Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/290732-21 en 96/279573-20 (tul)
Datum uitspraak: 6 oktober 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 24 januari 2022, 11 april 2022, 22 september 2025 (pro-forma) en 22 september 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D. Kortekaas en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J.J.J. Zwaan naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 22 september 2025. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
Kort samengevat wordt de verdachte verweten dat hij op of omstreeks 23 oktober 2021, al dan niet samen met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] :
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het onder de feiten 2 en 3 tenlastegelegde. De officier van justitie heeft ten aanzien van de feiten 2 en 3 gevorderd dat de verdachte, rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft daarnaast een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten.
Vrijspraak
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten niet wettig en overtuigend zijn bewezen.
Feitencomplex
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.
[medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) heeft op 21 oktober 2021 het aankoopbedrag voor een grijze Peugeot voldaan, een auto waarvan het kenteken op diezelfde dag op naam van de aangever (hierna: [aangever] ) is gezet. Op 23 oktober 2021 heeft [medeverdachte 2] geprobeerd contact met [aangever] op te nemen. Dit deed hij door bedreigende berichten naar de telefoon van [aangever] te sturen. Uit locatiegegevens blijkt dat [medeverdachte 2] later die dag samen met de medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [verdachte] (hierna: [verdachte] ) en [naam] was. [naam] moest [aangever] bellen om een plek af te spreken waar [naam] hem zou ontmoeten.
[medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [naam] en [verdachte] zijn in een auto van [medeverdachte 2] naar Den Haag gereden waarna [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [naam] met een taxi verder naar de Laakkade in Den Haag zijn gegaan, waar [aangever] zich op dat moment bevond. Eenmaal daar is [medeverdachte 2] als eerste bij [aangever] in de auto gestapt en heeft hij [aangever] dwingend gevraagd om betaling van de aankoopprijs van de auto. [aangever] is daarbij door [medeverdachte 2] in het gezicht geslagen. Ook de andere twee mannen zijn bij [aangever] in de auto gestapt. [aangever] moest op de bijrijdersstoel gaan zitten en [medeverdachte 2] is gaan rijden. [medeverdachte 1] en [naam] zaten achterin. Tijdens die rit heeft [medeverdachte 1] [aangever] bij zijn jas vastgepakt en getrokken.
Na aankomst in Leiden zijn [medeverdachte 1] en [naam] uitgestapt bij het Vossiusplein en weggegaan. [verdachte] heeft zich daar weer bij [medeverdachte 2] en [aangever] gevoegd, waarna zij naar de [straatnaam] in Leiden zijn gereden. [aangever] en [medeverdachte 2] zijn daar een woning binnengegaan. [aangever] heeft gedurende het incident meerdere malen zijn moeder, broertje en zus gebeld met de vraag of zij geld en autopapieren van de grijze Peugeot voor hem konden regelen. Na enige tijd zijn [verdachte] en [aangever] samen vanaf de [straatnaam] weggereden. Tijdens de autorit vanaf de [straatnaam] heeft [aangever] opnieuw telefonisch contact met zijn broertje opgenomen met het verzoek de autopapieren te brengen. [verdachte] is vervolgens, terwijl het met [aangever] in de auto kwam aanrijden op de woning van de moeder van [aangever] , door de politie aangehouden.
Later die avond hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] contact opgenomen met de moeder van [aangever] en zijn zij naar haar straat gereden om de autopapieren op te halen bij haar.
De volgende dag, op 24 oktober 2021, hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] opnieuw contact opgenomen met de moeder van [aangever] om haar te vragen naar de locatie van de auto en de afgifte van de autosleutels. [medeverdachte 2] is aangehouden terwijl hij liep naar de Peugeot waarvan volgens de informatie die hij kreeg van de moeder van [aangever] , de sleutels op het wiel zouden liggen. De afgegeven autopapieren zijn bij [medeverdachte 1] aangetroffen.
Ten aanzien van feit 1 (wederrechtelijke vrijheidsberoving)
Uit het dossier volgen onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat [aangever] wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd en/of beroofd is gehouden. Niet kan worden vastgesteld dat [aangever] tegen zijn wil in de auto werd vastgehouden en dat hij de auto niet uit kon. Evenmin is gebleken dat [aangever] op momenten dat hij zich buiten de auto bevond, niet de mogelijkheid had om weg te gaan. Naast de verklaringen van [aangever] bevinden zich in het dossier geen bewijsmiddelen die dit ondersteunen.
De rechtbank is met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen.
Ten aanzien van feiten 2 en 3 (afpersing en poging afpersing)
Voor medeplegen is vereist dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij het aandeel van de verdachte van voldoende gewicht is. Daarvan is in dit geval geen sprake. De betrokkenheid van de verdachte bij de gebeurtenissen is daarvoor onvoldoende en van een wezenlijke bijdrage is geen sprake.
Uit de verklaringen van de verdachte en de overige bewijsmiddelen volgt dat de verdachte betrokken is geweest bij het zoeken van [aangever] zodat [medeverdachte 2] met [aangever] contact kon hebben. Hij is samen met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [naam] naar het station in Den Haag gereden. De verdachte is van daar vertrokken terwijl de andere drie met een taxi naar de Laakkade zijn gegaan waar [aangever] was. De verdachte was daar niet aanwezig bij de gebeurtenissen. De verdachte maakte geen deel uit van de groep die [aangever] in zijn auto heeft overrompeld, mishandeld en gezegd heeft zijn familieleden te bellen voor geld en de autopapieren. Ook is niet gebleken dat verdachte op de hoogte was van de bedreigingen die in aanloop naar de ontmoeting door de medeverdachten tegen de aangever zijn geuit. Het feit dat de verdachte later weer aanwezig was bij het Vossiusplein en de [straatnaam] maakt dat niet anders. De rechtbank heeft op deze locaties geen geweldshandelingen kunnen vaststellen. Evenmin heeft de rechtbank kunnen vaststellen dat de verdachte binnen is geweest in de woning aan de [straatnaam] waar [medeverdachte 2] en [aangever] zich enige tijd bevonden. Het moment waarvan de rechtbank kan vaststellen dat de verdachte en [aangever] weer samen waren, was het moment dat de verdachte [aangever] naar het huis van zijn moeder reed voor de autopapieren en/of het geld. Er is niet gebleken van geweld of bedreiging tijdens die rit zodat de rechtbank de mogelijkheid moet openlaten dat de verdachte geen wetenschap had van het op [aangever] toegepaste geweld en hij, door [aangever] naar diens moeder te rijden, slechts getracht heeft van een slechte situatie nog maar het beste te maken door deze lift aan te bieden.
De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, de verdachte vrijspreken van de ten laste gelegde afpersing en de poging tot afpersing.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank geen van de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal daarom de verdachte integraal vrijspreken.
4. De inbeslaggenomen voorwerpen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de op de beslaglijst genoemde telefoon verbeurd te verklaren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft om teruggave van het inbeslaggenomen goed verzocht.
Het oordeel van de rechtbank
Omdat de verdachte van het ten laste gelegde feiten zal worden vrijgesproken en het aannemelijk is dat de verdachte de rechthebbende is van de telefoon dat onder hem in beslag is genomen, zal de rechtbank ten aanzien van het in beslag genomen voorwerp de teruggave aan de verdachte gelasten.
5. De vordering tot tenuitvoerlegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie concludeert tot afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat het toewijzen van de vordering niet opportuun is wegens het verschil in de wettelijke grondslag en het tijdsverloop van de onderhavige strafzaak.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af, nu de verdachte wordt vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.
6. De voorlopige hechtenis
De rechtbank overweegt dat, nu de verdachte bij dit vonnis van de volledige tenlastelegging wordt vrijgesproken, het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis moet worden opgeheven.
7. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
De inbeslaggenomen goederen
gelast de teruggave aan [verdachte] van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten:
- 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: 2669121);
De vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf
wijst af de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 29 maart 2021, gewezen onder parketnummer 96/279573-20, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee weken en 330 dagen ontzegging van de rijbevoegdheid.
Dit vonnis is gewezen door
mr. drs. H.M. Braam, voorzitter,
mr. M. Diepenhorst, rechter,
mr. J. Herfkens, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.V. Sagarajah, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 oktober 2026.