RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.57044
(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 7 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft op 25 september 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft op 25 september 2026 beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring tot aan de opheffing. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 1 oktober 2026 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.
Overwegingen
Inleiding
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 7 september 2026 (in de zaak NL26.48914) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 1 september 2026.
3. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt gezien het voorgaande dus van 1 september 2026 tot 25 september 2026.
Zicht op uitzetting
4. Eiser betoogt dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije al voor de opheffing van de bewaring op 25 september 2026 was komen te ontbreken. Daartoe voert eiser aan dat de omstandigheden op grond waarvan verweerder de bewaring had opgeheven ook al eerder aanwezig waren. Daarnaast is van belang dat eiser voldoende heeft meegewerkt aan zijn uitzetting.
De rechtbank stelt voorop dat deze grond eerder is aangevoerd in het beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van 7 september 2026. De rechtbank verwijst in dit verband dan ook allereerst naar de rechtsoverwegingen 3.1. en 3.2. van die uitspraak. De rechtbank ziet daarnaast ook nu geen grond voor het oordeel dat het zicht op uitzetting in de toetsen periode is komen te ontbreken. Uit de voortgangsrapportage van 25 september 2026 volgt dat eiser op 24 september 2026 is gepresenteerd aan de vertegenwoordiging van Algerije en dat de consul toen om toezending van de NIST-files heeft verzocht. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten kenbaar hebben gemaakt geen lp te zullen verstrekken ten behoeve van eisers uitzetting. Ook is niet gebleken dat de Libische autoriteiten geen lp aan eiser zullen verstrekken. De rechtbank betrekt daarnaast dat op eiser de plicht rust om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Uit het rechtbankdossier blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat eiser weliswaar heeft meegewerkt aan zijn presentatie bij de Algerijnse vertegenwoordiging, maar voor het overige aan zijn verplichting mee te werken onvoldoende invulling heeft gegeven. Eiser heeft tot op heden onvoldoende documenten overgelegd of anderszins actie ondernomen om zijn identiteit en nationaliteit vast te stellen. De rechtbank merkt tot slot nog op dat het feit dat de maatregel van bewaring na een belangenafweging op 25 september 2026 is opgeheven, niet maakt dat zicht op uitzetting in de toetsen periode is komen te ontbreken. De beroepsgrond slaagt niet.
Slotsom beroepsgronden
5. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiser niet leiden tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode (1 september 2026 tot 25 september 2026) op enig moment onrechtmatig is geweest.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank, ambtshalve toetsend op basis van de informatie in het dossier, niet gebleken.
Conclusie
7. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is gezien het voorgaande ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.