RECHTBANK DEN HAAG
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.35132
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. M.L. van Leer),
en
(gemachtigde: mr. I.L.E. Dissevelt).
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 23 juni 2026 niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.35133), op 29 september 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1992. Eiser heeft op 23 maart 2026 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 17 september 2016 in Oostenrijk een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. Op 14 april 2026 heeft Nederland aan Oostenrijk verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Oostenrijk heeft dit terugnameverzoek op 4 mei 2026 op die grondslag aanvaard.
Beoordeling door de rechtbank
2. Voordat de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepen kan toekomen, moet zij beoordelen of eiser procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn beroep. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) moet de bestuursrechter een beroep slechts inhoudelijk beoordelen als de indiener daarbij een actueel en reëel belang heeft. Als dat belang is vervallen, is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan.
De gemachtigde van eiser heeft op 28 september 2026 de rechtbank bericht dat zij van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) heeft vernomen dat eiser recentelijk zou zijn teruggekeerd naar zijn land van herkomst (Algerije). Verweerder heeft op zitting desgevraagd aangegeven dat eiser inderdaad met behulp van het Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) is teruggekeerd naar Algerije.
Eiser heeft daarom geen belang bij een beoordeling van het door hem ingestelde beroep tegen het bestreden besluit, waarin is bepaald dat hij op grond van de Dublinverordening zal worden overgedragen aan Oostenrijk. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BU8624). Aangezien eiser vrijwillig is vertrokken met het IOM en de gemachtigde van eiser geen contact meer met eiser heeft, mag worden aangenomen dat hij geen prijs meer stelt op internationale bescherming. Het beoordelen van de vraag of verweerder terecht Oostenrijk verantwoordelijk heeft gesteld voor de terugname van eiser, dient daarmee geen doel meer.
Conclusie en gevolgen
3. Gezien het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding voor zijn proceskosten.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2026 door
mr. L.E.M. Wilbers - Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Tito Lliulli, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.