RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.56859
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
(gemachtigde: mr. L. Ploeger).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 24 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2026 op zitting behandeld. Mr. Pater is als waarnemend gemachtigde van eiser verschenen op de rechtbank in Groningen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan, als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in bewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. De vreemdeling kan in bewaring worden gesteld omdat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. heeft eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De minister heeft op de zitting grond p laten vallen.
Voortraject
5. Eiser stelt dat het voortraject onrechtmatig is geweest, omdat uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat er een tolkennummer van een tolk in de Franse taal bij het gehoor staat geregistreerd. Dat dit achteraf is gecorrigeerd naar een tolkennummer welke wel hoort bij een tolk in de Vietnamese taal, maakt niet dat het vaststaat dat er gebruik is gemaakt van een registertolk.
6. De rechtbank stelt vast dat er op ambtseed op 1 oktober 2026 een memo is opgemaakt, waarin is vermeld dat er abusievelijk een verkeerd nummer van een beëdigde tolk in de Vietnamese taal is opgenomen. Uit het opgemaakte document volgt dat gebruik is gemaakt van een beëdigde telefonische tolk met tolkennummer 469. Het nummer is herleidbaar naar een beëdigde tolk in de Vietnamese taal via de website https://zoekeentolkvertaler.bureauwbtv.nl. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan het feit dat deze persoon het gesprek heeft gevoerd. Bovendien heeft eiser deze stelling niet nader onderbouwd. De rechtbank heeft daarnaast geen aanleiding om aan de inhoud van de op ambtseed opgemaakte memo te twijfelen. Bovendien heeft eiser tijdens het gehoor op 24 september 2026 verklaard, dat hij de tolk goed kon verstaan in de Vietnamese taal. Tijdens de zitting heeft gemachtigde van eiser desgewenst aangegeven dat eiser zelf niets bij haar of zijn gemachtigde heeft aangegeven over het niet kunnen verstaan of begrijpen van deze tolk. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.
Grondslag
7. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Eiser is op 20 december 2025 in Nederland staandegehouden door de Kmar, omdat hij niet voldeed aan de verplichtingen voor inreis in Nederland. Vervolgens is aan eiser een terugkeerbesluit Vietnam opgelegd, waarbij eiser 28 dagen de tijd had om Nederland te verlaten en terug te keren naar Vietnam. Uit het opgelegde inreisverbod blijkt dat eiser zich op 3 mei 2025 reeds bij de Duitse autoriteiten heeft gemeld, daarna illegaal in Duitsland heeft verbleven en geen verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. Vervolgens is eiser op 9 september 2026 middels een claim-in aan Nederland overgedragen en op grond van artikel 59 b Vw in bewaring gesteld. Eiser heeft tijdens deze inbewaringstelling asiel aangevraagd. Op 23 september 2026 heeft eiser een afwijzende asielbeschikking ontvangen met inreisverbod van twee jaar. Het terugkeerbesluit Vietnam van 20 december 2025 blijft van kracht. Eiser dient Nederland onmiddellijk te verlaten. Eiser is op de juiste grondslag in bewaring gesteld.
Gronden
8. Eiser heeft op de zitting alle gronden betwist.
9. De rechtbank is van oordeel dat de gronden aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang gezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Daarmee is er voldoende reden om aan te nemen dat er een onderduikrisico bestaat.
In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden onjuist of onvoldoende te achten. De rechtbank is van oordeel dat grond a, anders dan eiser stelt, terecht aan hem is opgelegd. Deze grond is feitelijk juist omdat eiser niet beschikt over een paspoort, geldig visum of verblijfsvergunning en hij heeft daarom niet aannemelijk kunnen maken dat hij op de voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen. Daarnaast blijkt uit eisers verklaringen voorafgaand aan de inbewaringstelling dat hij zijn paspoort in Duitsland bij een vriend zou hebben achtergelaten. Dit betekent dat eiser zich ook zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie heeft begeven. Ook het gegeven dat eiser na zijn overdracht aan Nederland asiel heeft aangevraagd, maakt niet dat eiser zich niet aan het toezicht heeft onttrokken. Immers heeft hij op illegale wijze in Duitsland verbleven sinds 3 mei 2024 en daarna is hij op 20 december 2025 staandegehouden door de Koninklijke Marechaussee. Hieruit valt op te maken dat eiser zich reeds sinds 3 mei 2024 aan het toezicht heeft onttrokken. Deze beroepsgrond slaagt niet. Ook grond b is feitelijk juist. Eiser heeft op 20 december 2025 een terugkeerbesluit ontvangen en moest Nederland binnen 28 dagen verlaten. Eiser heeft hier geen gevolg aan gegeven. Dat eiser stelt dat hij niet bekend was met het feit dat hij Nederland moest verlaten, treft geen doel. Bovendien zijn grond b en c reeds beoordeeld in de uitspraak van 22 september 2026 en behoeven zij geen aanvullende bespreking. Grond j is feitelijk juist nu eiser op 24 september 2026 een kennelijk ongegrond beschikking heeft ontvangen, waarbij het terugkeerbesluit Vietnam van 20 december 2025 van kracht blijft. Dat eiser stelt dat hieruit geen onttrekkingsrisico blijkt, maar juist het beogen van verblijf, wordt niet gevolgd. Aan eiser is al sinds 20 december 2025 een terugkeerbesluit opgelegd, waaraan eiser tot op heden niet heeft voldaan. Pas toen hij aan Nederland werd overgedragen in het kader van de toenmalige Dublinverordening, heeft hij een asielaanvraag ingediend. Vorenstaand handelen en nalaten van eiser doen ernstig afbreuk af aan de noodzaak tot internationale bescherming en onderstrepen het onttrekkingsrisico. Grond r en s zijn reeds besproken in de uitspraak van 22 september 2026 en behoeven geen aanvullende bespreking. Het onttrekkingsrisico is hiermee gegeven.
Lichter middel
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven. Dat eiser stelt zijn beroepsprocedure aangaande zijn asielaanvraag te willen afwachten en hiervoor een voorlopige voorziening te hebben ingediend, maakt dit niet anders. Bovendien gaat het in deze procedure over de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring. Dat eiser daarnaast stelt niet negatief te staan tegenover terugkeer bij een ongegrond beroep en dat een meldplicht zal volstaan, maakt dit evenmin anders. Eiser heeft eerder een lichter middel opgelegd gekregen, wat niet heeft geleid tot het vertrek van eiser (omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken). Een lichter middel volstaat dan ook niet.
11. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de medische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel. De minister heeft eiser gewezen op de beschikbare medische faciliteiten en voorzieningen binnen het detentie- en uitzetcentrum. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen deze centra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.
12. Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Dat eiser stelt mee te willen werken is onvoldoende om de maatregel van bewaring op te heffen.
Voortvarend handelen
13. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Op 28 september 2026 en op 1 oktober 2026 hebben er vertrekgesprekken met eiser plaatsgevonden. Ook is er op 28 september 2026 een lp-aanvraag opgestart, doorgestuurd en in behandeling genomen door DIA.
Zicht op uitzetting
14. De rechtbank overweegt dat zicht op uitzetting naar Vietnam in algemene zin niet ontbreekt. Niet is gebleken dat de Vietnamese autoriteiten geen lp’s verstrekken en ook niet dat zij op andere wijze geen medewerking verlenen aan gedwongen terugkeer. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier in het geval van eiser anders over te oordelen.
Conclusie en gevolgen
15. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.
16. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van
E.S. Tiggelaar, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.