RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.56848
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en
(gemachtigde: mr. L. Ploeger).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiseres is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiseres is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiseres een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 24 september 2026 heeft de minister aan eiseres de maatregel van bewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2026 op zitting behandeld. Eiseres en haar gemachtigde zijn met bericht van afwezigheid, niet verschenen op de rechtbank in Groningen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan, als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in bewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. De vreemdeling kan in bewaring worden gesteld omdat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiseres opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiseres de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiseres:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Voortraject
5. De rechtbank stelt vast dat eiseres de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
6. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft. Eiseres heeft op 29 juli 2025 een beschikking ontvangen waaruit blijkt dat zij geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland en ongewenst is verklaard. Deze beschikking is op 27 oktober 2025 in persoon en met behulp van een tolk in de Poolse taal aan eiseres uitgereikt. Vervolgens is eiseres op 29 november 2025 en op 8 mei 2026 in bewaring gesteld, waarna zij is uitgezet naar Polen. Vervolgens is eiseres op 27 juli 2026 Nederland opnieuw ingereisd en stelt een maand werkzaamheden te hebben verricht in Nederland. Eiseres heeft geen melding gemaakt bij de Korpschef over haar inreis, of van haar woon- of haar verblijfplaats in Nederland. Ook heeft eiseres geen documenten overgelegd van haar eventuele dienstverband, of beëindiging hiervan. Anders dan eisers stelt, is niet aannemelijk geworden dat zij na verwijdering een bestendig verblijf heeft opgebouwd in Polen; zij heeft Polen juist snel weer verlaten en heeft voorafgaand aan haar inreis in Nederland nog enige tijd in Duitsland verbleven. Het aan eiseres opgelegde besluit van 29 juni 2025 is van kracht, eiseres dient Nederland onmiddellijk te verlaten en terug te keren naar Polen. De grondslag is juist.
Gronden
7. Grond b is feitelijk juist. Eiseres heeft op 29 juli 2025 een beschikking ontvangen, waarmee haar verblijfsrecht is beëindigd. Op 27 oktober 2025 heeft eiseres deze beschikking in persoon uitgereikt gekregen en ontvangen. Eiseres is hierna niet vertrokken en op 29 november 2025 en op 8 juni 2026 in bewaring gesteld, waarna zij gedwongen is uitgezet naar Polen. Dat eiseres stelt dat het in haar geval om een verwijderingsbesluit gaat en dat dit niet zondermeer als grondslag voor de maatregel van bewaring kan dienen, maakt dit niet anders. Immers, aan eiseres is de toestemming voor verblijf in Nederland bij beschikking van 29 juni 2025 beëindigd en zij is ongewenst verklaard. Eiseres heeft niet middels documenten kunnen aantonen dat zij op basis van bijvoorbeeld werk of verblijf bij een partner toch in Nederland zou mogen verblijven en heeft daarmee illegaal, zonder toestemming in Nederland verbleven. Met haar ongewenstverklaring is het onttrekkingsrisico reeds gegeven. Ter volledigheid wordt hierbij opgemerkt dat de minister mag volstaan met de feitelijke juistheid van deze grond.Verder kan aan eiseres worden tegengeworpen dat zij zich niet heeft gehouden aan hetgeen is voorgeschreven in hoofdstuk 4 van het Vb, namelijk melding maken bij de Korpschef over haar inreis in juli 2026. Ook heeft zij geen melding gemaakt van of inlichtingen verstrekt over haar actuele woon- of verblijfplaats. Eiseres kwam in beeld nadat zij strafrechtelijk is aangehouden en daarna is zij vanuit strafrecht overgedragen aan de Vreemdelingenpolitie. Dat eiseres stelt niet te hebben geweten dat zij illegaal in Nederland verbleef, wordt niet gevolgd. Zij heeft immers meermaals aangegeven niet in Polen te willen verblijven, is tweemaal eerder naar Polen uitgezet omdat zij weigerde te vertrekken en heeft geen bestendig verblijf in Polen proberen op te bouwen. Nadat zij was verwijderd (en voorafgaand aan haar inreis in Nederland in juli 2026) heeft zij Polen wederom na korte tijd verlaten en heeft zij enige tijd in Duitsland verbleven. Vorenstaande duidt er dan ook niet op dat zij niet heeft geweten dat zij zich zonder toestemming opnieuw in Nederland heeft begeven en verbleven. Ook heeft eiseres tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard over onvoldoende middelen van bestaan te beschikken (grond r) en heeft zij verklaard afhankelijk te zijn van verblijf bij de Bulgaarse vriend in Delft (grond s). Dat eiseres stelt bij de Bulgaarse vriend in Delft te hebben verbleven, maar zich niet heeft kunnen inschrijven in de BRP en dat zij haar vriend enkel voor afspraakjes in een kelderbox zag, maakt niet dat er aan de vereisten voor vaste woon- of verblijfplaats, zoals een BRP-adres is voldaan. Evenmin heeft eiseres hiermee kunnen aantonen dat zij hier daadwerkelijk verbleef. Deze laatste drie gronden zijn daarmee feitelijk juist en de minister heeft voor deze gronden ook het bestaan van een onderduikrisico nader gemotiveerd.
Lichter middel
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiseres een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven. Dat eiseres over een geldig Pools paspoort beschikt maakt dit niet anders. Door haar ongewenstverklaring te negeren en alsnog Nederland opnieuw in te reizen is het onttrekkingsrisico reeds gegeven. Daarnaast is eiseres tweemaal uitgezet, omdat zij weigerde Nederland te verlaten. Ook heeft eiseres met haar handelen en nalaten in haar huidige procedure reeds bij inreis laten zien zich te onttrekken aan het toezicht, nu zij sinds 29 juli 2025 ongewenst is verklaard.
9. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de medische omstandigheden van eiseres, dat zij een lage bloeddruk zou hebben, voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel. De minister heeft eiseres gewezen op de beschikbare medische faciliteiten en voorzieningen binnen het detentie- en uitzetcentrum. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen deze centra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Hierbij wordt opgemerkt dat eiseres geen documenten heeft overgelegd aangaande haar medische situatie.
10. Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiseres die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiseres een lichter middel dan bewaring op te leggen. Dat eiseres stelt mee te willen werken is onvoldoende om de maatregel van bewaring op te heffen.
Voortvarend handelen
11. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiseres. Op 29 september 2026 is er een vluchtaanvraag ingediend voor een vlucht op 12 oktober 2026 en de aanvraag hiervoor is op 30 september 2026 verzonden. Eiseres zal - zodra er meer bekend is over de aangevraagde vlucht -hierover in een vertrekgesprek worden geïnformeerd. Ook zal de gemachtigde van eiseres per brief over de vluchtaanzegging worden geïnformeerd.
Zicht op uitzetting
12. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Polen in algemene zin niet ontbreekt. Eiseres is in het bezit van een geldig Pools paspoort. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier in het geval van eiseres anders over te oordelen.
Conclusie en gevolgen
13. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.
14. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van
E.S. Tiggelaar, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.