ECLI:NL:RBDHA:2026:29476

ECLI:NL:RBDHA:2026:29476

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 06-10-2026
Datum publicatie 06-10-2026
Zaaknummer NL26.34903
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

AMbV Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.34903

(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),

en

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Met het besluit van 22 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.34904), op 29 september 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Als tolk is verschenen: [persoon A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser heeft de Soedanese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2006. Eiser heeft op 29 maart 2026 een asielaanvraag in Nederland ingediend.

Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 2 februari 2026 op illegale wijze de grens van Spanje heeft overschreden. Op 13 april 2026 heeft Nederland aan Spanje verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 13, eerste lid, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Spanje heeft dit overnameverzoek op 10 juni 2026 op dezelfde grond aanvaard.

Totstandkoming van het besluit

2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Spanje op grond van de Verordening (EU) nr. 2024/1351 (Asiel- en Migratiebeheerverordening, hierna: AMbV) verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.

Beroepsgronden van eiser

3. Eiser voert aan dat verweerder de asielaanvraag ten onrechte niet in behandeling heeft genomen. Onder verwijzing naar het meest recente AIDA-rapport (update 2025) van april 2026 stelt eiser dat er in Spanje sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure, dat Spanje zijn internationale verplichtingen niet nakomt en hierin ook geen verbeteringen zijn. Verweerder gaat daarnaast in het bestreden besluit voorbij aan de omstandigheid dat bovengenoemd rapport dateert van april 2026, derhalve na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 november waarnaar verweerder verwijst. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig tot stand gekomen en gebrekkig gemotiveerd.

Beoordeling van de beroepsronden door de rechtbank

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

4. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling heeft dit ten aanzien van Spanje nog aangenomen op 16 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1431), waarin de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 28 februari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:3598) is bevestigd en in de uitspraak van 25 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5661), waarin de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 14 oktober 2025 (ECLI:RBDHA:2025:20950) is bevestigd. Dit betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Spanje zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat eiser bij overdracht aan Spanje geen risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Spanje overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen ten aanzien van het asiel- en opvangsysteem in Spanje. Niet elke tekortkoming in het asiel- en opvangsysteem van de verantwoordelijke lidstaat levert een schending op van artikel 4 van het Handvest. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218).

Eiser voert aan dat er in Spanje nog steeds structurele tekortkomingen in de asielprocedure bestaan, waardoor er sprake is van een situatie waarin Spanje zijn internationale verplichtingen niet nakomt, en verwijst hiervoor naar het meest recente AIDA-rapport (update 2025) van april 2026. Meer specifiek wijst eiser op pagina 63 van bovengenoemd rapport, waaruit volgt dat Dublin-asielzoekers in Spanje moeite hebben om toegang te verkrijgen tot de aanmeldcentra alsmede tot de asielprocedure. Aan deze recente informatie wordt door verweerder in het bestreden besluit ten onrechte voorbijgegaan, stelt eiser. Dit rapport dateert immers van april 2026 en de door de verweerder aangehaalde Afdelingsuitspraak is van 25 november 2025. De rechtbank volgt eiser in het standpunt dat in bovengenoemde uitspraken van de Afdeling het AIDA-rapport (update 2024) is betrokken en niet de meest recente update van 2025. Naar het oordeel van de rechtbank schetst deze update van 2025 echter geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Spanje dan uit de eerdere updates blijkt. Al in de update van 2024 stond vermeld dat er problemen zijn met toegang tot de asielprocedure en opvangvoorzieningen. Zo is de door eiser aangehaalde informatie van pagina 63 van de update van 2025 identiek terug te vinden in de update van 2024, maar dan op pagina 67. Uit de update van 2025 kan dus worden afgeleid dat die problemen er nog steeds zijn, maar niet dat die zodanig zijn dat er sprake is van structurele tekortkomingen die de hoge drempel van zwaarwegendheid zoals beschreven in het hiervoor genoemde Jawo arrest haalt. Uit het AIDA-rapport (update 2025) blijkt niet dat de situatie is verslechterd. Ook volgt uit pagina 48 van dit AIDA-rapport dat de Spaanse autoriteiten pogingen doen om de asielprocedure te verbeteren en dus niet onwelwillend zijn om maatregelen te treffen. Het voorgaande betekent dat de verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser met de door hem aangehaalde landeninformatie niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij na overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten op het gebied van opvang en zorg, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank voorts terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser ook met zijn verklaringen over wat hij zelf in Spanje heeft meegemaakt, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij na overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. In het aanmeldgehoor verklaart eiser dat hij niet in Spanje wilde verblijven, omdat hij zich daar psychisch niet goed voelt. Tegen een mogelijke overdracht zou hij verder geen bezwaren hebben. Op zitting voegt eiser daaraan toe dat hij in Spanje werd gediscrimineerd door onder andere de politie. De rechtbank ziet hierin geen concrete verklaringen die maken dat eiser in een situatie terecht zal komen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid zoals beschreven in het hiervoor genoemde Jawo arrest haalt. Naast zijn psychische toestand verklaart hij geen bezwaren te hebben tegen een mogelijke overdracht. Voor zijn psychische toestand geeft hij geen concrete onderbouwing, waardoor onduidelijk is in hoeverre dit verband houdt met zijn verblijf in Spanje. Uit de verklaringen van eiser is niet gebleken dat eiser zelf nadeel heeft ondervonden van het gestelde tekort in opvangvoorzieningen in Spanje. Daarbij is van belang dat Spanje met het claimakkoord heeft gegarandeerd de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen, in overeenstemming met de internationale verplichtingen die voortvloeien uit Europese richtlijnen en die horen bij het behandelen van een asielaanvraag.

Indien eiser zich na overdracht aan Spanje, onverhoopt, geconfronteerd zou zien met problemen (bijvoorbeeld bij het verkrijgen van opvang of zorg), geldt dat hij zich hierover dient te beklagen bij de (hogere) autoriteiten in Spanje (vgl. het arrest van het EHRM van 2 december 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308, in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk). Met de enkele stelling dat de politie hem niet had willen helpen en hem zou hebben gediscrimineerd, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de Spaanse autoriteiten niet willen of kunnen helpen of dat klagen in Spanje onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.

De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers - Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Tito Lliulli, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L.E.M. Wilbers - Taselaar

Griffier

  • mr. P. Tito Lliulli

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand