RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.45259 hersteluitspraak
geboren op [geboortedatum] , Iraakse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer] ,
eiser,
(gemachtigde: mr. J.P. van Mulken),
en
(gemachtigde: mr. J. Visschers).
Procesverloop
Eiser heeft op 5 maart 2026 een asielaanvraag ingediend.
Verweerder heeft deze aanvraag op 3 augustus 2026 niet in behandeling genomen, maar een overdrachtsbesluit vastgesteld omdat verweerder Zweden verantwoordelijk acht voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het overdrachtsbesluit en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL26.45260).
De gemachtigde van eiser heeft op 29 september 2026 medegedeeld dat eiser en hij niet ter zitting zullen verschijnen.
De rechtbank heeft het beroep gelijktijdig met het verzoek om een voorlopige voorziening op 1 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser heeft een asielaanvraag in Nederland ingediend. Uit Eurodac blijkt dat eiser eerder asiel heeft aangevraagd in Zweden en Noorwegen. Tussen Nederland en Zweden is op 10 april 2026 een claimakkoord tot stand gekomen. Verweerder heeft op 14 april 2026 een voornemen uitgebracht en op 3 augustus 2026 een overdrachtsbesluit vastgesteld en wil de overdracht uitvoeren.
2. Eiser heeft, na verleend uitstel, op 30 april 2026 een zienswijze ingediend en op 12 augustus 2026 beroepsgronden aangevoerd en een uitdraai uit zijn medische dossier overgelegd. Eiser stelt zich op het standpunt dat in het besluit ten onrechte is verwezen naar Verordening 2024/1351 omdat hij op 5 maart 2026 een asielaanvraag heeft ingediend en daarom Verordening 604/2013 van toepassing is. Ook is ten onrechte vermeld dat eiser de opvang met onbekende bestemming zou hebben verlaten en is hem daarom ten onrechte een gehoor onthouden. Verder vindt eiser dat verweerder gebruik moet maken van zijn discretionaire bevoegdheid, althans verweerder heeft onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid die is neergelegd in artikel 17, lid 1, van Verordening 604/2013 en artikel 35, lid 1, van Verordening 2024/1351. Eiser heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of zijn medische conditie in de weg staat aan de overdracht aan Zweden. Uit de overgelegde uitdraai van zijn medische dossier blijkt dat hij kampt psychotische stoornissen.
3. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren en motiveert dit als volgt.
4. Verordening 604/2013 is ingetrokken met ingang van 12 juni 2026 en vanaf 12 juni 2026 is Verordening 2024/1351 van toepassing. Eiser heeft een asielaanvraag ingediend vóór 12 juni 2026. Verweerder heeft weliswaar een voornemen genomen vóór 12 juni 2026, maar heeft het overdrachtsbesluit vastgesteld nadat Verordening 2024/1351 van toepassing is geworden. In artikel 84 van Verordening 2024/1351 zijn overgangsmaatregelen opgenomen. Uit artikel 84, lid 2, van Verordening 2024/1351 volgt dat de verantwoordelijke lidstaat voor de asielaanvraag van eiser moet worden bepaald volgens de in Verordening 604/2013 vastgelegde criteria. Het claimakkoord is tot stand gekomen vóór 12 juni 2026 en dus op grond van de criteria van Verordening 604/2013. Verweerder heeft Zweden terecht in beginsel verantwoordelijk geacht voor de asielaanvraag van eiser. De rechtbank merkt hierbij op dat indien de verantwoordelijkheid op grond van de criteria uit Verordening 2024/1351 zou zijn vastgesteld, dit niet tot een andere uitkomst zou hebben geleid.
5. Artikel 84, lid 2, van Verordening 2024/1351 ziet uitsluitend op de bepaling van de verantwoordelijke lidstaat aan de hand van de verantwoordelijkheidscriteria. De Uniewetgever heeft in de overgangsmaatregelen in Verordening 2024/1351 niet bepaald dat de procedureregels van Verordening 604/2013 van toepassing blijven op asielaanvragen die zijn ingediend vóór 12 juni 2026. Procedureregels zijn bij wijze van uitgangspunt van toepassing op het moment dat deze in werking treden en zijn dus -in beginsel- ook van toepassing op reeds aangevangen procedures.
6. De Uniewetgever heeft in artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 beoogd om de draagwijdte van het rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit tot de beoordeling van drie specifieke situaties te beperken. De regeling van de rechtsmiddelen is een procedureregel en is daardoor in beginsel ook van toepassing op asielaanvragen die zijn ingediend voordat Verordening 2024/1351 van toepassing is geworden als het overdrachtsbesluit op of na 12 juni 2026 is vastgesteld.
7. Eiser heeft aangevoerd dat het overdrachtsbesluit op een onvoldoende zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Verweerder heeft volgens eiser in het voornemen namelijk ten onrechte overwogen dat eiser tegen een overdracht aan Zweden geen bezwaren zou hebben, omdat hij op 15 maart 2026 met onbekende bestemming zou zijn vertrokken. In artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 is niet bepaald dat kan worden opgekomen tegen de wijze waarop een overdrachtsbesluit tot stand is gekomen.
8. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraak 21 september 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:27492) onder meer de prejudiciële vraag aan het Hof gesteld of artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351, gelezen in het licht van artikelen 41, lid 2 onder a) en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, geldig is voor zover hierin is bepaald dat de draagwijdte van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit beperkt is tot de in artikel 43, lid 1, onder a), b) en c) genoemde gronden. In die procedure maakte de betreffende verzoekster bezwaar tegen de overdracht aan België en voerde onder meer aan dat het overdrachtsbesluit in strijd met enkele procedurele waarborgen waarin Verordening 2024/1351 voorziet tot stand was gekomen.
9. De rechtbank ziet geen aanleiding om de onderhavige procedure aan te houden in afwachting van het arrest. Daargelaten dat het Hof de rechtbank op 2 oktober 2026 heeft medegedeeld dat het verzoek om de verwijzing van 21 september 2026 (en de verwijzing van 18 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:27252) in de spoedprocedure te behandelen is afgewezen, heeft verweerder ter zitting erkend dat eiser op 15 maart 2026 niet met onbekende bestemming was vertrokken en dat dit onrechte is vermeld in het voornemen dat op 14 april 2026 is uitgebracht. Verweerder heeft ter zitting ook erkend dat eiser niet is gehoord voordat het voornemen is uitgebracht. Het horen, dat op grond van Verordening 604/2013 plaatsvond in overname- én terugnameprocedures, strekte er onder meer toe om het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat te vereenvoudigen. Omdat dit deel van de beroepsgrond van eiser ziet op het horen voorafgaand aan de bepaling van de verantwoordelijke lidstaat en deze bepaling op grond van Verordening 604/2013 moet plaatsvinden, kan eiser deze grond dus wel aanvoeren. De rechtbank overweegt dat verweerder eiser had moeten horen voorafgaand aan het uitbrengen van het voornemen. Dat het besluit is vastgesteld op 3 augustus 2026, deze onderhavige procedure een terugname betreft en op grond van artikel 22 van Verordening 204/1351 verweerder niet verplicht is om in terugnameprocedures een persoonlijk onderhoud te voeren, is niet relevant omdat in deze procedure het horen had dienen te geschieden voorafgaand aan de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat.
10. De rechtbank stelt gelet op het bovenstaande een zorgvuldigheidsgebrek vast in de fase van de procedure waarin de verantwoordelijke lidstaat door verweerder is bepaald. Voor zover eiser heeft gesteld dat hij op 31 juli 2026 ook ten onrechte ‘mob is gemeld’, volgt de rechtbank dit niet. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting aangegeven dat zij voorafgaand aan het onderzoek ter zitting is nagegaan of eiser op 31 juli 2026 als ‘met onbekende bestemming vertrokken’ is geregistreerd en heeft aangegeven dat dit wel het is geval geweest. Verweerder heeft tevens toegelicht dat eiser zich op 5 september 2026 in Ter Apel heeft gemeld om in aanmerking te worden gebracht voor opvangvoorzieningen en ziet daarin een bevestiging dat eiser voorafgaand aan 5 september 2026 niet heeft verbleven in de eerder toegewezen opvanglocatie. De rechtbank gaat uit van deze toelichting van verweerder en zal eiser niet in de gelegenheid stellen om hier nader op te reageren. Eiser en zijn gemachtigde hebben de keuze gemaakt om niet ter zitting verschijnen terwijl de zitting er nu juist mede toe strekt om het beginsel van hoor en wederhoor te waarborgen. Indien eiser en zijn gemachtigde geen gebruik maken van het recht om ter zitting te worden gehoord en deze keuze niet voortkomt uit een verhindering en niet gepaard gaat met een verzoek om aanhouding van de behandeling van het beroep, komen de gevolgen van het niet kunnen reageren op ter zitting nieuw naar voren gebrachte informatie voor rekening van eiser en is het recht op een fair trial niet geschonden.
11. De rechtbank ziet geen aanleiding om het overdrachtsbesluit te vernietigen vanwege het hiervoor vastgestelde gebrek. Eiser heeft een zienwijze uitgebracht en beroepsgronden aangevoerd en is uitgenodigd voor de zitting waar de rechtbank zijn beroep en verzoek om een voorlopige voorziening heeft behandeld. Eiser heeft niet aangegeven dat hij in een persoonlijk onderhoud andere argumenten zou hebben aangedragen dan hij thans schriftelijk heeft gedaan. De vaststelling van de -in beginsel- verantwoordelijke lidstaat heeft op de juiste grondslag plaatsgevonden. Dat sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek tast de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit niet aan en dat Zweden de in beginsel verantwoordelijke lidstaat is, is ook niet in geschil. De rechtbank zal vanwege het gebrek in de totstandkoming van het overdrachtsbesluit wel een proceskostenveroordeling uitspreken.
12. Eiser heeft voorts medische stukken overgelegd, waaruit volgt dat eiser te kampen heeft met een psychotische stoornis, hallucinaties en wanen en dat hij hiervoor onder (medicamenteuze) behandeling staat. Eiser heeft zich onder verwijzing naar het arrest van het Hof in de zaak C.K. van 16 februari 2017 (ECLI:EU:C:2017:127) op het standpunt gesteld dat verweerder tenminste voorafgaand aan het bestreden besluit een BMA-advies had moeten inwinnen om zich te vergewissen dat artikel 4 van het Handvest zich niet verzet tegen de overdracht. De rechtbank overweegt dat deze beroepsgrond niet slaagt. Uit de overgelegde medische informatie blijkt niet dat de ontvangst van het overdrachtsbesluit, danwel de feitelijke overdracht, mogelijk tot een verslechtering van de gezondheidstoestand van eiser leidt. Het ligt wel op de weg van eiser om ook over de mogelijke gevolgen van de overdracht voor zijn gezondheid informatie over te leggen. De overgelegde informatie is daarom geen reden voor de rechtbank om verweerder op te dragen nader onderzoek te doen of om zelf nader onderzoek te verrichten. Het overdrachtsbesluit heeft in deze zin geen gevolgen voor eiser en kan dus ook geen 4 Handvest-schending opleveren. De gezondheidssituatie op zich zelf bezien brengt niet mee dat de overdracht moet worden verboden. Dat zou alleen het geval zijn als eiser in Zweden niet op vergelijkbare wijze kan worden behandeld of geen toegang tot medische behandeling zal krijgen, danwel indien eiser in Nederland een zodanig specifieke behandeling ontvangt dat Nederland het aangewezen land is om de medische problematiek van eiser (verder) te behandelen. Als deze situaties zijn echter niet aan de orde. De medische problematiek van eiser staat dus niet in de weg aan de overdracht.
13. De rechtbank is verplicht om in aanvulling op de hiervoor besproken beroepsgrond na te gaan of artikel 4 van het Handvest zich om andere redenen tegen de overdracht verzet. Artikel 4 van het Handvest is immers een algemene regeling en het refoulementverbod, dat een absoluut karakter heeft, richt zich tot alle autoriteiten, met inbegrip van de rechterlijke instanties.
14. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier, het verhandelde ter zitting en de ambtshalve bij de rechtbank bekende landgebonden informatie over Zweden geen enkele indicatie blijkt dat eiser een risico loopt om na overdracht in een met artikel 4 Handvest-strijdige situatie te geraken en dat dit ook geen nader onderzoek behoeft. De rechtbank wijst verweerder er hierbij wel uitdrukkelijk op dat in het besluit ten onrechte is gesuggereerd dat eiser aannemelijk moet maken dat sprake is van ‘structurele tekortkomingen’ in de asielprocedure en/of opvang. Daargelaten dat een 4 Handvest-schending ook uit andere situaties kan voortkomen dan alleen de asielprocedure en de opvang, heeft de Uniewetgever het vereiste van ‘systeemfouten’ niet langer gekoppeld aan het verbod om een verzoeker over te dragen indien sprake is van een reëel en voorzienbaar risico op een 4 Handvest-schending. De rechtbank wijst in dit verband op artikelen 16, lid 3, en 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 en wijst op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 2 oktober 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:29186, rechtsoverweging 13). De risicotaxatie vereist dus ‘slechts’ een individuele beoordeling die vergelijkbaar is met de risicobeoordeling indien terugkeer naar een derde land de inzet van de procedure is, met dat verschil dat het interstatelijk vertrouwen het uitgangspunt is bij de overdracht aan een andere lidstaat. In dit geval zal de rechtbank het overdrachtsbesluit niet vernietigen vanwege deze onjuist gehanteerde beoordelingsmaatstaf en de te hoog aangelegde bewijsdrempel, omdat een individuele risicotaxatie niet tot een andere uitkomst van de refoulementbeoordeling leidt. De rechtbank stelt vast dat artikel 4 van het Handvest niet aan de overdracht in de weg staat.
15. Eiser heeft tot slot aangevoerd dat verweerder gebruik had moeten maken van zijn discretionaire bevoegdheid om zijn asielaanvraag onverplicht te behandelen, althans dat verweerder beter had moeten motiveren waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid en hier ook onderzoek naar had moeten doen.
16. De rechtbank heeft ter zitting besproken of eiser zijn beroep in de onderhavige procedure, waarin de procedureregels van Verordening 2024/1351 van toepassing zijn, kan onderbouwen door aan te voeren dat verweerder zijn bevoegdheid had moeten aanwenden om de asielaanvraag onverplicht te behandelen of de beslissing om dat niet te doen deugdelijk te motiveren. De rechtbank komt tot de conclusie dat dit wel mogelijk is en motiveert dit als volgt.
17. Artikel 17, lid 1, van Verordening 604/2013 bepaalt dat in afwijking van artikel 3, lid 1, elke lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. Artikel 35, lid 1, van Verordening 2024/1351 bepaalt dat in afwijking van artikel 16, lid 1, een lidstaat kan besluiten een in die lidstaat geregistreerd verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is de lidstaat daartoe volgens de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. Deze bepalingen verschillen alleen met betrekking tot het benoemen of een verzoek om internationale bescherming is ‘ingediend’ of ‘geregistreerd’, maar de rechtbank acht dat onderscheid niet relevant voor de vraag of kan worden opgekomen tegen het niet toepassen van de discretionaire clausule. De rechtbank merkt in dit verband op dat artikel 3, lid 1, van Verordening 604/2013 overeenkomt met artikel 16, lid 1, van Verordening 2024/1351 en de kern van deze bepaling duidelijk maakt dat (slechts) één enkele lidstaat verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van een asielaanvraag. De discretionaire bevoegdheid, die de lidstaten de bevoegdheid geeft om een asielaanvraag onverplicht te behandelen in plaats van de betreffende vreemdeling over te dragen, is onder Verordening 2024/1351 dus in essentie ongewijzigd.
18. Wat de Uniewetgever wel heeft willen wijzigen in Verordening 2024/1351, is de omvang van het rechtsmiddel. Dit blijkt uit artikel 43, lid 1, van deze verordening. Verordening 2024/1351 biedt geen mogelijkheid om beroep in te stellen tegen de beslissing van de beslisautoriteit om geen gebruik te maken van de bevoegdheid om een asielaanvraag onverplicht inhoudelijk te behandelen.
19. De rechtbank acht dit logisch. Hoewel in Verordening 604/2013 geen bepaling was opgenomen over de draagwijdte van het rechtsmiddel en in artikel 27, lid 1, alleen was bepaald dat “de verzoeker (…) het recht had om tegen het overdrachtsbesluit bij een rechterlijke instantie een daadwerkelijk rechtsmiddel in te stellen, in de vorm van een beroep of een bezwaar ten aanzien van de feiten en het recht”, welk recht thans is neergelegd in de eerste alinea van artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351, heeft het Hof immers reeds verduidelijkt dat het Unierecht geen rechtsmiddel tegen het niet toepassen van de discretionaire clausule omvat omdat deze bevoegdheid een nationale bevoegdheid betreft en artikel 47 van het Handvest daarom niet van toepassing is.
20. Het Hof heeft in het arrest van 18 april 2024 in de zaak AHY (C-359/22, ECLI:EU:C:2024:334) in dit verband onder meer het navolgende overwogen:
(…)
42 Zoals volgt uit overweging 17 van de Dublin III-verordening, stelt deze verordening, in de bepalingen van hoofdstuk III, ervan de „bindende criteria” vast om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming, terwijl artikel 17 van deze verordening, dat valt onder hoofdstuk IV ervan, de lidstaten de mogelijkheid biedt om van deze verantwoordelijkheidscriteria af te wijken en om een verzoek om internationale bescherming dat bij deze lidstaat of bij een andere lidstaat is ingediend te behandelen, ook al is hij volgens de bindende criteria van deze verordening niet verantwoordelijk voor de behandeling. Bijgevolg vormt het besluit van een lidstaat om al dan niet zijn in artikel 17, lid 1, van de Dublin III-verordening bedoelde bevoegdheid uit te oefenen en om een verzoek om internationale bescherming al dan niet te behandelen, een discretionair besluit dat niet is gebaseerd op de bindende criteria waaraan die lidstaat overeenkomstig die verordening moet voldoen.
43 Daaruit volgt dat een krachtens artikel 17, lid 1, van de Dublin III-verordening vastgesteld besluit niet kan worden gelijkgesteld met een overdrachtsbesluit in de zin van artikel 27, lid 1, van die verordening, zodat deze laatste bepaling de lidstaten niet verplicht te voorzien in een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen zo’n discretionair besluit.
(…)
46 Integendeel, aangezien het Hof heeft geoordeeld dat artikel 27, lid 1, van de Dublin
III-verordening de lidstaten niet verplicht om te voorzien in een specifiek rechtsmiddel tegen de weigering om de door artikel 17, lid 1, van die verordening toegekende discretionaire bevoegdheid uit te oefenen, kan de mogelijkheid om tegelijk met het beroep tegen het overdrachtsbesluit tegen die weigering op te komen alleen op het nationale recht worden gebaseerd.
47 Gelet op alle voorgaande overwegingen moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 27, lid 1, van de Dublin III-verordening aldus moet worden uitgelegd dat het de lidstaten niet verplicht te voorzien in een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen een besluit dat krachtens de discretionaire bepaling van artikel 17, lid 1, van die verordening is vastgesteld.
(…)
21. Het Hof heeft in dit arrest herhaald dat geen enkele omstandigheid, zelfs niet op het gebied van de grondrechten, een lidstaat ertoe kan verplichten gebruik te maken van de clausule om zelf een verzoek te behandelen waarvoor hij niet verantwoordelijk is en dat het gebruik van deze bevoegdheid aan geen enkele voorwaarde is onderworpen, zodat het gebruik maken van de bevoegdheid die verweerder aan artikel 16, lid 1, van Verordening 604/2013 ontleende dus onder de procedurele autonomie valt. De rechtbank ziet geen indicaties dat de Uniewetgever dit in Verordening 2024/1351 anders heeft willen regelen, maar acht het veeleer waarschijnlijk dat de Uniewetgever het bovenstaande arrest heeft willen codificeren in Verordening 2024/1351 en in artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 daarom uitdrukkelijk niet heeft bepaald dat kan worden opgekomen tegen de beslissing om geen gebruik te maken van de bevoegdheid die de lidstaten op grond van artikel 35, lid 1, van Verordening 2024/1351 hebben.
22. Verordening 2024/1351 biedt dus geen mogelijkheid om het beroep tegen het overdrachtsbesluit (mede) te onderbouwen met het standpunt dat verweerder de asielaanvraag van eiser onverplicht had moeten behandelen, dan wel hier meer onderzoek naar had moeten te doen en/of zijn besluit op dit punt deugdelijker had moeten motiveren.
23. De rechtbank overweegt dat de beperking van de omvang van het rechtsmiddel zoals bepaald in artikel 43, lid 1, van Verordening 2024/1351 voor zover dit ziet op het niet omvatten van een mogelijkheid om te klagen over het niet toepassen van de discretionaire bevoegdheid, niet in strijd is met het Unierecht, omdat de toepassing van het beleid en het beslissen om al dan niet toepassing te geven aan de discretionaire bevoegdheid in een concrete procedure gebaseerd is op een nationale grondslag. De rechtbank ziet om deze reden dan ook geen aanleiding om een geldigheidsvraag aan het Hof te stellen, zoals de rechtbank die aanleiding wel heeft gezien met betrekking tot de vraag of het rechtsmiddel kan worden onderbouwd met een beroep op het belang van het kind (ECLI:NL:RBDHA:2026:27252) of een beroep op het grondrecht op behoorlijk bestuur (ECLI:NL:RBDHA:2026:27492).
24. Het overdrachtsbesluit is een besluit dat is gegrond op het Unierecht. Artikel 35, lid 1, van Verordening 2024/1315 richt zich tot de lidstaten. Het beleid dat verweerder heeft vastgesteld op grond van deze bevoegdheid is gegrond op het Unierecht, maar heeft een nationaalrechtelijk karakter. De beslissing om in een concrete procedure het beleid aldus toe te passen dat de asielaanvraag niet inhoudelijk wordt behandeld is dus niet gegrond op het Unierecht, maar is gebaseerd op nationale regelgeving en beleid.
25. De Uniewetgever heeft (ook) in Verordening 2024/1351 de lidstaten de bevoegdheid gegeven om in hun nationale regelgeving en beleid te voorzien in de mogelijkheid om een asielaanvraag inhoudelijk te behandelen indien op grond van de verantwoordelijkheidscriteria een andere lidstaat verantwoordelijk kan worden gehouden hiervoor. Verweerder maakt gebruik van deze bevoegdheid en heeft beleid vastgesteld om te bepalen wanneer hij in concrete procedures van deze bevoegdheid gebruik zal maken. Dit beleid is neergelegd in paragraaf C2/3.3.6 van de Vc.
26. Verweerder maakt in de onderhavige procedure geen gebruik van zijn bevoegdheid. Eiser kan niet op grond van Verordening 2024/1351 tegen deze beslissing op komen. Dat laat echter onverlet dat eiser wel een rechtsmiddel moet kunnen aanwenden tegen een besluit dat verweerder neemt op grond van vastgesteld en gepubliceerd beleid. Dit volgt immers uit algemeen bestuurs(proces)recht.
27. In het Nederlandse bestuursprocesrecht is op dit moment, ondanks dat het bovenstaande arrest reeds is gewezen op 18 april 2024, geen zelfstandige procedure ingericht waarin een rechtsmiddel wordt toegekend aan een verzoeker wiens asielverzoek niet in behandeling wordt genomen en die het niet eens is met de beslissing van verweerder om geen gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid. Verweerder neemt bovendien één besluit op een asielaanvraag, dat zowel een overdrachtsbesluit omvat als een beslissing om geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid om de asielaanvraag onverplicht inhoudelijk te behandelen.
28. Uit een analoge toepassing van punt 43 van het eerdergenoemde arrest van het Hof van 18 april 2024 in de zaak AHY volgt dat de beslissing om geen toepassing te geven aan de discretionaire clausule, niet kan worden gelijkgesteld met een overdrachtsbesluit. De rechtbank overweegt dat deze beslissing echter wel een besluitonderdeel is van het besluit dat tevens een overdrachtsbesluit omvat. De rechtbank overweegt daarom dat een verzoeker die een rechtsmiddel aanwendt tegen een overdrachtsbesluit, ook de mogelijkheid heeft om zich in datzelfde rechtsmiddel te beroepen op het door verweerder niet gebruikmaken van de bevoegdheid om de asielaanvraag onverplicht te behandelen. Naar het oordeel van de rechtbank dient de rechter die wordt aangezocht om de rechtmatigheid van het Unierechtelijke overdrachtsbesluit te controleren, tevens -uitsluitend indien hier een beroepsgrond over is aangedragen- te beoordelen of verweerder zijn nationale beleid op juiste wijze heeft toegepast en deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het toepassen van zijn beleid niet leidt tot het afzien van de overdracht. Het rechtsmiddel is dan, net als het besluit waarin een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen en een overdrachtsbesluit wordt vastgesteld, deels gegrond op het Unierecht en deels gegrond op het nationale bestuursprocesrecht.
29. Het zou, naar het oordeel van de rechtbank, buitengewoon inefficiënt zijn om zolang niet is voorzien in een zelfstandige rechtsingang op grond van het bestuursrecht, de verzoeker te verwijzen naar de civiele rechter als restrechter. Verordening 2024/1351 hanteert omwille van een snelle verantwoordelijkheidsbepaling korte en (voornamelijk) strikt afgebakende termijnen. Verwijzing naar de civiele rechter zal tot onnodige vertraging en ook in zekere zin tot verlies van expertise leiden. Bovendien komen dan rechtsvragen aan de orde over de opschortende werking van een verzoek om gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid en het instellen van een rechtsmiddel tegen de afwijzing van een dergelijk verzoek. Ook zal dit wellicht tot spoedprocedures leiden als de rechter het beroep tegen het overdrachtsbesluit ongegrond verklaart en verweerder de feitelijke overdracht wil effectueren voordat de civiele rechter op het rechtsmiddel tegen de niet gebruikmaking van de bevoegdheid heeft beslist. De rechtbank overweegt daarom dat eiser in de onderhavige procedure een beroepsgrond heeft kunnen aandragen die verband houdt met het niet onverplicht willen behandelen van zijn asielaanvraag door verweerder en dat de rechtbank gehouden is om deze beroepsgrond inhoudelijk te beoordelen.
30. Verweerder heeft in het overdrachtsbesluit ter zake verwezen naar artikel 35, lid 1, van Verordening 2024/1351 en heeft vermeld dat van die discretionaire bevoegdheid in de regel geen gebruik wordt gemaakt, tenzij dit vanwege proceseconomische redenen aangewezen is. Deze vermelding behelst de weergave van paragraaf C2/3.3.6 van de Vc waarin dit beleid is opgenomen.
31. De rechtbank stelt vast dat verweerder dus ander beleid voert op grond van de bevoegdheid die hij ontleent aan artikel 35, lid 1, van Verordening 2024/1351. Verweerder voert niet langer het beleid dat hij een asielaanvraag onverplicht inhoudelijk behandelt als de overdracht van onevenredige hardheid getuigt, maar dit uitsluitend doet als dit in het belang van verweerder is. Verweerder is bevoegd om dit beleid zo te voeren, reeds omdat er geen enkele verplichting bestaat om gebruik te maken van de in artikel 35, lid 1, van Verordening 2024/1351 neergelegde bevoegdheid en omdat het Hof in het eerder genoemde arrest van 18 april 2024 in de zaak AHY heeft verduidelijkt dat het gebruik van de facultatieve bepaling aan geen enkele specifieke voorwaarde is onderworpen (punt 39).
32. Verweerder heeft in het overdrachtsbesluit medegedeeld dat hij de asielaanvraag van eiser niet onverplicht behandelt omdat verweerder alleen gebruik maakt van deze bevoegdheid “als het voor de IND gunstiger is”. Eiser is opgekomen tegen deze (deel)beslissing door te wijzen op zijn medische conditie en de stelling dat verweerder meer onderzoek had moeten doen. Deze grond slaagt niet. Het zelf behandelen van de asielaanvraag zal niet “gunstiger” voor verweerder zijn omdat dit tot de conclusie kan leiden dat internationale bescherming of uitstel van vertrek moet worden verleend. Ook kan de inhoudelijke behandeling leiden tot de situatie dat geen internationale bescherming hoeft te worden verleend maar dat eiser, gelet op de omstandigheid dat hij (uitsluitend) de Libanese nationaliteit heeft, niet in een gedwongen kader kan terugkeren naar zijn land van herkomst. Hoewel verweerder -ook- in dit onderdeel van het besluit heeft volstaan met alleen het weergeven van het beoordelingskader en niet de toepassing daarvan, ziet de rechtbank geen aanleiding om dit besluitonderdeel van het overdrachtsbesluit te vernietigen. Eiser heeft immers niet gesteld dat het voor verweerder gunstiger is om zijn aanvraag wel inhoudelijk te behandelen dan hem over te dragen aan de Zweedse autoriteiten.
33. De rechtbank zal gelet op al het voorgaande het beroep ongegrond verklaren en vanwege het vastgestelde zorgvuldigheidsgebrek een proceskostenveroordeling uitspreken in verband met het indienen van het beroep. Verweerder is dus bevoegd om eiser over te dragen aan Zweden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.C. Mellendijk - Leinders, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 5 oktober 2026
Deze hersteluitspraak vervangt de inhoud van de uitspraak van heden voor wat betreft de termijn voor het instellen van hoger beroep, zonder wijziging van de uitspraakdatum.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 2 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.