verklaard dat hij niet kan terugkeren naar Marokko vanwege zijn homoseksuele gerichtheid. Zijn familie accepteert zijn gerichtheid niet en zullen hem bij terugkeer mishandelen. Verder kunnen de autoriteiten hem niet beschermen en zal hij geen onderdak hebben.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De minister stelt zich op het standpunt dat de Marokkaanse identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. De eerder gestelde Libische identiteit, nationaliteit en herkomst vindt de minister niet geloofwaardig. Ook de gestelde homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen vindt de minister niet geloofwaardig. Volgens de minister leiden de asielmotieven niet tot het verkrijgen van een asielvergunning. Daarbij merkt de minister op dat Marokko wordt gezien als een veilig land van herkomst. De minister concludeert dat de asielaanvraag moet worden afgewezen. Daarbij noemt de minister vijf redenen waarom hij de aanvraag als kennelijk ongegrond heeft afgewezen.
Heeft de minister de geloofwaardigheid per asielmotief beoordeeld?
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister de onder 4. genoemde asielmotieven individueel heeft beoordeeld.
Uit het bestreden besluit volgt dat de minister de twee asielmotieven individueel heeft beoordeeld. Zo heeft de minister eerst een oordeel gegeven over eisers identiteit, nationaliteit en herkomst. Daarna heeft de minister een oordeel gegeven over eisers gestelde homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen. Vervolgens concludeert de minister dat, gelet op de conclusies over de twee asielmotieven, eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de wisselende verklaringen van eiser over zijn identiteit en nationaliteit doorwerken in de beoordeling van de minister over de geloofwaardigheid van eisers gestelde homoseksuele gerichtheid. Wat eiser hier verder over heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking.
Heeft de minister de juiste maatstaf toegepast bij de beoordeling van eisers verklaringen over zijn seksuele gerichtheid?
6. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de minister een onjuiste maatstaf heeft toegepast bij de beoordeling van de gestelde homoseksuele gerichtheid.
De minister heeft voldoende gemotiveerd dat de gestelde seksuele gerichtheid van eiser niet geloofwaardig is. Daaraan heeft de minister ten grondslag mogen leggen dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser heeft onpersoonlijk en summier verklaard over zijn gevoelens voor mannen, de wijze waarop hij zijn homoseksualiteit heeft beleefd en over de door hem gestelde relaties met mannen. Dat eiser niet in staat zou zijn om hierover te verklaren vanwege zijn referentiekader (geen scholing, dakloosheid, verslaafd geweest aan cocaïne en alcohol en geheugenklachten), volgt de rechtbank niet. Tijdens het gehoor is eiser meermaals gevraagd om meer uitleg en toelichting te geven, waarbij de minister de (vervolg)vragen aan heeft laten sluiten bij de verklaringen van eiser. De minister heeft ook tijdens het gehoor aangegeven welke informatie miste en wat van eiser verwacht werd. Ook zijn vragen herhaald of anders gesteld als eiser te kennen gaf de vragen niet te begrijpen. In beroep heeft eiser bovendien niet geconcretiseerd welke verklaringen anders gelezen of gewogen hadden moeten worden in het licht van zijn referentiekader. Dat de gehoorcondities reden zouden kunnen zijn voor de afgelegde summiere verklaringen, volgt de rechtbank ook niet. Het gehoor heeft telefonisch plaatsgevonden in detentiecentrum Rotterdam, omdat de videoverbinding niet werkte. Verder heeft er een pauze plaatsgevonden vanwege de verplichte insluitingsuren. Dit maakt niet dat sprake is van een onzorgvuldig gehoor. En gelet op de hiervoor aangehaalde voorbeelden geeft het gehoor ook geen aanleiding voor deze conclusie.
Heeft de minister de verklaringen van eiser over zijn vriendin doorslaggevend gevonden?
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister de eerder door eiser afgelegde verklaringen over zijn vriendin niet doorslaggevend heeft bevonden bij de beoordeling van eiser verklaringen over zijn gestelde homoseksuele gerichtheid. Voor dit oordeel is het volgende van belang.
Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister de verklaringen van eiser over zijn gestelde homoseksuele gerichtheid doorslaggevend heeft bevonden. De minister heeft eerst beoordeeld of de verklaringen van eiser een samenhangend aannemelijk geheel vormen. Hiervoor heeft de minister gekeken naar de verklaringen van eiser over zijn gevoelens voor mannen, de wijze waarop hij zijn homoseksualiteit heeft beleefd, zijn gestelde relaties met mannen en de voortvloeiende problemen uit zijn gestelde homoseksuele gerichtheid. Vervolgens heeft de minister beoordeeld of eiser in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. Hierbij merkt de minister op dat eiser tijdens vertrekgesprekken, eerder dit jaar, heeft verklaard een relatie met een vrouw te hebben gehad, met haar te hebben samengewoond, met haar te willen trouwen en dat zij zwanger was van zijn kind. Dat hier doorslaggevend gewicht aan wordt toegekend, blijkt nergens uit. Juist het tegenovergestelde. De minister onderkent namelijk dat niet van iedere aanvrager kan worden verwacht dat hij vanaf het eerste moment openlijk over zijn seksuele gerichtheid verklaart. Om die reden wordt door de minister geen doorslaggevende betekenis toegekend aan het enkele feit dat eiser zijn gestelde homoseksuele gerichtheid niet eerder heeft genoemd. Daarbij merkt de rechtbank op dat de minister het, bezien tegen de achtergrond van zijn langdurige verblijf in Nederland, op zijn minst opmerkelijk heeft mogen vinden dat eiser tijdens vertrekgesprekken heeft verklaard dat hij een vriendin had en met haar een bestaan wilde opbouwen. Korte tijd daarna en pas nadat op 19 juni 2026 een laisser-passer voor Marokko was verkregen, dient hij een asielaanvraag in vanwege zijn homoseksuele gerichtheid. Het is dan niet meer dan logisch dat de minister hier vragen over stelt om duidelijkheid te krijgen over wat nu de feiten zijn. Dat heeft de minister gedaan.
Is Marokko voor eiser een veilig land van herkomst?
8. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat Marokko voor eiser niet als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt.
Op Europees niveau is Marokko aangemerkt als veilig land van herkomst. Volgens eiser kan Marokko voor hem niet worden gezien als veilig land van herkomst vanwege zijn homoseksuele gerichtheid. Hij merkt daarbij op dat de minister zich ten onrechte niet heeft uitgelaten of LHBTI-personen moeten worden uitgezonderd bij de aanwijzing van Marokko als veilig land van herkomst. De rechtbank overweegt dat de beantwoording van die vraag niet relevant is voor de zaak van eiser. Zoals hierboven is geoordeeld, is eisers gestelde homoseksueel gerichtheid terecht niet geloofwaardig bevonden. Een oordeel over de vraag of de minister LHBTI-personen moet uitzonderen bij de aanwijzing van Marokko als veilig land van herkomst, maakt voor eiser geen verschil. De minister heeft dan ook terecht geconcludeerd dat niet is gebleken dat Marokko voor eiser niet als veilig land van herkomst kan worden gezien.
Is de asielaanvraag ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard?
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond heeft kunnen afwijzen.
In het bestreden besluit noemt de minister vijf redenen waarom hij de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Eiser bestrijdt slechts één van die redenen, namelijk de grond dat hij zijn aanvraag alleen zou hebben ingediend om verwijdering naar Marokko te vertragen of te voorkomen. Eiser heeft de andere vier redenen niet betwist en ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de juistheid hiervan te twijfelen. Met de vier niet bestreden redenen staat vast dat de minister de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond heeft kunnen afwijzen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de beroepsgrond van eiser verder inhoudelijk te bespreken.
Conclusie en gevolgen
10. De minister heeft de aanvraag als kennelijk ongegrond mogen afwijzen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser Nederland moet verlaten. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 18 september 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.