ECLI:NL:RBDHA:2026:29450

ECLI:NL:RBDHA:2026:29450

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-10-2026
Datum publicatie 05-10-2026
Zaaknummer NL26.56865
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

bewaring; vervolgberoep; zicht op uitzetting; voortvarend handelen; lichter middel; ambtshalve toetsing; ogg.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.56865

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. D. Matadien),

en

Procesverloop

Verweerder heeft op 15 juli 2026 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft op 25 september 2026 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

Verweerder heeft op 29 september 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.

De rechtbank heeft het vooronderzoek op 1 oktober 2026 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.

Overwegingen

Inleiding

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan op onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 2 september 2026 (in de zaak NL26.46920) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 27 augustus 2026.

3. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt gezien het voorgaande dus van 27 augustus 2026 tot 29 september 2026.

Zicht op uitzetting

4. Eiser betoogt dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Egypte ontbreekt. Daartoe voert hij aan dat verweerder, ondanks zijn inspanningen, tot op heden geen reactie heeft ontvangen van de Egyptische autoriteiten op de aanvraag tot afgifte van een laissez-passer (lp).

De rechtbank merkt op dat deze grond eerder is aangevoerd in het beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van 2 september 2026. De rechtbank verwijst in dit verband dan ook naar de rechtsoverwegingen 3.1. en 3.2. van deze uitspraak. De rechtbank merkt daarnaast op dat het feit dat de maatregel van bewaring na een belangenafweging op 29 september 2026 is opgeheven, niet maakt dat het zicht op uitzetting in de toetsen periode is komen te ontbreken. Hierbij betrekt de rechtbank dat uit de voortgangsrapportage van 25 september 2026 volgt dat de Egyptische vertegenwoordiger, nadat verweerder op 24 september 2026 bij hem aandacht had gevraagd voor eisers zaak, had aangegeven hierover nog geen antwoord van de autoriteiten in Egypte te hebben. Dat nog geen antwoord is ontvangen, wil niet zeggen dat de Egyptische autoriteiten kenbaar hebben gemaakt geen lp te zullen verstrekken ten behoeve van eisers uitzetting. De rechtbank betrekt daarnaast dat op eiser de plicht rust om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Uit het rechtbankdossier blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat eiser hieraan onvoldoende invulling heeft gegeven. Zo blijkt uit het verslag van het vertrekgesprek van 18 september 2026 nog dat eiser heeft verklaard niet naar Egypte terug te (willen) keren maar naar Italië of Engeland te willen vertrekken. De beroepsgrond slaagt niet.

Voortvarend handelen

5. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Verweerder verricht namelijk enkel standaardmatige uitzettingshandelingen.

Uit het dossier komt naar voren dat verweerder in de te toetsen periode op 8 september 2026 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Egyptische autoriteiten in verband met de lp-aanvraag en op 18 september 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee, mede in aanmerking genomen dat hij grotendeels afhankelijk is van de Egyptische autoriteiten en van eiser geen medewerking krijgt, in de te toetsen periode voldoende voortvarend heeft gewerkt aan eisers uitzetting naar Egypte. Bovendien heeft verweerder, zoals reeds in rechtsoverweging 4.1. is overwogen, op 24 september 2026 bij de Egyptische vertegenwoordiger aandacht gevraagd voor eisers zaak. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

6. Eiser betoogt dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Daartoe voert eiser aan dat hij, naast mentale en andere fysieke problemen, ook meerdere hagelkogeltjes in zijn lichaam heeft zitten. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser ook zijn medisch dossier overgelegd. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder een actuele beoordeling van het onderduikrisico had moeten maken.

De rechtbank stelt voorop dat in de uitspraak van 29 juli 2026 (in de zaak NL26.39290), rechtsoverweging 8.2., is geoordeeld dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien voor het toepassen van een lichter middel. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er zich in de te toetsen periode gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan die aanleiding geven voor het oordeel dat er geen risico op onttrekking aan het toezicht meer bestaat. Anders dan eiser betoogt, ligt het op zijn weg (en dus niet op die van verweerder) om aannemelijk te maken dat daar geen sprake meer van is. Verder overweegt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de maatregel in de te toetsen periode onevenredig bezwarend is geworden. Het door eiser overgelegde medisch dossier dateert van 17 juli 2026 en daarmee van vóór de te toetsen periode. De beroepsgrond slaagt niet.

Slotsom beroepsgronden

7. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiser niet leiden tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode (27 augustus 2026 tot 29 september 2026) op enig moment onrechtmatig is geweest.

Ambtshalve toetsing

8. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank, ambtshalve toetsend op basis van de informatie in het dossier, niet gebleken.

Conclusie

9. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is gezien het voorgaande ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.A. Bouter - Rijksen

Griffier

  • mr. D.M. Abrahams

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand