RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.57075
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en
(gemachtigde: mr. L. Ploeger).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft eiser op 25 september 2026 op grond van artikel 59a, eerste lid, Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan de vreemdeling op wie de AMbV van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat, in bewaring stellen. Bewaring is alleen aan de orde als er een onderduikrisico bestaat of als dat noodzakelijk is ter bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, als ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. Er moet een individuele beoordeling plaatsvinden van de situatie van de betrokken persoon. De bewaring moet evenredig zijn en er moeten geen andere, minder dwingende alternatieve maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, als deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring.
De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMbV en er een onderduikrisico bestaat.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;
o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Voortraject
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de vreemdelingrechtelijke procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
6. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht zoals bedoeld in de AMbV. Eiser heeft op 10 augustus 2018 asiel aangevraagd in Nederland en uit Eurodac is gebleken dat eiser op 16 februari 2018 in Zweden en op 16 maart 2018 in Denemarken asiel heeft aangevraagd. Na onderzoek is gebleken dat Zweden verantwoordelijk was voor de asielaanvraag van eiser en de Zweedse autoriteiten hebben deze verantwoordelijkheid geaccepteerd op 2 oktober 2018. Op 23 oktober 2020 is eiser met onbekende bestemming vertrokken en op 6 april 2020 is de claim op Zweden verlopen. Vervolgens heeft eiser op 7 september 2020 opnieuw asiel aangevraagd in Nederland, deze aanvraag is bij beschikking van 24 september 2020 als kennelijk ongegrond afgewezen. Hierbij is een terugkeerbesluit aan eiser opgelegd en een inreisverbod van twee jaar. Eiser is opnieuw met onbekende bestemming vertrokken op 23 oktober 2020 en hierna is hij op 2 november 2020 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a Vw. De maatregel van bewaring is op 3 februari 2021 opgeheven vanwege een strafrechtelijk vonnis van zeven dagen. Op 2 februari 2023 heeft eiser een afwijzende beslissing ontvangen op zijn herhaalde asielaanvraag, met verwijzing naar het terugkeerbesluit van 24 september 2020, eiser dient onmiddellijk terug te keren naar Algerije. Op 2 maart 2023 is eiser wederom met onbekende bestemming vertrokken en op 25 oktober 2025 heeft eiser opnieuw asiel aangevraagd. Op 30 oktober 2025 is een claim uit aan Duitsland verzonden, deze is op 3 november 2025 geaccepteerd. Hiermee staat de verantwoordelijkheid van Duitsland vast. Bij beschikking van 26 januari 2026 is de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Eiser heeft hiervoor een overdrachtsbesluit ontvangen. Op 20 maart 2026 is de overdrachtstermijn Duitsland verlengd tot en met 3 november 2026, vanwege strafrechtelijke detentie. Op 6 juli 2026 is de overdrachtstermijn aan Duitsland verlengd tot 3 jaar, omdat eiser opnieuw met onbekende bestemming is vertrokken. Eiser kan overgedragen worden tot en met 3 november 2028. Op 25 augustus 2026 is eiser met onbekende bestemming vertrokken en op 25 september 2026 is hij in bewaring gesteld op grond van artikel 59a Vw, om in het kader van de AMbV te worden overgedragen aan Duitsland. De grondslag is juist.
Gronden
7. De rechtbank stelt vast dat eiser grond a inhoudelijk niet heeft betwist. De rechtbank ziet ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat deze grond ten onrechte aan eiser is tegengeworpen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat grond c feitelijk juist is. Eiser heeft verklaard dat hij nooit actie heeft ondernomen om in het bezit te raken van identificerende documenten en is hiervan tot op heden niet in het bezit. Dat gemachtigde van eiser stelt dat er voor het tegenwerpen van deze grond naar oude procedures is gekeken, doet hier niet aan af. Bovendien mag de minister volstaan met de feitelijke juistheid van deze grond. Grond d is ook feitelijk juist en uit het claimakkoord van Duitsland van 3 november 2025 blijkt dat eiser daar bekend is onder verschillende aliassen en geboortedata en daarmee onjuiste of tegenstrijdige gegevens over zijn identiteit heeft verstrekt. Ook blijkt uit de huidige procedure van eiser, uit de beschikking van 26 januari 2026, dat eiser in Duitsland bekend is onder een alias. Grond j is feitelijk juist. Eiser heeft op 24 september 2020 en op 2 maart 2023 een kennelijk ongegrond beschikking ontvangen, waarbij hij de plicht had om Nederland onmiddellijk te verlaten. Dat eiser aandraagt dat het risico tot onttrekken hiermee zonder nadere motivering niet is gegeven, doet hier niet aan af en wordt evenmin gevolgd nu eiser tot op heden nog in Nederland verblijft en meermaals met onbekende bestemming vertrokken is. Ook heeft eiser een overdrachtsbesluit ontvangen en verleent hij geen medewerking aan de overdracht (grond k) en is eiser niet langer beschikbaar door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum (grond o), hetgeen voor beide gronden blijkt uit het gegeven dat eiser op 22 augustus 2018, op 23 oktober 2020, op 2 maart 2026 en op 25 augustus 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. Dat eiser stelt dat de nadere motivering hiervan in de maatregel tegenstrijdig is, maakt dit niet anders nu eiser met zijn handelen veelvuldig heeft laten zien, niet te willen meewerken. Ook heeft eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard over onvoldoende middelen van bestaan te beschikken (grond r) en afhankelijk te zijn van het leefgeld en opvang van het COa (grond s). Deze laatste twee gronden zijn daarmee feitelijk juist en de minister heeft voor deze gronden ook het bestaan van een onderduikrisico nader gemotiveerd.
Lichter middel
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het onderduikrisico is gegeven. Dat eiser stelt dat er onvoldoende individueel is gemotiveerd, waarom er geen lichter middel is opgelegd, maakt dit niet anders en wordt niet gevolgd. Bovendien heeft er op 29 april 2026 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden, waarbij hij is geïnformeerd dat zijn asielprocedure was afgelopen, dat Duitsland verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag en dat hij zal worden overgedragen aan Duitsland. Op 11 juni 2026 is eiser niet verschenen op zijn vertrekgesprek en op 25 augustus 2026 is eiser opnieuw met onbekende bestemming vertrokken. Uit vorenstaande valt op te maken dat eerder opgelegde lichtere middelen niet hebben geleid tot het vertrek van eiser en is onvoldoende voor het oordeel dat nu had moeten worden volstaan met een lichter middel.
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de medische en/of psychische omstandigheden van eiser, dat hij stress zou hebben en dat hij last heeft van stemmingswisselingen, kenbaar en voldoende zijn betrokken bij de oplegging van de maatregel. De minister heeft er in de maatregel op gewezen dat in de detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg aanwezig is en dat, als deze zorg niet voldoende kan worden geboden, eiser kan worden overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Dat eiser tijdens zitting aandraagt dat hij last heeft van psychische klachten, maakt dit niet anders. Bovendien heeft eiser zijn stellingen niet nader onderbouwd met documenten.
Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken, of waarbij sprake zou zijn van detentieongeschiktheid en waarin de minister aanleiding had moeten zien om eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarendheid en zicht op overdracht
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser en dat zicht op overdracht niet ontbreekt. Op 28 september en op 29 september 2026 hebben er vertrekgesprekken met eiser plaatsgevonden. Tijdens het vertrekgesprek van 29 september 2026 is eiser geïnformeerd over de landoverdracht aan Duitsland op 6 oktober 2026 om 11:00 uur te Gennep-Goch. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat deze overdracht niet zal kunnen plaatsvinden.
Conclusie en gevolgen
10. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat eiser in totaal niet langer dan zes maanden in bewaring zit.
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van
E.S. Tiggelaar, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.