RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51116
(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en
(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).
Procesverloop
Bij besluit van 15 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Eiser is zonder voorafgaand bericht niet ter zitting verschenen.
Overwegingen
4. Eiser voert in beroep het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte het asielrelaas ongeloofwaardig geacht. Uit het bestreden besluit blijkt dat eiser en zijn gemachtigde de tegenwerpingen vaak niet goed hebben begrepen. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eisers verklaringen over de erfenis ongeloofwaardig zijn en dat in Gambia erfenissen standaard volgens de Sharia-wetgeving worden verdeeld. Verweerder stelt ten onrechte dat eiser ongerijmd verklaart in de zienswijze ten opzichte van het nader gehoor over het als oudste zoon moeten delen van de erfenis met zijn broers en zussen en het opstellen van een testament. Dat verweerder denkt dat het erfrecht uitsluitend op de Sharia is gebaseerd, sluit niet uit dat er kennelijk andere mogelijkheden bestaan om een erfenis te regelen. Verweerder stelt verder ten onrechte dat eisers verklaringen onduidelijk zijn en dat eiser summier verklaart over de voodoo. Eiser heeft hier voorbeelden van gegeven. Indien de hoormedewerker dit onvoldoende vond, lag het op diens weg om hierover door te vragen. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met eisers referentiekader en de aspecten die hierbij een rol kunnen spelen onvoldoende kenbaar betrokken. Verweerder gaat er tot slot ten onrechte van uit dat voor eiser adequate opvang beschikbaar is in Gambia in de vorm van weeshuizen. Van verweerder mag worden verwacht dat hij meer concrete informatie geeft over of er voor eiser feitelijk opvangplekken beschikbaar zijn in de genoemde weeshuizen en of dit is onderzocht. Te meer omdat uit de door eiser in de zienswijze aangehaalde rapporten volgt dat in [plaats] maximaal 50 jongeren worden opgevangen en in de SOS kinderdorpen 11 family houses aanwezig zijn waar zes tot acht jongeren verblijven. Verweerder heeft de zienswijze op dit punt onvoldoende betrokken in zijn besluitvorming. De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Anders dan eiser aanvoert heeft verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd tegengeworpen dat eiser heeft verklaard dat het traditie is dat hij als oudste zoon als enige recht heeft op de erfenis van zijn vader, terwijl uit openbare bronnen blijkt dat de erfenis in Gambia wordt verdeeld volgens de Shariawetgeving. Daarbij heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser niet eerder dan in de zienswijze heeft verklaard dat hij de erfenis met zijn broers en zussen moet delen. Deze verklaringen heeft verweerder ongerijmd kunnen vinden, omdat eisers gestelde vrees voor zijn stiefmoeder gebaseerd is op zijn enige recht op de erfenis van zijn vader. Ook heeft verweerder het ongerijmd kunnen vinden dat eiser heeft verklaard niet te weten of zijn vader een overlijdenstestament heeft opgesteld, terwijl hij ook heeft verklaard dat de erfenis niet volgens de Shariawetgeving zal worden verdeeld. Verweerder stelt in dit kader niet ten onrechte dat eiser onduidelijk verklaart waarop hij baseert dat alleen hij recht heeft op de erfenis van zijn vader. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hij als enige erft wat zijn vader heeft nagelaten, maar hierin is hij niet geslaagd.
6. Verweerder stelt terecht dat het aan eiser is om de gestelde voodoopraktijken van zijn stiefmoeder nader te motiveren. Verweerder heeft eisers verklaringen op dit punt oppervlakkig kunnen vinden en stelt terecht dat zijn verklaringen gebaseerd zijn op niet nader onderbouwde veronderstellingen. Verweerder stelt niet ten onrechte dat eiser niet concreet heeft kunnen maken dat daadwerkelijk sprake was van een poging tot vergiftiging door zijn stiefmoeder. Ook met eisers verwijzing naar het christelijke geloof en het heersende gevoel van angst heeft hij onvoldoende gemotiveerd waarom zijn verklaringen ten onrechte als oppervlakkig zijn aangemerkt.
7. Verweerder heeft voldoende kenbaar rekening gehouden met het referentiekader van eiser. De rechtbank merkt op dat deze beroepsgrond een herhaling is van de zienswijze, waarop door verweerder in het bestreden besluit al voldoende is gereageerd. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat, gelet op eisers referentiekader en het feit dat hij vier jaar opleiding heeft genoten, mag worden verwacht dat hij in hoofdlijnen consistent verklaart over zijn asielmotieven omdat dit de kern van zijn asielrelaas betreft. Niet is gebleken dat eiser daartoe onvoldoende in staat is. Anders dan eiser ter zitting stelt, blijkt uit het gehoor niet dat verweerder ondanks eisers minderjarigheid onvoldoende heeft doorgevraagd. Eiser is tijdens het gehoor voldoende in de gelegenheid gesteld om te verklaren over zijn asielrelaas. Daarbij is door verweerder veelvuldig doorgevraagd door middel van open vragen, verificatievragen, verduidelijkingsvragen en vragen naar voorbeelden. Ook zijn onduidelijkheden in eisers verklaringen tijdens het gehoor aan hem tegengeworpen.
8. Verweerder heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat voor eiser adequate opvang in Gambia aanwezig is in de vorm van weeshuizen. Eiser is er niet in geslaagd aannemelijk te maken waarom dit in zijn geval niet zo is. Voor zover eiser aanvoert dat verweerder nader dient te onderzoeken of de weeshuizen voldoende opvangplekken beschikbaar hebben, heeft verweerder ter zitting voldoende gemotiveerd toegelicht dat DT&V de feitelijke uitzetting van eiser regelt en ook onderzoek doet naar de feitelijke toegankelijkheid van de weeshuizen. Dit acht de rechtbank niet onredelijk.
Conclusie en gevolgen
9. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
10. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 2 oktober 2026 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.