ECLI:NL:RBDHA:2026:29432

ECLI:NL:RBDHA:2026:29432

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 01-10-2026
Datum publicatie 05-10-2026
Zaaknummer NL26.33964
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

AMbV Duitsland, overgangsrecht, interstatelijk vertrouwensbeginsel, discretionaire bevoegdheid art. 35 AMbV, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.33964

(gemachtigde: mr. P.R. van de Water),

en

(gemachtigde: mr. S. Imami).

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.33965), op 17 september 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser heeft de Ivoriaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1995. Eiser heeft op 26 februari 2026 een asielaanvraag in Nederland ingediend.

Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 23 augustus 2024 in Duitsland een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. Op 1 april 2026 heeft Nederland aan Duitsland verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening, hierna: Dvo). Duitsland heeft dit terugnameverzoek op 7 april 2026 op die grondslag aanvaard.

Totstandkoming van het besluit

2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Duitsland op grond van de Verordening (EU) nr. 2024/1351 (Asiel- en migratiebeheerverordening, hierna: AMbV) verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.

Overgangsrecht

3. Op 12 juni 2026 is de AMbV in werking getreden. Artikel 83, eerste volzin, van de AMbV bepaalt dat de Dublinverordening op 12 juni 2026 wordt ingetrokken. De rechtbank bespreekt daarom als eerste welk recht in deze zaak van toepassing is.

Artikel 84, tweede lid, van de AMbV bepaalt dat de vraag – welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming – wordt bepaald volgens de in de Dvo vastgestelde criteria. Eisers verzoek om internationale bescherming is vóór 12 juni 2026 ingediend. Dat betekent dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is, op grond van het overgangsrecht, wordt bepaald volgens de in de Dvo vastgestelde criteria.

Voor zover eisers gronden ook zien op de toepassing van de discretionaire bevoegdheid van verweerder, is het volgende van belang. De rechtbank stelt vast dat artikel 35 van de AMbV, op grond waarvan verweerder een discretionaire bevoegdheid heeft, directe werking heeft sinds 12 juni 2026. Uit artikel 84, tweede lid, van de AMbV volgt namelijk niet dat het overgangsrecht ook op artikel 35 van de AMbV van toepassing is.

Beroepsgronden van eiser

4. Eiser heeft in de eerste plaats verzocht om de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen. Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat er ten aanzien van Duitsland niet zonder meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit het aanmeldgehoor volgt dat eiser heeft verklaard dat hij in Duitsland is aangehouden, een document heeft moeten ondertekenen waarin zou zijn opgenomen dat hij gedurende drie jaar Duitsland niet meer mocht betreden en dat hem door de Duitse autoriteiten is medegedeeld dat hij bij terugkeer zou worden gedetineerd. Ondanks dat eiser het uitgangspunt van interstatelijk vertrouwen op zichzelf niet betwist, ziet hij hierin voldoende concrete aanknopingspunten om er van uit te gaan dat er op verweerder een nadere onderzoeksplicht rust. Door dit te hebben nagelaten is het besluit volgens eiser onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de in de AMbV opgenomen discretionaire bevoegdheid om de asielaanvraag zelf in behandeling te nemen. Eiser meent dat er voldoende omstandigheden waren om in dit verband een individuele belangenafweging te maken.

Beoordeling van de beroepsgronden door de rechtbank

5. Eiser heeft in de eerste plaats verzocht om de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd is ingegaan op hetgeen eiser in de zienswijze naar voren heeft gebracht. Voor zover eiser in beroep niet heeft geconcretiseerd op welk(e) punt(en) de motivering van het bestreden besluit ontoereikend is, kan de enkele herhaling van de zienswijze in beroep niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), onder meer in de uitspraak van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2169.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

6. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dvo het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling heeft in onder meer de uitspraken van 25 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:292, 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1902, 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588 en 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4770, bevestigd dat verweerder ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.

Het vorenstaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat eiser bij overdracht aan Duitsland geen risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) strijdige behandeling. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Duitsland overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen ten aanzien van het asiel- en opvangsysteem in Duitsland. Niet elke tekortkoming in het asiel- en opvangsysteem van de verantwoordelijke lidstaat levert een schending op van artikel 4 van het Handvest. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218).

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet met landeninformatie of eigen verklaringen aannemelijk heeft gemaakt dat hij na overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten op het gebied van opvang en zorg, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft geen ondersteunende landeninformatie overgelegd. Verder heeft hij in zijn aanmeldgehoor verklaard geen bezwaren te hebben tegen terugkeer naar Duitsland, maar hij verwacht niet dat ze hem zullen accepteren. Over problemen met de Duitse autoriteiten verklaart hij het volgende. Hij is allereerst tussen een vechtpartij gekomen, waarna de politie zijn naam heeft genoteerd. Later is hij door de Duitse grenspolitie in de trein aangehouden en heeft hij een document moeten ondertekenen waarin stond dat hij gedurende drie jaar niet in Duitsland mocht komen. Eiser werd daarnaast verzocht Duitsland te verlaten en hem werd hem verteld dat, als hij nog één voet op Duitse grond zette of nog een keer aangehouden zou worden, hij in de gevangenis terecht zou komen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er aanknopingspunten zijn voor het bestaan van structurele tekortkomingen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid zoals beschreven in het hiervoor genoemde Jawo arrest haalt, nu eiser zijn standpunt dat hij bij terugkeer naar Duitsland problemen krijgt met de politie niet heeft onderbouwd met objectieve informatie. Hierdoor ziet de rechtbank ook geen aanknopingspunten om voor verweerder een nadere onderzoeksplicht aan te nemen. Van eiser mag worden verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen in de Duitse opvangvoorzieningen, asielprocedure of anderszins, beklaagt bij de betreffende (hogere) autoriteiten (vgl. het arrest van het EHRM van 2 december 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308, in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk). Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Duitse autoriteiten niet willen of kunnen helpen of dat klagen in Duitsland onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.

De beroepsgrond slaagt niet.

Discretionaire bevoegdheid

7. In artikel 43, eerste lid van de AMbV staat dat de verzoeker het recht heeft tegen het overdrachtsbesluit bij een rechtelijke instantie een doeltreffend rechtsmiddel in te stellen en noemt in welke gevallen dat mogelijk is. Artikel 35 van de AMbV, waarin de discretionaire bevoegdheid is opgenomen om een verzoek om internationale bescherming zelf te behandelen, is niet in dit artikel opgenomen. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of artikel 43, eerste lid, van de AMbV met zich brengt dat de toepassing van artikel 35 van de AMbV is uitgesloten van rechterlijke toetsing. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is, en overweegt daartoe het volgende.

Zoals gezegd beperkt artikel 43, eerste lid, van de AMbV de draagwijdte van het beroep dat is gericht tegen een overdrachtsbesluit. Dat is een besluit als bedoeld in artikel 42 van de AMbV. Het gaat dan om een besluit, volgend op een aanvaarding van een overnameverzoek of een kennisgeving inzake terugname door de lidstaat die op basis van de in AMbV gestelde bindende criteria verantwoordelijk is voor de verzoeker. Artikel 35 van de AMbV gaat over de mogelijkheid voor een lidstaat om van deze verantwoordelijkheidscriteria af te wijken en om een verzoek om internationale bescherming te behandelen, ook al is die lidstaat volgens de bindende criteria van de AMbV niet verantwoordelijk voor de behandeling. Een besluit om al dan niet van de in artikel 35 van de AMbV geboden mogelijkheid gebruik te maken en de keuze van verweerder om zijn daartoe gestelde beleid al dan niet toe te passen, is een besluit dat naar het oordeel van de rechtbank niet met een overdrachtsbesluit gelijk kan worden gesteld. De rechtbank vindt steun voor dit standpunt in de arresten AHY, ECLI:EU:C:2024:334 en M.A. e.a., ECLI:EU:C:2019:53. Deze arresten gaan over de artikelen 17 en 27 van de Dvo, de voorganger van de AMbV.

Artikel 17, eerste lid, van de Dvo is nagenoeg gelijkluidend aan artikel 35, eerste lid, van de AMbV. Artikel 27 van de Dvo gaat in op de rechtsmiddelen die een vreemdeling kan instellen tegen een overdrachtsbesluit. Zo volgt uit artikel 27 van de Dvo dat de persoon die om internationale bescherming verzoekt, het recht heeft om tegen het overdrachtsbesluit bij een rechterlijke instantie een daadwerkelijk rechtsmiddel in te stellen in de vorm van een beroep of een bezwaar ten aanzien van de feiten en het recht. Het arrest AHY gaat over de reikwijdte van dit in artikel 27 van de Dvo opgenomen recht. Uit het arrest AHY volgt dat de Dvo in de bepalingen van hoofdstuk III de bindende criteria vaststelt om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming, terwijl artikel 17 van deze verordening, dat valt onder hoofdstuk IV ervan, de lidstaten de mogelijkheid biedt om van deze verantwoordelijkheidscriteria af te wijken en om een verzoek om internationale bescherming alsnog te behandelen, ook al is hij volgens de bindende criteria van deze verordening niet verantwoordelijk daarvoor. Dit betekent dat het besluit van een lidstaat om al dan niet zijn in artikel 17 van de Dvo bedoelde bevoegdheid uit te oefenen en om een verzoek om internationale bescherming al dan niet te behandelen, een discretionair besluit vormt dat niet is gebaseerd op de bindende criteria waaraan die lidstaat overeenkomstig die verordening moet voldoen. Daaruit volgt dat een krachtens artikel 17, eerste lid, van de Dvo vastgesteld besluit niet kan worden gelijkgesteld met een overdrachtsbesluit in de zin van artikel 27, eerste lid, van die verordening, zodat deze laatste bepaling de lidstaten niet verplicht om te voorzien in een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen zo’n discretionair besluit.

Deze overwegingen van het Hof over de verhouding tussen de artikelen 27 en 17 van de Dvo zijn naar het oordeel van de rechtbank onverkort van toepassing op de AMbV en de verhouding tussen de artikelen 43 en 35 van de AMbV. Zoals hierboven al is opgemerkt, is artikel 35, eerste lid, van de AMbV vrijwel gelijkluidend aan artikel 17, eerste lid, van de Dvo. In artikel 43 van de AMbV is verder eenzelfde recht opgenomen als in artikel 27 van de Dvo. De tekst komt wat betreft het recht op een rechtsmiddel tegen het overdrachtsbesluit volledig overeen. Het is vervolgens dát rechtsmiddel tegen het overdrachtsbesluit dat in draagwijdte wordt beperkt tot de in artikel 43, eerste lid, van de AMbV genoemde aspecten. Het voorgaande brengt met zich dat artikel 43 van de AMbV en de daarin opgenomen beperkingen van het rechtsmiddel alleen betrekking hebben op het overdrachtsbesluit en zich niet uitstrekken tot de rechterlijke toetsing van de toepassing van artikel 35 van de AMbV. Artikel 43 van de AMbV beperkt de rechterlijke toetsing van een besluit van verweerder om al dan niet gebruik te maken van de in artikel 35 van de AMbV opgenomen discretionaire bevoegdheid naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet.

In het verlengde hiervan merkt de rechtbank op dat uit het arrest AHY ook voortvloeit dat de discretionaire bevoegdheid om een verzoek in behandeling te nemen aan geen enkele specifieke voorwaarde is gebonden. De bevoegdheid biedt de mogelijkheid om zelfstandig – uit politieke, humanitaire of praktische overwegingen – te besluiten een verzoek om internationale bescherming te behandelen, ook al is de lidstaat daar niet toe verplicht. Verweerder maakt op grond van het huidige beleid (C2/3.3.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000), zoals dat geldt met ingang van 12 juni 2026, in de regel geen gebruik van deze discretionaire bevoegdheid, tenzij dit naar oordeel van verweerder vanwege proceseconomische redenen aangewezen is. Gelet op de vrijheid van verweerder om al dan niet voor de toepassing van artikel 35 van de AMbV te kiezen, staat het naar het oordeel van de rechtbank verweerder ook vrij om die discretionaire bevoegdheid op deze manier in te vullen. De omstandigheden die eiser aanvoert geven onvoldoende aanleiding om van verweerder te verlangen hiervan af te wijken en een individuele belangenafweging te maken.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het overdrachtsbesluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Tito Lliulli, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A. Hello

Griffier

  • mr. P. Tito Lliulli

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand