ECLI:NL:RBDHA:2026:29456

ECLI:NL:RBDHA:2026:29456

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-10-2026
Datum publicatie 05-10-2026
Zaaknummer NL26.56850
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

59-1-a, op de zitting meerdere gronden laten vallen, voortraject niet bestreden, meerdere malen MOB, asielaanvraag ingetrokken, geen vrees bij terugkeer, geen aanleiding voor een lichter middel, voldoende voortvarend handelen, zicht op uitzetting ontbreekt niet, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.56850

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. M.M. Polman),

en

(gemachtigde: mr. L. Ploeger).

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 24 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen op de rechtbank in Groningen. Ook is er een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. De minister kan, als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in bewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. De vreemdeling kan in bewaring worden gesteld omdat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;

o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;

r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

De minister heeft op de zitting de gronden o, q en s laten vallen.

De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.

Voortraject

5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.

Grondslag

6. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Eiser heeft op 27 november 2022 asiel aangevraagd en deze is bij beschikking van 25 april 2023 niet in behandeling genomen, in het kader van de Dublinverordening. Op 21 november 2023 is de asielaanvraag van eiser opgenomen in de nationale asielprocedure en inhoudelijk beoordeeld. Deze aanvraag is op 6 december 2023 als kennelijk ongegrond afgewezen en aan eiser is een terugkeerbesluit Algerije en inreisverbod voor twee jaar opgelegd. Op 1 september 2026 heeft eiser opnieuw asiel aangevraagd en bij beschikking van 4 september 2026 is deze aanvraag als niet-ontvankelijk afgewezen. Op 16 september 2026 heeft eiser vanuit bewaring opnieuw asiel aangevraagd, deze aanvraag is vervolgens op 21 september 2026 door eiser ingetrokken en op 24 september 2026 is de maatregel van bewaring omgezet naar artikel 59, eerste lid en aanhef onder a Vw aan eiser opgelegd. Eiser dient Nederland onmiddellijk te verlaten. Eiser valt onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De grondslag is juist.

Gronden

7. De rechtbank is van oordeel dat de gronden aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang gezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Daarmee is er voldoende reden om aan te nemen dat er een onderduikrisico bestaat.

Eiser beschikt niet over een paspoort, geldig visum of verblijfsvergunning en heeft daarom niet aannemelijk kunnen maken dat hij via de voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen (grond a). Dat eiser stelt dat de motivering hieromtrent te algemeen zou zijn, wordt niet gevolgd. Eiser heeft hierover in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard, nooit in het bezit te zijn geweest van identificerende documenten en zonder documenten naar Europa en Nederland te zijn gereisd. Bovendien mag de minister volstaan met de feitelijke juistheid van deze grond. Grond b is feitelijk juist. Eiser heeft op 6 december 2023 een kennelijk ongegrond beschikking met terugkeerbesluit Algerije ontvangen en op 4 september 2026 heeft eiser een niet-ontvankelijk beschikking ontvangen. Op 21 september 2026 heeft eiser zijn ingediende asielaanvraag ingetrokken. Het terugkeerbesluit van 6 december 2023 is van kracht, eiser dient Nederland onmiddellijk te verlaten. Grond c is feitelijk juist. Eiser is tot op heden niet in het bezit van identificerende documenten en heeft verklaard nooit actie te hebben ondernomen om alsnog in het bezit te raken van documenten. Grond h is feitelijk juist, eiser heeft verklaard niet te willen terugkeren en daarnaast blijkt uit zijn handelen, nalaten en het meermaals met onbekende bestemming vertrekken, het frustreren van zijn uitzettings- en vertrekprocedure. Eiser heeft op 6 december 2023 een kennelijk ongegrond beschikking ontvangen en op 4 september 2026 een niet-ontvankelijk beschikking ontvangen en dient Nederland onmiddellijk te verlaten (grond j). Ook heeft eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard over onvoldoende middelen van bestaan te beschikken (grond r), deze grond is ook feitelijk juist en de minister heeft voor deze grond ook het bestaan van een onderduikrisico nader gemotiveerd.

Lichter middel

8. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven. Dat eiser stelt nu te willen meewerken en zelfstandig zal vertrekken, maakt dit niet anders. Eiser is immers meerdere malen met onbekende bestemming vertrokken, heeft meerdere aanvragen ingediend die niet hebben geleid tot verblijfsaanvaarding in Nederland en daarnaast heeft eiser zijn laatste asielaanvraag ingetrokken, waarbij heeft hij verklaard niets te vrezen bij terugkeer naar Algerije. Ook heeft eiser meermaals aangegeven niet te willen meewerken aan terugkeer en ter volledigheid wordt opgemerkt dat eiser zijn stellingen dat hij wil meewerken aan terugkeer, niet nader onderbouwd met eventuele acties. Eiser heeft hij tijdens het gehoor van 24 september 2026, tijdens de omzetting in verband met de ingetrokkene asielaanvraag, verklaard zijn asielaanvraag te hebben ingetrokken, omdat er niets is veranderd in zijn situatie en dat de aanvraag niet goedgekeurd zal worden. Ook heeft eiser tot tweemaal toe verklaard, dat er niets zal gebeuren bij terugkeer naar Algerije en dat hij niet vermoord zal worden zoals hij eerder zou hebben beweerd. Met vorenstaande acties en handelingen, geeft eiser geen blijk van het enige medewerking, noch het bespoedigen van zijn vertrek- en/of uitzettingsprocedure Hiernaast valt hieruit op te maken dat eerder opgelegde lichtere middelen niet hebben geleid tot het vertrek van eiser en dat de aangevoerde stellingen onvoldoende zijn voor het oordeel dat nu had moeten worden volstaan met een lichter middel.

9. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de medische omstandigheden van eiser, dat hij af en toe last heeft van zijn rug en hiervoor zelf medicatie inneemt, voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel. De minister heeft eiser gewezen op de beschikbare medische faciliteiten en voorzieningen binnen het detentie- en uitzetcentrum. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen deze centra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Bovendien heeft eiser zijn stellingen niet nader onderbouwd met documenten.

10. Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Dat eiser stelt mee te willen werken is onvoldoende om de maatregel van bewaring op te heffen.

Voortvarend handelen

11. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Op 28 september 2026 heeft er een vertrekgesprek plaatsgevonden. Op 14 september 2026 was er reeds een lp-aanvraag opgestart, deze aanvraag liep nog en op 30 september 2026 is hierop gerappelleerd. Ook is er tijdens de zitting toegelicht, dat er een presentatie gepland wordt voor eiser, de datum hiervoor is nog niet bekend.

Zicht op uitzetting

12. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen laissez-passer voor eiser te zullen verstrekken.

Conclusie en gevolgen

13. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.

14. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van

E.S. Tiggelaar, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S. Ketelaars - Mast

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand