ECLI:NL:RBDHA:2026:29420

ECLI:NL:RBDHA:2026:29420

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-08-2026
Datum publicatie 05-10-2026
Zaaknummer NL26.27896, NL26.27897 en NL26.27898
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Herhaald beroep niet tijdig beslissen op de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Herhaald verzoek bestuurlijke dwangsom, afgewezen. Dictum: Gegrond

Uitspraak

Zijn de beroepen van eisers ontvankelijk en gegrond?

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht

Zaaknummers: NL26.27896, NL26.27897 en NL26.27898

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser 1] , [eiser 2] en [eiseres],

V-nummers: [V-nummer 1] , [V-nummer 2] en [V-nummer 3] , eisers (gemachtigde: mr. K. Ross),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over de beroepen die eisers hebben ingediend na de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 15 oktober 2025.1 In die uitspraak staat onder meer dat de minister binnen zestien weken na verzending van die uitspraak moet beslissen op de aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvragen). Eisers stellen nu beroepen in, omdat de minister binnen die termijn geen beslissing heeft genomen op de aanvragen.

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaken niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.2

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.3

3. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de bestuursrechter in de uitspraak van 15 oktober 2025 een uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn heeft gesteld voor het nemen van besluiten.4

1. ECLI:NL:RBDHA:2025:27632 .

De rechtbank verbindt een rechterlijke dwangsom aan de uitspraak

2 Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.

4 ECLI:NL:RVS:2021:774.

4. De rechtbank stelt vast dat eisers onderhavig beroepen hebben ingesteld op

18 mei 2026, terwijl de rechterlijke dwangsom op dat moment nog niet was volgelopen. Bij beroepen tegen het niet tijdig-nemen van een besluiten blijft procesbelang in beginsel bestaan zolang er nog geen besluiten zijn, ook als een eerder opgelegde dwangsom nog niet volledig is verbeurd.5 De rechtbank stelt overigens vast dat de rechterlijke dwangsom inmiddels wel volledig is verbeurd en de minister nog altijd geen besluit heeft genomen op de aanvragen van eisers. Ondanks het ontbreken van ingebrekestellingen en het nog niet volledig verbeurd zijn van de rechterlijke dwangsom ten tijde van het instellen van de beroepen, zijn de beroepen van eisers ontvankelijk.

5. De rechtbank stelt verder vast dat de minister niet binnen de door de rechtbank genoemde termijn alsnog besluiten heeft genomen op de aanvragen. De beroepen zijn kennelijk gegrond.

Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?

6. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.6 In deze zaken is dit aan de orde.

7. De minister heeft aan de rechtbank geen verzoek gedaan tot het bepalen van een concrete nadere beslistermijn. Mede tegen deze achtergrond ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de lijn die zij heeft ingezet met haar uitspraken van 20 juli 2026.7

8. Bij het bepalen van een passende nadere beslistermijn maakt de rechtbank een afweging. Daarbij houdt zij rekening met het belang van zowel snelle als zorgvuldige besluitvorming.8 De rechtbank weegt verder mee dat de uiterste beslistermijn van 21 maanden in is overschreden en dat het opvolgende beroepen tegen het niet-tijdig beslissen betreffen. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat eisers nog niet zijn gehoord over hun asielmotieven. De rechtbank bepaalt daarom dat de minister binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een gehoor moet afnemen. Uiterlijk twee weken daarna moet de minister een besluit op de aanvraag bekend maken.

9. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom van € 50,- voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn overschrijdt. Het maximum is

€ 15.000,-. Eén en ander is overeenkomstig de aanbeveling die in dit verband geldt.9 De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaken van deze aanbeveling af te wijken.

5. ECLI:NL:RVS:2024:4865.

6 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.

7 ECLI:NL:RBDHA:2026:20129, ECLI:NL:RBDHA:2026:20130, ECLI:NL:RBDHA:2026:20133 en ECLI:NL:RBDHA:2026:20136.

8 ECLI:NL:RVS:2020:1560.

9 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.

Zie https://www.rechtspraak.nl/voor-advocaten-en-juristen/reglementen-procedures-en-formulieren/bestuursrecht/aanbeveling-rechterlijke-dwangsom-bij-beroep-niet-tijdig-beslissen-in-vreemdelingenzaken.

Heeft de minister een bestuurlijke dwangsom verbeurd?

10. Eisers hebben de rechtbank verzocht om de hoogte van de bestuurlijke dwangsom vast te stellen.

11. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan

en dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. Eisers hebben in hun eerste beroepen ook om een bestuurlijke dwangsom verzocht. In de hiervoor genoemde uitspraak van 15 oktober 2025 heeft de rechtbank deze verzoeken afgewezen. De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb is de eerste dag waarover de (bestuurlijke) dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. In het geval dat aan – zoals in deze zaken – een eerdere, door de rechtbank bepaalde, beslistermijn geen gevolg wordt gegeven is de betreffende partij van rechtswege in verzuim. De wetgever heeft niet in voorzien in een nieuwe of aanvullende dwangsom in deze situatie. De fase waarin een bestuurlijke dwangsom kan worden opgelegd – de zogenaamde dwangsomfase – is daarmee voorbij. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding een bestuurlijke dwangsom vast te stellen en wijst de verzoeken van eisers af.

Conclusie en gevolgen

12. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en dat de minister binnen zes weken alsnog besluiten op de aanvragen bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, dan verbeurt hij een dwangsom.

13. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers ook een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eisers een professionele (juridische) hulpverlener hebben ingeschakeld om voor hen beroepschriften in te dienen. Omdat de zaken alleen gaan over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).

14. De rechtbank beschouwt deze zaken vanwege de inhoud als samenhangende zaken. Immers, eisers zijn familie, hebben dezelfde gemachtigde en hebben hun aanvragen gelijktijdig ingediend. Daarom blijft de hoogte van de vergoeding beperkt tot het bedrag dat in één zaak zou worden toegekend.10 Dit geldt ook voor de te verbeuren rechterlijke dwangsom.11

10 Artikel 3 van het Bpb.

11 ECLI:NL:RVS:2020:1624.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van

M.H.G.P. Tober, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

20 augustus 2026

Documentcode:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.J.A. Schaaf

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand