RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.34987 en NL26.35062
(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en
(gemachtigde: mr. I.L.E. Dissevelt).
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (NL26.34987). Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 17 juni 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Gezien de onderlinge samenhang, beoordeelt de rechtbank gelijktijdig het beroep van eiser tegen het besluit van 17 juni 2026, waarbij verweerder de overdrachtstermijn heeft verlengd wegens onderduiken (NL26.35062).
De rechtbank heeft partijen gevraagd of toestemming wordt verleend voor afdoening van deze zaken zonder zitting. Beide partijen hebben hiermee ingestemd. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek vervolgens gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser heeft de Soedanese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2008. Eiser heeft op 27 maart 2026 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
2. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 23 februari 2026 op illegale wijze de grens van Spanje heeft overschreden. Op 13 april 2026 heeft Nederland aan Spanje verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 13, eerste lid, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Spanje heeft dit overnameverzoek op 9 juni 2026 op dezelfde grondslag aanvaard.
Beoordeling door de rechtbank
3. Indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, dient er in beginsel van uit te worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet waar een vreemdeling verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden genomen. De rechtbank wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
Op 25 september 2026 heeft verweerder de rechtbank medegedeeld dat eiser op 23 april 2026 is geregistreerd als ‘met onbekende bestemming’ (MOB) vertrokken. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser gevraagd om een reactie op de MOB-melding. Op 26 september 2026 heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat hij geen contact meer heeft met eiser en niet weet waar hij momenteel verblijft.
Gezien het feit dat eiser staat geregistreerd als MOB vertrokken en de gemachtigde van eiser geen contact meer met hem onderhoudt, neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het besluit om de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen van 17 juni 2026.
In samenhang daarmee heeft eiser voorts geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het besluit van 17 juni 2026, waarbij verweerder de overdrachtstermijn heeft verlengd wegens onderduiken.
Conclusie en gevolgen
4. Gezien het voorgaande zijn de beroepen niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank beoordeelt de zaken dus niet inhoudelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers - Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Tito Lliulli, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.