ECLI:NL:RBDHA:2026:29460

ECLI:NL:RBDHA:2026:29460

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 06-10-2026
Datum publicatie 06-10-2026
Zaaknummer 09/290719-21
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Vrijspraak voor het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Veroordeling voor (de eendaadse samenloop van) het medeplegen van afpersing en een poging tot afpersing. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 250 dagen, met aftrek van de tijd reeds in voorarrest doorgebracht. Overschrijding redelijke termijn. Benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering. Beslissingen t.a.v. beslag: verbeurdverklaring van inbeslaggenomen voorwerpen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/290719-21

Datum uitspraak: 6 oktober 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 24 januari 2022, 11 april 2022, 22 september 2025 (pro-forma) en 22 september 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D. Kortekaas en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R.E. Drenth naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 22 september 2025. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Kort samengevat wordt de verdachte verweten dat hij op of omstreeks 23 oktober 2021, al dan niet samen met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] :

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het onder de feiten 2 en 3 tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

Vrijspraak van feit 1

Uit het dossier volgen onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat de aangever (hierna: [aangever] ) wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd en/of beroofd is gehouden. Niet kan worden vastgesteld dat [aangever] tegen zijn wil in de auto werd vastgehouden en dat hij de auto niet uit kon. Evenmin is gebleken dat [aangever] op momenten dat hij zich buiten de auto bevond, niet de mogelijkheid had om weg te gaan. Naast de verklaringen van [aangever] bevinden zich in het dossier geen bewijsmiddelen die dit ondersteunen.

De rechtbank is met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft hierna in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Bewijsoverwegingen

Betrouwbaarheid verklaringen

Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de aangifte en verklaringen van de aangever acht de rechtbank van belang in hoeverre de verklaringen in de kern consistent zijn gebleven en of er steun gevonden kan worden in andere bewijsmiddelen. Het is daarbij niet vereist dat ieder onderdeel van de verklaring afzonderlijk steun vindt in ander bewijs. Beslissend is of zijn verklaringen, in samenhang bezien met het overige bewijs, voldoende betrouwbaar zijn.

Uit het dossier blijkt dat de aangever op verschillende momenten wisselend heeft verklaard en dat er op onderdelen van zijn verklaringen sprake is van onjuistheden. Echter, op meerdere punten vinden zijn verklaringen steun in ander bewijsmateriaal. Zo zijn er op de telefoon van de verdachte dreigende berichten gevonden die aan aangever gericht waren en blijkt uit de historische gegevens van de telefoon van de verdachte en uit camerabeelden dat de verdachten reisbewegingen hebben gemaakt die overeenkomen met de verklaringen van de aangever. Ook bevestigen de verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachten een groot gedeelte van de gebeurtenissen zoals die door de aangever zijn verklaard.

De rechtbank zal de verklaringen van de aangever daarom niet geheel terzijde schuiven, en met behoedzaamheid die onderdelen voor het bewijs gebruiken die zij, gelet op de inhoud van de verklaringen en het steunbewijs, betrouwbaar acht.

Ten aanzien van de verklaringen van de getuige [getuige] (hierna: [getuige] ) overweegt de rechtbank dat de betrouwbaarheid daarvan niet kan worden vastgesteld. [getuige] heeft bij zijn tweede politieverhoor verklaard dat hij zijn eerdere verklaring onder druk van [aangever] heeft afgelegd en dat die verklaring onwaarheden bevat. Nu de rechtbank niet op grond van andere bewijsmiddelen met voldoende zekerheid kan vaststellen welke onderdelen van de verklaringen betrouwbaar zijn, zal zij deze verklaringen in hun geheel van het bewijs uitsluiten.

Feitencomplex

Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.

[verdachte] (hierna: [verdachte] ) heeft op 21 oktober 2021 het aankoopbedrag voor een grijze Peugeot voldaan, een auto waarvan het kenteken op diezelfde dag op naam van [aangever] is gezet. Op 23 oktober 2021 heeft [verdachte] geprobeerd contact met [aangever] op te nemen. Dit deed hij door bedreigende berichten naar de telefoon van [aangever] te sturen. Uit locatiegegevens blijkt dat [verdachte] later die dag samen met de medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [getuige] was. [getuige] moest [aangever] bellen om een plek af te spreken waar [getuige] hem zou ontmoeten.

[verdachte] , [medeverdachte 1] , [getuige] en [medeverdachte 2] zijn in een auto van [verdachte] naar Den Haag gereden waarna [verdachte] , [medeverdachte 1] en [getuige] met een taxi verder naar de Laakkade in Den Haag zijn gegaan, waar [aangever] zich op dat moment bevond. Eenmaal daar is [verdachte] als eerste bij [aangever] in de auto gestapt en heeft hij [aangever] dwingend gevraagd om betaling van de aankoopprijs van de auto. [aangever] is daarbij door [verdachte] in het gezicht geslagen. Ook de andere twee mannen zijn bij [aangever] in de auto gestapt. [aangever] moest op de bijrijdersstoel gaan zitten en [verdachte] is gaan rijden. [medeverdachte 1] en [getuige] zaten achterin. Tijdens die rit heeft [medeverdachte 1] [aangever] bij zijn jas vastgepakt en getrokken.

Na aankomst in Leiden zijn [medeverdachte 1] en [getuige] uitgestapt bij het Vossiusplein en weggegaan. [medeverdachte 2] heeft zich daar weer bij [verdachte] en [aangever] gevoegd, waarna zij naar de [straatnaam] in Leiden zijn gereden. [aangever] en [verdachte] zijn daar een woning binnengegaan. [aangever] heeft gedurende het incident meerdere malen zijn moeder, broertje en zus gebeld met de vraag of zij geld en autopapieren van de grijze Peugeot voor hem konden regelen. Na enige tijd zijn [medeverdachte 2] en [aangever] samen vanaf de [straatnaam] weggereden. Tijdens de autorit vanaf de [straatnaam] heeft [aangever] opnieuw telefonisch contact met zijn broertje opgenomen met het verzoek de autopapieren te brengen. [medeverdachte 2] is vervolgens, terwijl het met [aangever] in de auto kwam aanrijden op de woning van de moeder van [aangever] , door de politie aangehouden.

Later die avond hebben [verdachte] en [medeverdachte 1] contact opgenomen met de moeder van [aangever] en zijn zij naar haar straat gereden om de autopapieren op te halen bij haar.

De volgende dag, op 24 oktober 2021, hebben [verdachte] en [medeverdachte 1] opnieuw contact opgenomen met de moeder van [aangever] om haar te vragen naar de locatie van de auto en de afgifte van de autosleutels. [verdachte] is aangehouden terwijl hij liep naar de Peugeot waarvan volgens de informatie die hij kreeg van de moeder van [aangever] , de sleutels op het wiel zouden liggen. De afgegeven autopapieren zijn bij [medeverdachte 1] aangetroffen.

Feit 2 (afpersing)

Voor een bewezenverklaring van afpersing dient komen vast te staan dat de verdachte iemand wilde dwingen tot de afgifte van een goed, en dat de verdachte eveneens opzet had op het geweld of de bedreiging met geweld. Voor bedreiging met geweld is het oproepen van een dreigende sfeer voldoende.

[aangever] is onder het voorwendsel van een afspraak met alleen [getuige] onverwacht geconfronteerd met twee andere personen, [verdachte] en [medeverdachte 1] . [verdachte] had die dag meerdere bedreigende berichten aan [aangever] gestuurd, waaronder: ‘Nu gaan we zien. Wie man is’, ‘Laatste kans om te praten’ en ‘Er is geen gepraat meer maar verminken’. Tijdens de confrontatie heeft [verdachte] duidelijk gemaakt dat hij zijn geld of de auto terug wilde en dat hij daartoe de autopapieren en autosleutel van [aangever] wilde verkrijgen. De confrontatie is vervolgens gepaard gegaan met geweld. [verdachte] heeft [aangever] in het gezicht geslagen en [medeverdachte 1] heeft hem aan zijn jas getrokken. [aangever] heeft daarop meerdere malen zijn broertje, zus en moeder gebeld met de vraag of zij het geld en de autopapieren konden regelen.

Dat [verdachte] meende recht te hebben op het geld of de auto, maakt niet dat hij dit met bedreiging en geweld mocht afdwingen. De combinatie van de bedreigende berichten, de onverwachte confrontatie met [verdachte] en [medeverdachte 1] , twee volwassen mannen die aanzienlijk ouder waren dan [aangever] zelf, het betrekken van [aangever] familie en het toegepaste geweld hebben geleid tot afgifte van de autopapieren door [aangever] . Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verdachten daarmee hun vermeende recht op de auto van [aangever] op een zodanige manier afgedwongen dat er sprake is van het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen.

Feit 3 (poging afpersing)

Ten aanzien van de autosleutels overweegt de rechtbank dat, zoals hiervoor onder feit 2 is overwogen, sprake was van afpersingshandelingen. De rechtbank stelt vast dat [verdachte] en [medeverdachte 1] na het verkrijgen van de autopapieren, opnieuw contact hebben gezocht met de moeder van [aangever] en haar hebben gezegd ook de autosleutels af te geven. Deze zijn niet in het bezit van de verdachten gekomen. De rechtbank acht daarom een poging tot afpersing van de autosleutels bewezen.

Medeplegen

Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

De rechtbank is van oordeel dat een groot deel van de handelingen jegens [aangever] door [verdachte] en [medeverdachte 1] gezamenlijk zijn uitgevoerd. Zij waren beiden betrokken bij het tot stand brengen van het contact met [aangever] en waren samen aanwezig bij de confrontatie in de auto. Daar hebben zij allebei een vorm van geweld toegepast. Vervolgens hebben zij gezamenlijk contact gezocht met de moeder van [aangever] en zijn zij samen naar haar toe gereden om de autopapieren te verkrijgen. Ook hebben zij beiden opnieuw contact met haar gezocht om de autosleutels te verkrijgen. Dat hun aandeel in het geweld niet hetzelfde was en dat [medeverdachte 1] niet de gehele periode van het incident aanwezig is geweest, staat aan medeplegen niet in de weg. Hun gedragingen vormen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, een bijdrage van voldoende gewicht aan de uitvoering van de afpersing en de poging daartoe. De rechtbank acht daarom het medeplegen bewezen.

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

2hij omstreeks 23 oktober 2021 te Leiden en ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van autopapieren die geheel of ten dele aan die [aangever] , in elk geval aan die [aangever] en of een derde toebehoorden door:- bedreigende en dreigende berichten te sturen naar die [aangever] ,- dreigend bij die [aangever] in zijn auto te stappen en aan zijn jas te trekken en die [aangever] met deze auto naar een woning/pand in Leiden over te brengen,- in het gezicht van die [aangever] te slaan,- die [aangever] opdracht te geven zijn moeder, broertje en zusje te bellen met de vraag of zij geld, autosleutels en autopapieren konden brengen en wilden afgeven aan verdachte en/of zijn mededaders,- die autopapieren (op een afgesproken locatie) op te halen bij de moeder van die [aangever] ;

3hij omstreeks 23 oktober 2021 te Leiden en ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [aangever] te dwingen tot de afgifte van autosleutels die geheel of ten dele aan die [aangever] , in elk geval aan die [aangever] en/of een derde toebehoorden- dreigend bij die [aangever] in zijn auto is gestapt en aan zijn jas heeft getrokken, en die [aangever] met deze auto naar een woning/pand in Leiden over heeft gebracht,- in het gezicht van die [aangever] heeft geslagen,- die [aangever] opdracht heeft gegeven zijn moeder, broertje en zusje te bellen met de vraag of zij geld en/of autopapieren konden brengen,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte, rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft daarnaast een werkstraf, bestaande uit een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om de verdachte vrij te spreken van alle ten laste gelegde feiten. Indien de rechtbank van oordeel is dat toch een straf opgelegd dient te worden, heeft de raadsman verzocht een voorwaardelijke straf aan de verdachte op te leggen. Voorts heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en zijn persoonlijke omstandigheden.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van afpersing en een poging daartoe. Daarbij is het slachtoffer gedurende langere tijd bedreigd en is er geweld toegepast. Op die manier is het slachtoffer gedwongen zijn autopapieren af te geven en is gepoogd de autosleutels te verkrijgen. Hiermee hebben de verdachte en de medeverdachte gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. Dat zij ook zijn familie hierbij hebben betrokken, rekent de rechtbank hem aan.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 5 augustus 2026 waaruit blijkt dat de verdachte voor het laatst in 2013 is veroordeeld wegens een misdrijf. De rechtbank weegt het strafblad van de verdachte niet in het voordeel of in het nadeel van de verdachte mee bij de strafoplegging.

Persoon van de verdachte

De rechtbank constateert dat de verdachte sinds zijn voorarrest een positieve invulling aan zijn leven lijkt te geven op het gebied van opleiding en werk. Verder is sprake van een jong gezin. De rechtbank zal deze omstandigheden in het voordeel van de verdachte meewegen.

Redelijke termijn

De redelijke termijn waarbinnen een strafzaak moet zijn afgedaan is 24 maanden. In deze zaak is die termijn aangevangen op 24 oktober 2021, de dag dat de verdachte is aangehouden en in verzekering is gesteld, omdat de verdachte vanaf dat moment in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. De termijn tussen de inverzekeringstelling en dit eindvonnis is bijna vijf jaar. Daarmee is de redelijke termijn in ernstige mate, te weten met bijna drie jaar overschreden. Hoewel een deel daarvan is te wijten aan de verdediging, zal de rechtbank hier in strafverlagende zin rekening mee houden.

Gelet op de aard en de ernst van de feiten, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank komt in beginsel uit op een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden. Gelet op de forse termijnoverschrijding zal de rechtbank een strafkorting toepassen van 20 dagen. Alles afwegende, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 250 dagen passend en geboden. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel en een taakstraf geen aanleiding.

7. De vordering van de benadeelde partij

[aangever] , ter terechtzitting bijgestaan door mr. D.M.P. van Eijsden, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 3.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel dient te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen wegens de bepleitte vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij heeft in beginsel gesteld dat de psychische schade niet nader onderbouwd hoeft te worden omdat de aard en de ernst van de normschending van wederrechtelijke vrijheidsberoving met zich meebrengen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Voor nadere onderbouwing van de schade, heeft de benadeelde partij een ‘sociaal onderzoeksrapport’ overgelegd. De verdediging betwist dit rapport omdat onduidelijk is hoe dit rapport tot stand is gekomen en de deskundigheid van de beoordelaar niet is vast te stellen. Het rapport is opgesteld door een psychologisch adviseur waarvan onduidelijk is of zij het onderzoek zelf heeft uitgevoerd en voorts kan haar deskundigheid niet aan Nederlandse medische maatstaven zoals opname in een BIG-registratie worden getoetst. Het rapport bevat inhoudelijk een uitgebreid beeld over de levensloop van de benadeelde partij maar bevat geen concrete informatie over psychische schade die hij heeft geleden ten gevolge van de bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De verdachte wordt vrijgesproken van de wederrechtelijke vrijheidsberoving. De immateriële schade als gevolgen van de (poging tot) afpersing is namens de verdachte gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De rechtbank kan op basis van de overgelegde stukken ter onderbouwing van de vordering onvoldoende vaststellen of en welke psychische schade door de bewezen verklaarde feiten is ontstaan. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Proceskostenveroordeling benadeelde partij

Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

8. De inbeslaggenomen voorwerpen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de op de beslaglijst genoemde telefoons verbeurd te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich ten aanzien van de eventuele verbeurdverklaring van de telefoons aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 en 2 genoemde voorwerpen, verbeurd verklaren. Deze voorwerpen betreffen de telefoons waarmee contact is gelegd met het slachtoffer en zijn moeder. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en met behulp van deze voorwerpen de bewezen verklaarde feiten zijn begaan en gefaciliteerd.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 33, 33a, 45, 47, 55, 317 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van de feiten 2 en 3:

de eendaadse samenloop van:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

en

poging tot afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 250 (tweehonderdvijftig) DAGEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

De vordering van de benadeelde partij

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

De inbeslaggenomen goederen

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1 en 2 genoemde voorwerpen, te weten:

Dit vonnis is gewezen door

mr. drs. H.M. Braam, voorzitter,

mr. M. Diepenhorst, rechter,

mr. J. Herfkens, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.V. Sagarajah, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 oktober 2026.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

1hij, op of omstreeks 23 oktober 2021 te Leiden en/of ’s-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [aangever] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door:- die [aangever] opdracht te geven naar een locatie te rijden en/of die [aangever] door een ander naar een opgegeven locatie te laten brengen,- die [aangever] aldaar (terwijl hij in de auto zat) met kracht aan zijn capuchon, althans jas, te trekken en/of meermalen in het gezicht, althans tegen het lichaam te slaan,- (vervolgens) die [aangever] naar de bijrijderskant van zijn auto te duwen/bewegen en/of die [aangever] (op dreigende wijze) opdracht te geven plaats te nemen aan de bijrijderskant van zijn auto,- die [aangever] met deze auto en met afgesloten deuren naar een woning/pand aan de [straatnaam] in Leiden over te brengen en/of die [aangever] daarbij meermalen te slaan tegen het hoofd, althans lichaam en/of- die [aangever] in deze woning/dit pand aan de [straatnaam] :* meermalen in het gezicht, althans tegen het lichaam, te slaan,* brandende sigaretten in de nek en/of tegen het hoofd, althans op het lichaam, uit te drukken,* sleutels, althans een scherp voorwerp, in het gezicht, althans tegen het hoofd, te duwen en (daarbij) de woorden toe te voegen “Ik ga een litteken maken in je gezicht zodat je niet meer kunt trouwen”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking,* (heet) water over het lichaam te gooien, en/of* met een blikje bier, althans een voorwerp, op het hoofd te slaan;

2hij op of omstreeks 23 oktober 2021 te Leiden en/of ’s-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van autopapieren en/of autosleutel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] , in elk geval aan die [aangever] en of een derde toebehoorde(n) door:- bedreigende en/of dreigende berichten te sturen naar die [aangever] ,- dreigend bij die [aangever] in zijn auto te stappen en aan zijn capuchon, althans zijn jas, te trekken en/of die [aangever] met deze auto naar een woning/pand in Leiden over te brengen,- meermalen in het gezicht, althans tegen het lichaam, van die [aangever] te slaan,- die [aangever] opdracht te geven zijn moeder, broertje en/of zusje te bellen met de vraag of zij geld, autosleutels en/of autopapieren konden brengen naar verdachte en/of zijn mededaders en/of wilden afgeven aan verdachte en/of zijn mededaders,- sleutels, althans een scherp voorwerp, in het gezicht, althans regen het hoofd, van die [aangever] te duwen en (daarbij) die [aangever] de woorden toe te voegen "Ik ga een litteken maken in je gezicht zodat je nier meer kunt trouwen", althans woorden van gelijke aard en/of strekking.- die autopapieren en/of autosleutels (op een afgesproken locatie) op te halen hij de moeder en/of de broer van die [aangever] ;

3hij, op of omstreeks 23 oktober 2021 te Leiden en/of ’s-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] te dwingen tot de afgifte van geld en/of autosleutels, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] , in elk geval aan die [aangever] en/of een derde toebehoorde(n)- dreigend bij die [aangever] in zijn auto is gestapt en aan zijn capuchon, althans zijn jas, heeft getrokken, en/of die [aangever] met deze auto naar een woning/pand in Leiden over heeft gebracht,- meermalen in het gezicht, althans tegen het lichaam van die [aangever] heeft geslagen,- die [aangever] opdracht heeft gegeven zijn moeder, broertje en/of zusje te bellen met de vraag of zij geld en/of autopapieren konden brengen,- brandende sigaretten in de nek, althans op het lichaam, van die [aangever] heeft uitgedrukt,- sleutels, althans een scherp voorwerp, in het gezicht, althans tegen het hoofd, van die [aangever] heeft geduwd en daarbij de woorden heeft gevoegd “Ik ga een litteken maken in je gezicht zodat je niet meer kunt trouwen”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking,- (heet) water over het lichaam van die [aangever] heeft gegooid, en/of - met een blikje bier, althans een voorwerp, op het hoofd, althans tegen het lichaam, van die [aangever] heeft geslagenterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand