Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/711705 / KG ZA 26-936
Vonnis in kort geding van 7 oktober 2026
in de zaak van
[persoonlijke vennootschap] B.V. te [vestigingsplaats] ,
eiseres,
advocaat: mr. M.J. Draaisma,
tegen:
maatschap PLOUM te Rotterdam,
gedaagde,
advocaat: mr. B.P.H. Leijnse.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [persoonlijke vennootschap] ’ en ‘Ploum’ dan wel ‘de Maatschap’.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding 3 september met producties 1 tot en met 26;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 42;
- de door [persoonlijke vennootschap] nader overgelegde producties 27 tot en met 34.
Op 21 september 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.
2. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Ploum is een maatschap die een advocaten- en notarispraktijk uitoefent. Het bestuur wordt gevormd door de heer [bestuurslid 1] , mevrouw [bestuurslid 2] en de heer [bestuurslid 3] en (hierna: het bestuur).
De heer [vennoot eiseres] (hierna: [vennoot eiseres] ) heeft met twee compagnons en een aantal advocaten een advocatenkantoor ( [bedrijfsnaam 1] ) gedreven. Nadat de twee compagnons van [vennoot eiseres] onverwacht kort na elkaar overleden, is [bedrijfsnaam 1] in de financiële problemen geraakt. [vennoot eiseres] heeft zich vervolgens middels [persoonlijke vennootschap] , waarvan hij bestuurder en aandeelhouder is, met ingang van 1 januari 2023 bij Ploum aangesloten. Een aantal medewerkers van [bedrijfsnaam 1] is met [vennoot eiseres] mee over gegaan naar Ploum. [persoonlijke vennootschap] en Ploum zijn bij het aangaan van de maatschapsovereenkomst overeengekomen dat [bedrijfsnaam 1] niet failliet mocht gaan. [vennoot eiseres] heeft daarom € 171.000 uit privémiddelen ten behoeve van [bedrijfsnaam 1] gefinancierd om een faillissement te voorkomen.
Op 21 februari 2023 heeft het eerste jaargesprek tussen [vennoot eiseres] en het bestuur plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek is met name de overgang van [vennoot eiseres] naar Ploum besproken. Het bestuur heeft onder meer te kennen gegeven dat het voeren van de administratie, waaronder de invoer van uren en het tijdig declareren, een aandachtspunt voor [vennoot eiseres] is. Later is [vennoot eiseres] er door het bestuur op gewezen dat hij eind maart 2023 nog geen enkele omzet had gefactureerd en dat zijn bevoorschotting vanaf april 2023 zou worden ingehouden als hij niet uiterlijk op 9 april 2023 het onderhanden werk van het eerste kwartaal volledig zou hebben gedeclareerd.
Op 28 juni 2023 heeft een voortgangsgesprek tussen [vennoot eiseres] en het bestuur plaatsgevonden. Het verslag van 4 juli 2023 vermeldt onder meer:
“Onze conclusie is dat je zakelijker en professioneler moet acteren. Wij willen echt geen compagnons die voor ons onderhoudsgevoelig zijn op het gebied van administratie en contact met klanten en interne contacten. Werk daaraan en zorg dat dat verbetert.
Zorg dat je samen met andere compagnons erop uitgaat om de basis van je praktijk, die op dit moment nog mager is […] omhoog schroeft.
Op 21 juli 2023 heeft Ploum een klacht ontvangen van de gemachtigde van een wederpartij van [vennoot eiseres] (hierna: de klager), inhoudende dat [vennoot eiseres] zich onnodig grievend en onjuist heeft uitgelaten in een telefoongesprek met de klager. Het bestuur heeft vervolgens bij [vennoot eiseres] aangedrongen op excuses aan de klager.
[vennoot eiseres] heeft de klager vervolgens op 25 juli 2023 bericht:
“Naar aanleiding van uw […] bericht adviseerde mr. [bestuurslid 1] mij om excuses aan te bieden voor de door mij uitgesproken zorgen over uw geestelijke gezondheid. Hij heeft gelijk dat ik dat niet had moeten zeggen. Overigens blijf ik van mening dat de deken er niet is om klachten te behandelen over een verschoonbare, en inmiddels gecorrigeerde vergissing bij de ondertekening van een processtuk, waardoor uw cliënten op geen enkele wijze in hun belangen zijn geschaad […] Bovendien vind ik het opmerkelijk dat u enerzijds mij aanspreekt op de gedragsregels maar anderzijds zelf die gedragsregels op grote schaal schendt, wetende dat u daar als niet advocaat niet op kunt worden aangesproken. Ik denk er allemaal het mijne van.”.
De klager heeft op 7 augustus 2023 een klacht tegen [vennoot eiseres] ingediend bij de Rotterdamse Deken.
Op 29 november 2023 heeft een gesprek tussen het bestuur en [vennoot eiseres] plaatsgevonden. Het gespreksverslag van 21 december 2023 vermeldt, voor zover relevant:
“Wij geven aan dat wij begrepen hebben via andere compagnons dat je een stichting zou hebben opgericht die klant zou zijn van kantoor en die persoonlijke verkeersboetes aanvecht al dan niet op nader aan te vullen gronden. Dat gebeurt op Ploum briefpapier, waarbij jij als advocaat van de stichting optreedt. Van de stichting ben je zelf ook bestuurder. Wij geven aan dat dat niet de bedoeling is. Een advocaat van Ploum treedt niet voor zijn eigen stichting op Ploum briefpapier naar buiten en al helemaal niet tegen nul-tarief. Zelf geef je aan dat je dat al jaren doet en dat daarvoor aan het einde van het jaar door [bedrijfsnaam 1] een rekening werd gestuurd. Wij geven aan dat wij dit niet accorderen en dat dit onmiddellijk moet stoppen.
Je kunt met een eenvoudige brief aan CJIB aangeven dat vanaf heden de stichting niet meer wordt bijgestaan door Ploum maar dat je dat op een andere manier regelt.
Wij geven jou tenslotte aan dat er bij ons klachten zijn over de manier waarop je anderen tegemoet treedt en met name jonge vrouwen. De klachten zijn binnengekomen bij HR en zijn niet in een formele klacht omgezet, waardoor wij niet met de betrokken klagers hebben kunnen spreken. Wij hebben dit op dit moment uitsluitend van HR vernomen. Bij HR hebben verschillende vrouwen geklaagd over het feit dat zij vinden dat je met teveel drank op in de auto stapt en ook tijdens kantoorborrels met teveel drank op je opmerkingen permitteert die door hen als grensoverschrijdend worden ervaren.
Je schrikt erg van dit bericht. Je stelt dat je dit niet kunt voorstellen en dat je ook nooit verkeerde opmerkingen maakt. Wel ben jij van de humor en probeer je een joviale goede sfeer uit te dragen. Je geeft aan dat je hierop zult letten. Wij geven aan dat wij het verstandig zouden vinden om in de komende tijd kantoorborrels uitsluitend kort bij te wonen (als je ze al bijwoont) en ook niet als één van de weinige compagnons mee op wintersport te gaan met een groep jongeren. Jij geeft aan dat je wel op wintersport wilt, omdat je het gezellig vindt om met kantoorgenoten ook sociaal te verkeren.
Je geeft vervolgens aan dat er een rechtszaak tegen jouzelf wordt gestart door het advocatenkantoor [advocatenkantoor] . Die hebben [bedrijfsnaam 1] bijgestaan in een zaak rond smaad en laster. De rekeningen zijn uiteindelijk niet betaald en deze proberen zij nu via een persoonlijke aansprakelijkheidsstelling op jou te verhalen. Het gaat hier om een bedrag van circa € 20.000. Jij hebt [naam 1] gevraagd om voor jou als advocaat op te treden. Wij geven aan dat dat niet akkoord is. Je kunt niet een medewerker voor een compagnon in privé laten optreden. Wij verzoeken je om deze zaak buiten kantoor onder te brengen.”
Eerst op 12 februari 2024 heeft [vennoot eiseres] schriftelijk gereageerd op de passage over grensoverschrijdend gedrag.
“Zonder onderbouwing is voor mij onduidelijk wat ik hier verder mee moet. Ik heb geen idee waar dit over gaat en ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat de betreffende klagers wellicht hypergevoelig zijn en/of opgejut door anderen/elkaar. Ik denk eigenlijk dat de klagers bij zichzelf te raden moeten gaan, want ik heb altijd het beste voor met de mensen om mij heen. Ik heb gezegd dat ik mij niet kan voorstellen dat dat iemand is die dicht bij mij staat, want iedereen die mij een beetje kent, weet dat men mij altijd kan zeggen wat men dwarszit.
Ten slotte, wat betreft de aantijging dat ik met te veel drank op in de auto zou stappen: ook dat is nergens op gebaseerd. Heeft men mij een blaastest afgenomen?
Ik bevestig nogmaals dat ik nog nooit met te veel drank op achter het stuur ben gestapt, ook niet “nèt over de grens”, nooit.
Jammer dat deze twee ongefundeerde aantijgingen in ons gesprek naar voren
kwamen.”
Op 14 februari 2024 heeft het jaarlijkse evaluatiegesprek plaatsgevonden. Het verslag van 10 april 2024 vermeldt, voor zover relevant:
“We hebben je dit jaar twee keer aangesproken op jouw functioneren en hoe dat wordt ervaren door jongeren op kantoor. Je was in dat kader dan ook een (on)dankbaar slachtoffer in het cabaret waar je werd neergezet als de clown van het circus die van lekker drinken houdt. Je hebt in de e-mail die je naar aanleiding van het verslag wat ik je heb gestuurd op 21 december jl. aan het bestuur aangegeven dat je van mening bent dat je geen grensoverschrijdend gedrag vertoont en dat je het vervelend vindt dat er blijkbaar mensen rondlopen die dat wel zo hebben ervaren. Je geeft aan dat je daarop zult letten, maar dat je het eenvoudigweg niet herkent.
Het is aan jou om ervoor te zorgen dat dit gedrag niet meer zo wordt ervaren door anderen en we spreken daar wat langer over. De tijden zijn veranderd. Ook goed bedoelde grappen kunnen anders worden uitgelegd en wees daar alert op. Het gedrag zoals dat door anderen wordt ervaren mag en kan niet en daar moet je, net als alle anderen, eenvoudigweg goed in opletten.
Ik begrijp heel goed dat het voor jou lastig omdat er geen formele klacht is ingediend en je ook niet precies weet wat er dan aan jou wordt verweten. Ik geef je aan dat ik in gesprekken van [HR-manager] [naam 2] heb begrepen dat het wel degelijk persoonlijke grappen in de richting van mensen betrof die dit niet accepteren.”
Op 15 maart 2024 heeft het bestuur [vennoot eiseres] wederom verzocht ervoor te zorgen dat Ploum geen gemachtigde meer is voor de CJIB-zaken van de stichting waar [vennoot eiseres] bestuurder is. [vennoot eiseres] schrijft dat hij zijn best doet, maar dat hij niet kan garanderen dat het bij het CJIB direct allemaal goed wordt doorgevoerd.
Op 12 februari 2025 heeft het jaarlijkse evaluatiegesprek tussen [vennoot eiseres] en het bestuur plaatsgevonden. Het gespreksverslag vermeldt, voor zover relevant:
“Je hebt een stijgende lijn in je omzet laten zien, maar je bent meer gericht op praktijkomzet dan op persoonlijke omzet. […] Fijn dat de stijging is ingezet! Zet die nu voort naar een gangbare praktijk voor een Ploum partner.
12. Additionele opmerkingen
Heel fijn dat je veel investeert in de sfeer op de sectie en zichtbaar bent op de sectie ook al is de reisafstand best een ding. Dat vind jij geen probleem.
Zet de stijgende lijn voort. Zorg voor een stabiele en goede praktijk zonder veel gedoe en zorg voor snel declareren en innen.
[vennoot eiseres] , bedankt voor je inzet voor kantoor in het afgelopen jaar en ik wens je alle succes
toe in het lopende jaar.”
Vanaf januari 2024 hebben [vennoot eiseres] , de accountmanager van [bedrijfsnaam 2] (cliënt bij Ploum), het bestuur en de Rotterdamse Deken diverse keren overleg gevoerd vanwege een tegenstrijdig belang binnen Ploum. Een cliënt die [vennoot eiseres] vanuit [bedrijfsnaam 1] had meegenomen naar Ploum bleek verwikkeld te zijn in een (slapende) procedure tegen [bedrijfsnaam 2] . Van de zijde van Ploum is steeds te kennen gegeven dat [vennoot eiseres] zich als advocaat diende te onttrekken.
Bij e-mail van 9 juli 2025 heeft het bestuur [vennoot eiseres] , voor zover relevant, als volgt bericht:
“Wij ontvangen dan ook graag uiterlijk 11 juli 2025 om 18:00 uur een kopie van jouw schriftelijke bevestiging aan jouw cliënt waarin je aangeeft dat je je onttrekt aan deze zaak, maar zult zorgen voor een deugdelijke overdracht.
Dat betekent eveneens dat - los van een goede overdracht- je de zaak niet achter de schermen zult kunnen blijven doen. Wij vernemen graag separaat schriftelijk dat je je daaraan zult houden.
Indien wij de gevraagde schriftelijk bevestigingen niet tijdig hebben ontvangen zien wij ons genoodzaakt om de opzegging van het maatschapscontract met [persoonlijke vennootschap] B.V. te agenderen voor een maatschapsvergadering op woensdag 27 augustus 2025 om 17:00 uur omdat dit leidt tot een onherstelbare vertrouwensbreuk. Je zult de zaak dan buiten kantoor kunnen voortzetten.”
Bij e-mail van 11 juli 2025 heeft [vennoot eiseres] bevestigd dat hij zich op de eerstvolgende roldatum formeel zou onttrekken en de zaak niet langer zal behandelen. [vennoot eiseres] heeft dat vervolgens gedaan.
Op 18 augustus 2025 heeft de Raad van Discipline een waarschuwing aan [vennoot eiseres] opgelegd in verband met de op 7 augustus 2023 ingediende klacht bij de Rotterdamse Deken. [vennoot eiseres] heeft op 17 september 2025 hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de Raad van Discipline.
Op 16 februari 2026 heeft het jaarlijkse evaluatiegesprek tussen [vennoot eiseres] en het bestuur plaatsgevonden. In het gespreksverslag van 5 maart 2026 is onder meer het volgende opgenomen.
“Je boekte drie tickets voor jezelf, [naam 3] en [naam 4] zonder voorafgaande toestemming van het bestuur, hetgeen gebruikelijk is op basis van een verzoek en begroting. Vervolgens declareerde je een bedrag van ca € 13.000,-- bij kantoor. Dit werd geweigerd vanwege het ontbreken van toestemming. Jouw ticket wordt betaald maar de andere 2 niet. Het bestuur had daar geen toestemming voor gegeven.
Ik vraag je waarom je dit zo hebt gedaan. Je stelt dat je geen vertraging wilde oplopen omdat er een kortingactie liep. Je geeft toe dat dit niet handig was en dat je had moeten afstemmen. Je zag het echter als investering in de praktijk en ging ervan uit dat kantoor niet akkoord zou gaan met het hele bedrag maar wel een bedrag later (gedeeltelijk) zou vergoeden. Dit is niet en manier waarop we met declareren omgaan. Ik wil dat je dit niet meer zo doet. Je vraagt gewoon net als anderen vooraf toestemming in plaats van je gang te gaan en dan achteraf ons laten corrigeren.
[…]
5. Persoonlijke feedback: ongewenst gedrag richting vrouwelijk medewerkers
Door mij werd gevoelige feedback met je gedeeld: meerdere vrouwelijke collega’s hebben zich bij ons gemeld met betrekking tot ongewenst gedrag van jouw zijde. Zij voelen zich uiterst ongemakkelijk wanneer je te dichtbij komt, hen probeert aan te raken c.q. aanraakt, of opmerkingen maakt (die zogenaamd grappig zijn maar als seksistisch worden aangemerkt). Zij vinden het enorm lastig om dit bespreekbaar te maken en zijn bang voor hun eigen positie. Vandaar dat er (nog) geen klacht is ingediend. Het bestuur neemt dit uiterst serieus. Dit is onacceptabel gedrag en dient met onmiddellijke ingang te stoppen. Als er een klacht wordt ingediend zal er onderzoek moeten plaatsvinden. Wij waarschuwen je dat dit nooit meer mag gebeuren omdat we anders genoodzaakt zijn dit aan de maatschap voor te leggen en een vertrek dan onafwendbaar is. Dergelijk gedrag is onveilig en wordt niet getolereerd, van niemand binnen kantoor. Jij gaf aan dat je het vervelend vindt dat dit zo wordt ervaren en dat je er goed op zult letten dat dit niet meer gebeurt.
6. Praktijk en resultaten
Financiële cijfers
Je praktijk heeft ten opzichte van 2024 groei laten zien. Dat is fijn.
• Omzet is gestegen […]
• Je zit daarmee op 84% van de norm […].
• Marge bedroeg […] (norm: […]). Dat is te laag voor een partner.
• De verwachting is dat je nog verder kunt groeien nu je in rustiger vaarwater zit, zo
geef je aan.
• Zorg dat je […] de normen haalt in het komend jaar, althans dat je daar zo dicht
mogelijk bij in de buurt komt.”
Bij e-mail van 14 maart 2026 heeft [vennoot eiseres] op het gespreksverslag gereageerd.
“Zo ontbreekt mijn antwoord dat ik werkelijk geen idee heb waar de aantijgingen onder punt 5 vandaan komen. Voorts heb ik niet gezegd dat ik het vervelend vind dat “dit” zo wordt ervaren. Dat suggereert immers dat ik weet waar jullie het over hebben, terwijl ik geen idee heb waarom mij dit totaal ongefundeerde verwijt wordt gemaakt. Ik heb ook niet gezegd dat ik erop zal letten dat dit “niet meer” gebeurt, want wat “dit” ook moge zijn: het is niet gebeurd, zodat de formulering “niet meer” volstrekt misplaatst is. Wat ik wel heb gezegd, maar wat dan weer ontbreekt in het verslag, is dat ik vanwege de ernst van de aantijging de film nog eens in detail zou terugdraaien, om hopelijk te achterhalen waar dit verhaal wellicht zijn oorsprong zou kunnen vinden.
Welnu, inmiddels heb ik de film teruggedraaid en kan ik jullie met nog meer stelligheid mededelen dat dit verhaal volledig verzonnen is. Er is nog geen begin van een kern van waarheid. Dat betekent dat iemand binnen kantoor, al dan niet met anderen, doelbewust een hetze tegen mij aan het creëren is. Het spreekt voor zich dat ik dat niet over mijn kant kan laten gaan. Het bestuur dient hiertegen op te treden. Ook ik als compagnon heb recht op een veilige werkomgeving. Jullie weten wie zich bij jullie hebben gemeld met dit verhaal. Hierbij dien ik een klacht in tegen die personen, wegens smaad en laster. Ik verwacht dat jullie dit tot op de bodem uitzoeken en mij van de voortgang van dat onderzoek nauwgezet op de hoogte houden.”
Bij e-mail van 16 maart 2026 heeft het bestuur [vennoot eiseres] bericht dat een gesprek wordt gepland om de e-mail van [vennoot eiseres] van 14 maart 2026 te bespreken. [vennoot eiseres] heeft vervolgens verzocht om het gesprek ook door twee (onafhankelijke) compagnons te laten bijwonen en heeft verzocht om een reactie op zijn klacht van de zijde van de vrouwelijke medewerkers. Ondertussen heeft het bestuur onderzoek gedaan naar de meldingen van de vrouwelijke medewerkers. Daarbij hebben [bestuurslid 2] en (de heer) [bestuurslid 1] met vrouwelijke werknemers gesproken die melding hadden gedaan over [vennoot eiseres] . Het bestuur heeft tijdens het onderzoek ruggespraak gehouden met twee compagnons van Ploum die ervaring hebben met zaken over grensoverschrijdend gedrag in arbeidsverhoudingen.
Op 7 april 2026 heeft een gesprek tussen [vennoot eiseres] en het bestuur plaatsgevonden, waarbij het bestuur [vennoot eiseres] te kennen heeft gegeven dat twee vrouwelijke collega’s melding hadden gedaan en dat één daarvan zag op handtastelijkheden en grensoverschrijdende opmerkingen. Tijdens dit gesprek heeft het bestuur specifieke details over de vermeende opmerkingen en handtastelijkheden met [vennoot eiseres] gedeeld.
Het bestuur heeft vervolgens een notitie aan de maatschap opgesteld, waarin zij de maatschap adviseert om in te stemmen met de beëindiging van de maatschapsovereenkomst met [persoonlijke vennootschap] met inachtneming van de contractuele opzegtermijn van zes maanden tegen 1 november 2026. In de notitie zijn de grensoverschrijdende gedragingen en opmerkingen van [vennoot eiseres] die collega’s hebben gemeld, toegelicht. Daarnaast maakt de notitie melding van de beslissing van de Raad van Discipline van 18 augustus 2025, het voeren van CJIB-zaken op briefpapier van Ploum, de discussie over de onttrekking bij het tegenstrijdig belang en de declaratie voor een bezoek aan [plaats] met twee collega’s. [vennoot eiseres] heeft op 13 april 2026 een 12 pagina’s tellende schriftelijke reactie met acht bijlagen naar alle compagnons van Ploum gestuurd, waarin hij zijn visie geeft op de zojuist genoemde kwesties.
Bij e-mail van 14 april 2026 heeft mevrouw [naam 5] , HR-manager en vertrouwenspersoon van Ploum, het bestuur als volgt bericht.
“Vanaf 2024 heb ik in mijn rol als vertrouwenspersoon contact gehad met meerdere jonge vrouwen uit verschillende secties over incidenten waarbij [vennoot eiseres] betrokken was. De incidenten hadden met name betrekking op ongewenste seksueel getinte opmerkingen, het fysiek te dicht benaderen en lichte aanrakingen. De betrokkenen gaven aan zich hierdoor onveilig te voelen en de situaties als onprettig te ervaren. In enkele gevallen waren andere sectiegenoten aanwezig, maar [vennoot eiseres] is door hen niet op zijn gedrag aangesproken. Dit heeft ertoe geleid dat de vrouwen geen formele melding wilden doen bij de vertrouwenspersoon. Zij gaven aan bang te zijn voor gebrek aan begrip binnen de sectie en voor mogelijke negatieve gevolgen voor hun verdere loopbaan. Mijn interpretatie is dat zij verwachtten dat er binnen de groep, waaronder de andere compagnons, onvoldoende begrip of erkenning zou zijn. Ik heb hierover met minimaal vijf vrouwen afzonderlijk gesproken. Op hun uitdrukkelijk verzoek zijn geen officiële meldingen vastgelegd. Met hen is afgesproken dat ik geen namen, secties of concrete voorbeelden zou documenteren of delen, maar dat ik dit wel als een terugkerend patroon in geanonimiseerde vorm met het bestuur zou bespreken.”
Op 15 april 2026 heeft de maatschapsvergadering plaatsgevonden. Voorafgaand aan de vergadering heeft [vennoot eiseres] het bestuur bericht dat hij ter ondersteuning een (bevriende) arbeidsrechtadvocate meeneemt, Mr. [naam 6] . Mr [naam 6] is aanwezig geweest tijdens de maatschapsvergadering die omstreeks 17:00 uur startte. Tijdens de maatschapsvergadering zijn de verwijten aan het adres van [vennoot eiseres] besproken, waarna de vergadering is geschorst. [vennoot eiseres] en zijn echtgenote hebben tijdens de vergadering via WhatsApp contact onderhouden. Na overleg met mr. [naam 6] heeft [vennoot eiseres] verklaard dat hij bereid was om over een vaststellingsovereenkomst te spreken. [bestuurslid 3] heeft vervolgens namens het bestuur met [vennoot eiseres] en mr. [naam 6] onderhandeld over een vaststellingsovereenkomst. Daarna hebben [vennoot eiseres] en mr. [naam 6] zich teruggetrokken om het concept te bespreken, waarna de vaststellingsovereenkomst aan de maatschapsvergadering is voorgelegd. Na accordering van één wijzigingsvoorstel hebben [vennoot eiseres] (namens [persoonlijke vennootschap] ) en de op dat moment nog aanwezige maten (mede op grond van een volmacht namens de niet-aanwezige maten) de vaststellingsovereenkomst ondertekend. Het bestuur heeft de vaststellingsovereenkomst vervolgens om 22:46 uur via DocuSign aan de overige maten ter ondertekening aangeboden. De overige maten hebben de vaststellingsovereenkomst nadien digitaal ondertekend.
De vaststellingsovereenkomst bepaalt, voor zover relevant:
“1. Datum beëindiging
Met wederzijds goedvinden ( [vennoot eiseres] kwalificeert dus niet als ‘bad leaver’): 31 oktober 2026 23.59 uur, waarbij geldt dat [vennoot eiseres] eerder mag vertrekken met inachtneming van een opzegtermijn van minimaal 1 week; opzegging dient schriftelijk aan het bestuur plaats te vinden.
2. Winst 2026
Vastgesteld wordt dat [vennoot eiseres] over de periode 1 januari 2026 – 31 oktober 2026 […] recht heeft op 40 winstpunten (op jaarbasis) indien de marge van de praktijk van [vennoot eiseres] in 2026 minimaal EUR 300.000 bedraagt […]. Voor wat betreft de margeberekening geldt dat debiteuren die op 10 maart 2027 nog niet betaald hebben in mindering zullen komen op de margeberekening; OHW dat niet uitgefactureerd is komt ook in mindering op de marge. Indien de marge minder dan EUR 300.000 (op jaarbasis) bedraagt is de maatschap gerechtigd om [vennoot eiseres] minder dan 40 winstpunten (op jaarbasis) toe te kennen […]. [vennoot eiseres] heeft al 3 x EUR 22.000 aan voorschot ontvangen en zal op 16 april 2026 EUR 22.000 aan voorschot ontvangen. Vanaf mei 2026 wordt het voorschot verlaagd naar EUR 16.000 per maand.
[…]
7. Onkosten
Ploum zal de door [vennoot eiseres] met betrekking tot [vennoot eiseres] zelf gemaakte kosten ter zake de trip naar [plaats] voldoen na ontvangst van de facturen (via Klippa). Nog te declareren kosten zullen in lijn met de Ploum-policy gedeclareerd en betaald worden.
[…]
11. ‘Business as usual’
[vennoot eiseres] draagt er zorg voor dat er door [vennoot eiseres] op normale wijze tijd wordt geschreven over de periode tot en met 31 oktober 2026 en op normale wijze wordt gefactureerd en geïncasseerd
[…]
13. Vertrouwelijkheid
Partijen houden zowel de inhoud, de aanleiding als de wijze van tot stand komen van deze Term Sheet volstrekt geheim.
14. Interne berichtgeving
De communicatie over het vertrek van [vennoot eiseres] luidt zoals hieronder is weergegeven en zal per 16 april na 16:00 uur via e-mail plaatsvinden. [vennoot eiseres] mag vooraf zijn sectiegenoten inlichten.
“Gisteren heeft [vennoot eiseres] aangekondigd dat hij heeft besloten te vertrekken bij kantoor. Hij zal uiterlijk 1 nov. 2026 vertrekken. Voorlopig zal hij dus nog onderdeel uitmaken van ons kantoor. Uiteraard zullen wij te zijner tijd afscheid van hem nemen. Wij danken hem hartelijk voor zijn bijdrage aan kantoor.”
[…]
15. Externe berichtgeving
Partijen zullen zich niet negatief uitlaten over elkaar jegens derden. Ploum zal zich inspannen om er voor te zorgen dat haar medewerkers zich [de rechtbank begrijpt: niet] negatief zullen uitlaten over [vennoot eiseres] .
16. Finale kwijting
Met inachtneming van bovenstaande zullen partijen elkaar finale kwijting verlenen welke ook geldt ten opzichte van alle maten van Ploum.
[…]
18. Vaststellingsovereenkomst
Deze Term Sheet heeft het karakter van een vaststellingsovereenkomst in de zin van art. 7:904 BW. Geen der partijen is bevoegd deze Term Sheet te ontbinden en/of te vernietigen. De enige remedie van partijen onder deze Term Sheet is nakoming.”
Op 16 april 2026 heeft Ploum intern bekend gemaakt dat [vennoot eiseres] Ploum per 1 november 2026 zal verlaten.
Ploum heeft over de maand april 2026 aan [persoonlijke vennootschap] een voorschotbetaling van € 22.000 gedaan en over de maanden mei, juni en juli 2026 € 16.000 per maand. Voor de maand augustus 2026 is een voorschotbetaling van € 8.000 voldaan.
Bij brief van 5 augustus 2026 heeft de advocaat van [vennoot eiseres] en [persoonlijke vennootschap] Ploum onder andere gesommeerd om een rectificatiebericht naar de medewerkers van Ploum te sturen, te bevestigen dat [vennoot eiseres] en [persoonlijke vennootschap] niet gebonden zijn aan artikel 13 en 15 van de vaststellingsovereenkomst, voorschotbetalingen van € 22.000 per maand te voldoen, een onkostenvergoeding te betalen, de beëindigingsdatum op te schorten voor de duur van 14 maanden en die datum geheim te houden en € 500.000 aan voorschot schadevergoeding te betalen, bij gebreke waarvan een kortgedingprocedure wordt gestart. Ploum heeft niet aan deze sommaties voldaan.
3. Het geschil
[persoonlijke vennootschap] vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. bepaalt dat [persoonlijke vennootschap] en [vennoot eiseres] zijn ontheven van VSO-beding 13 (vertrouwelijkheid) en VSO-beding 15 (externe berichtgeving);
II. Ploum en ieder der maten verbiedt enige negatieve, althans smadelijke of lasterlijke mededeling te doen over [vennoot eiseres] dan wel [persoonlijke vennootschap] van welke aard dan ook, op straffe van een dwangsom van € 10.000 per schending daarvan;
III. Ploum veroordeelt tot betaling aan [persoonlijke vennootschap] van de maandelijkse voorschotbetalingen van € 22.000, althans € 16.000 vanaf mei tot en met augustus 2026, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de 16e van de betreffende maand en verminderd met een op 19 augustus 2026 betaald bedrag van € 56.000;
IV. Ploum veroordeelt om, zo lang [persoonlijke vennootschap] nog lid van de Maatschap is, aan [persoonlijke vennootschap] zonder verrekening te betalen maandelijks een voorschot van € 22.000, althans € 16.000, telkens op de 16e van de maand, vanaf september 2026, alsmede alle extra voorschotbedragen inzien en voor zover zij aan andere maten worden betaald, zonder verrekening en op dezelfde dag als zij aan de andere maten worden voldaan, vermeerderd met wettelijke rente vanaf die dag indien tijdige betaling uitblijft;
V. bepaalt dat Ploum binnen drie dagen na indienen van door [vennoot eiseres] of [persoonlijke vennootschap] gemaakte onkosten aan [vennoot eiseres] en [persoonlijke vennootschap] die op de gebruikelijke wijze en zonder verrekening dient te vergoeden, met de bepaling dat wettelijke rente vanaf de derde dag verschuldigd is als volledige en tijdige betaling uitblijft;
VI. Ploum gelast geen uitvoering te geven aan de beëindigingsdatum van VSO-beding 1 en deze voor onbepaalde tijd dan wel een redelijke termijn uit te (laten) stellen, en te gelasten dat Ploum en het bestuur gehouden zijn om [persoonlijke vennootschap] en [vennoot eiseres] tot een nieuw overeen te komen beëindigingsdatum als volwaardig lid van de Maatschap te behandelen, door [vennoot eiseres] op de gebruikelijke wijze toegang te blijven verschaffen tot het pand en de kantoren van Ploum, zijn dossiers en de IT- en andere faciliteiten van Ploum, alsmede alle kantoorgerelateerde evenementen en bijeenkomsten, en om zijn vermelding op de website en andere publieke uitlatingen van Ploum op de gebruikelijke wijze te handhaven, op straffe van een dwangsom van € 10.000 voor elke schending van deze bepaling;
VII. gelast dat Ploum binnen twee dagen na het vonnis de homepage van het intranet de volgende paginagrote mededeling plaatst en minstens 30 dagen geplaatst houdt, en om die mededeling ook per e-mail aan alle collega’s (maten, werknemers en anderen die binnen de kantoororganisatie werkzaam zijn) te versturen: “Het bestuur van maatschap Ploum informeert u dat op 16 april 2026 ten onrechte het bericht is geplaatst dat [vennoot eiseres] uiterlijk 1 november 2026 ons kantoor zal verlaten. Dat bericht was onjuist.”, bij gebreke waarvan Ploum een dwangsom van € 10.000 verbeurt per dag of deel daarvan dat zij in gebreke is met het volledig rondsturen, plaatsen of geplaatst houden van die mededeling;
VIII. Ploum veroordeelt tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding aan [persoonlijke vennootschap] van € 500.000 binnen zeven dagen na het vonnis, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf zeven dagen na het vonnis als volledige betaling uitblijft;
IX. Ploum veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
Daartoe voert [persoonlijke vennootschap] – samengevat – het volgende aan. Ploum heeft in strijd met de norm van artikel 6:2 Burgerlijk Wetboek (BW) gehandeld. De vaststellingsovereenkomst is tot stand gekomen onder bedreiging, bedrog en misbruik van omstandigheden als bedoeld in artikel 3:44 BW. Het moet voor Ploum duidelijk zijn geweest dat [vennoot eiseres] tijdens de vergadering compleet van slag was door beschuldigingen over zijn gedrag, zonder enig bewijs daarvoor. Ploum heeft vervolgens gedreigd met maatregelen als [vennoot eiseres] niet die avond de vaststellingsovereenkomst zou tekenen. De vaststellingsovereenkomst is geheel, dan wel gedeeltelijk vernietigbaar met een beroep op artikel 3:44 BW en 6:228 BW. In een bodemprocedure zal [persoonlijke vennootschap] (gedeeltelijke) vernietiging van de vaststellingsovereenkomst vorderen. Vooruitlopend daarop vordert [persoonlijke vennootschap] voorlopige voorzieningen. Verder is sprake van onrechtmatig handelen. Het bestuur en compagnon [naam 7] hebben de andere maten voorgehouden dat vaststond dat [vennoot eiseres] grensoverschrijdend gedrag had vertoond, zonder enig bewijs daarvan. Ook heeft het bestuur geen onafhankelijk onderzoek willen doen en is [vennoot eiseres] niet deugdelijk over de gedragingen gehoord. Ploum was voorheen altijd slechts positief over het functioneren van [vennoot eiseres] . Op grond van onware beschuldigingen van grensoverschrijdend gedrag gecombineerd met futiele kwesties als die met betrekking tot [bedrijfsnaam 2] , het CJIB en het OHW wordt [vennoot eiseres] geofferd om werkelijk door anderen binnen Ploum gepleegd grensoverschrijdend gedrag aan het zicht te onttrekken. [vennoot eiseres] is ernstig in zijn goede naam geschaad en lijdt daardoor samen met [persoonlijke vennootschap] aanzienlijke schade. Het bestuur en de heer [naam 7] zijn naast Ploum persoonlijk aansprakelijk voor de schade. De totale schade zal in een bodemprocedure worden gevorderd en vooruitlopend daarop vordert [persoonlijke vennootschap] een voorschot.
Ploum voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
[persoonlijke vennootschap] heeft diverse vorderingen ingesteld die vooruitlopen op een (gedeeltelijke) vernietiging van de door Ploum en [persoonlijke vennootschap] gesloten vaststellingsovereenkomst. Of de gevorderde voorzieningen toewijsbaar zijn, is dus in belangrijke mate afhankelijk van een inschatting van het uiteindelijke resultaat van een te voeren bodemprocedure, waarin [persoonlijke vennootschap] (gedeeltelijke) vernietiging van de vaststellingsovereenkomst en schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen - zoals het onterecht adviseren de samenwerking te beëindigen en het nalaten van deugdelijk onderzoek naar de meldingen van ongepast gedrag - zal vorderen. De voorzieningenrechter zal daarom beoordelen of het in voldoende mate aannemelijk is dat de bodemrechter Ploum in het ongelijk gaat stellen. De voorzieningenrechter zal bij de beoordeling van de gevorderde voorzieningen ook een afweging maken van de belangen van partijen.
In de eerste plaats dient de voorzieningenrechter te beoordelen of in voldoende mate aannemelijk is dat de vaststellingsovereenkomst door de bodemrechter zal worden vernietigd. Alleen als het antwoord daarop bevestigend zal zijn, bestaat ruimte om de aannemelijkheid van de gestelde onrechtmatigheid te beoordelen. Met de vaststellingsovereenkomst is immers beoogd een einde te maken aan het geschil tussen partijen over de vraag of de beëindiging van hun samenwerking terecht is of niet. Als niet aannemelijk is dat de vaststellings-overeenkomst vernietigd zal worden, moet er in het kader van dit kort geding eveneens vanuit worden gegaan dat deze discussie niet meer kan worden hervat, vanwege de in die overeenkomst verleende finale kwijting.
De voorzieningenrechter overweegt dat als uitgangspunt geldt dat partijen gebonden zijn aan de vaststellingsovereenkomst, ware het niet dat de vaststellingsovereenkomst kan worden vernietigd als sprake is van de door [persoonlijke vennootschap] gestelde misbruik van omstandigheden of als deze overeenkomst tot stand is gekomen onder bedreiging.
Partijen hebben sterk van elkaar afwijkende visies gegeven over de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst tijdens de maatschapsvergadering van 15 april 2026.
[persoonlijke vennootschap] heeft kort gezegd naar voren gebracht dat tijdens deze vergadering immense druk op [vennoot eiseres] is uitgeoefend en dat ook zichtbaar was dat hij aangeslagen was. Mede onder verwijzing naar een schriftelijke verklaring van mr. [naam 6] , stelt [persoonlijke vennootschap] dat [vennoot eiseres] tijdens de onderhandelingen te kennen is gegeven dat, als hij de vaststellingsovereenkomst niet zou tekenen, er gestemd zou worden en dat er voldoende steun was voor zijn vertrek. [vennoot eiseres] zou dan onder minder goede voorwaarden moeten vertrekken; zo zou zijn voorschot worden teruggebracht tot € 10.000 per maand. Verder zou dan “het verhaal” (de voorzieningenrechter begrijpt: de kwestie rond de meldingen van grensoverschrijdend gedrag) de volgende dag bekend worden. Ploum heeft betwist oneigenlijke druk te hebben uitgeoefend en betwist met name dat gedreigd is “het verhaal” naar buiten te brengen.
Niet betwist is dat op 15 april 2026, nadat een compagnon na een kleine twee uur vergaderen de vraag opwierp of [vennoot eiseres] niet beter de eer aan zichzelf kon houden, [vennoot eiseres] en mr. [naam 6] zich ongeveer 10 minuten hebben teruggetrokken en dat [vennoot eiseres] na terugkomst te kennen gaf te willen spreken over een mogelijke vaststellingsovereenkomst. Het bestuur had eerder te kennen gegeven dat ofwel over de beëindiging van de maatschapsovereenkomst met [persoonlijke vennootschap] zou worden gestemd, ofwel dat diezelfde avond een vaststellingsovereenkomst moest worden gesloten waarmee de maatschapsovereenkomst met [persoonlijke vennootschap] zou worden beëindigd. Nadat [vennoot eiseres] te kennen had gegeven te willen spreken over een vaststellingsovereenkomst, zijn [vennoot eiseres] , mr. [naam 6] en mr. [bestuurslid 3] naar een andere ruimte gegaan alwaar zij twee uur hebben onderhandeld over de inhoud van de vaststellingsovereenkomst. Na de totstandkoming van een concept-regeling hebben [vennoot eiseres] en mr. [naam 6] zich ongeveer drie kwartier onder vier ogen beraden over deze regeling. Vervolgens is de concept-regeling met een wijzigingsvoorstel van de zijde van [vennoot eiseres] aan de vergadering voorgelegd en is de uiteindelijke vaststellingsovereenkomst ondertekend door [vennoot eiseres] en de nog aanwezige compagnons (mede namens de niet (meer) aanwezige compagnons).
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is tegen de onder 4.5 geschetste achtergrond niet voldoende waarschijnlijk dat de bodemrechter de vaststellingsovereenkomst zal vernietigen. Daarbij is van belang dat voor [vennoot eiseres] voorafgaand aan de vergadering duidelijk was dat over zijn exit zou worden gesproken en dat hij in de aanloop naar die vergadering ook een uitgebreide eigen zienswijze heeft verstrekt aan de aanwezigen, dat [vennoot eiseres] zich heeft laten vergezellen van een ervaren arbeidsrechtadvocaat en dat hij zelf ook een ervaren advocaat is. Voorts kan niet worden gezegd dat er onvoldoende tijd is geweest voor (onderling) beraad over de te treffen regeling.
Als er inderdaad vanuit moet worden gegaan dat tijdens de onderhandelingen te kennen is gegeven dat, als hij de vaststellingsovereenkomst niet zou tekenen, er gestemd zou worden en dat er voldoende steun was voor zijn vertrek, dan is dat weinig meer dan een feitelijk juiste mededeling. Niet aannemelijk is dat een (uitgestelde) stemming tot een voor [vennoot eiseres] gunstige uitkomst zou hebben geleid. Niet voor niets werd de discussie na twee uur kennelijk samengevat in de vraag of hij niet de eer aan zichzelf zou moeten houden. Ook als voorts gezegd zou zijn dat [vennoot eiseres] na stemming onder minder goede voorwaarden zou moeten vertrekken, is dat evenmin een onjuiste mededeling. [vennoot eiseres] heeft niet aangevoerd dat hij in geval van stemming met een gunstiger regeling zou vertrekken. Deze opmerkingen kunnen dan ook niet kwalificeren als bedreigingen, ook als zij op een onbehouwen manier naar voren zijn gebracht. Ook de mededeling dat zijn voorschot na stemming zou worden teruggebracht tot € 10.000 per maand kan niet als een oneigenlijk drukmiddel worden gekwalificeerd. Zoals hieronder nog zal blijken, zou zo’n voorschot niet duidelijk uit de pas lopen met zijn (nog te verwachten) omzet. Ten slotte is gemotiveerd betwist dat zou zijn gedreigd met het op kantoor naar buiten brengen van “het verhaal”. Ploum brengt hierover naar voren dat [vennoot eiseres] wel op enig moment te kennen is gegeven dat op kantoor “iedereen altijd alles weet”, hetgeen gezien het feit dat het meerdere melders betreft die hun meldingen niet alleen met enkele compagnons, maar mogelijk ook met anderen hebben gedeeld, waarschijnlijk niet als een onjuiste of oneigenlijke mededeling kan worden gezien. Bij deze stand van zaken is niet aannemelijk dat gedreigd is met openbaarmaking van “het verhaal”.
Al met al is dan ook niet aannemelijk geworden dat de vaststellingsovereenkomst onder bedreiging tot stand is gekomen of dat misbruik van omstandigheden is gemaakt. Het alternatief was immers dat zou worden gestemd over de beëindiging van de samenwerking met [persoonlijke vennootschap] en de uitkomst daarvan was naar alle waarschijnlijkheid ook een beëindiging van de samenwerking vanwege een vertrouwensbreuk (die overigens, anders dan [vennoot eiseres] meent, kennelijk al in juli 2025 in de lucht hing en wel op grond van een andere kwestie dan die van de meldingen van de vrouwelijke collega’s (vgl. 2.12). Daar komt dus bij dat de uitkomst van de vaststellingsovereenkomst op de belangrijkste punten niet nadeliger is dan die gebruikelijk is na een opzegging door de Maatschap. Uit dat laatste volgt dat naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, en anders dan [persoonlijke vennootschap] bepleit, niet waarschijnlijk is dat de inhoud van de vaststellingsovereenkomst door de bodemrechter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zal worden geacht.
Gezien het voorgaande acht de voorzieningenrechter het onvoldoende aannemelijk dat de bodemrechter tot (gedeeltelijke) vernietiging van de vaststellingsovereenkomst zal overgaan. Zoals hiervoor al uiteengezet, komt de voorzieningenrechter onder deze omstandigheid niet toe aan de vraag naar de aannemelijkheid van het gestelde onrechtmatige handelen, waaronder de vraag of het bestuur mocht adviseren tot het beëindigen van de samenwerking met [persoonlijke vennootschap] / [vennoot eiseres] op grond van het eigen (niet extern belegde) onderzoek naar de meldingen van de vrouwelijke medewerkers. Het spreekt voor zich dat de voorzieningenrechter in dit vonnis ook geen (voorlopig) oordeel over de gegrondheid van de meldingen toekomt. In het kader van stellingen over de niet-nakoming van de vaststellingsovereenkomst en de belangenafweging beoordeelt de voorzieningenrechter desalniettemin nog een aantal vorderingen van [persoonlijke vennootschap] .
Vordering I: vertrouwelijkheid en berichtgeving
[persoonlijke vennootschap] vordert dat [persoonlijke vennootschap] en [vennoot eiseres] worden ontheven van VSO-beding 13 (vertrouwelijkheid) en VSO-beding 15 (externe berichtgeving). Zoals hiervoor is overwogen, is niet voldoende aannemelijk dat de bodemrechter tot een (gedeeltelijke) vernietiging van de vaststellingsovereenkomst komt. In het kader van een belangenafweging ziet de voorzieningenrechter echter aanleiding om [persoonlijke vennootschap] en [vennoot eiseres] gedeeltelijk te ontheffen van het vertrouwelijkheidsbeding. [persoonlijke vennootschap] en [vennoot eiseres] hebben namelijk een zwaarwegend belang om hun advocatenpraktijk op de kortst mogelijke termijn elders onder te brengen en zij worden momenteel bij het voeren van gesprekken daarover gehinderd door het geheimhoudings-beding. Daar komt bij dat het geschil tussen partijen en de verwijten aan het adres van [vennoot eiseres] in de (lokale) advocatuur inmiddels breed bekend zijn en ook deze procedure in de openbaarheid plaatsvindt. [vennoot eiseres] (en daarmee ook [persoonlijke vennootschap] ) heeft dan ook een voldoende zwaarwegend belang om zijn kant van het verhaal te vertellen tijdens gesprekken met kantoren waar [vennoot eiseres] zijn praktijk wil trachten onder te brengen. Het belang van Ploum om de aanleiding en de wijze waarop de vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen geheim te houden, weegt onder de gegeven omstandigheden thans minder zwaar, ook als in ogenschouw wordt genomen dat [vennoot eiseres] zelf heeft gekozen deze openbare procedure te voeren. Voor het overige worden [persoonlijke vennootschap] en [vennoot eiseres] niet van de overeengekomen bedingen ontheven, mede omdat het in het belang van beide partijen is om het geschil niet verder te laten escaleren en zich dus niet negatief over de ander uit te laten richting derden.
Vordering II: verbod negatieve dan wel smadelijke of lasterlijke mededelingen
Met artikel 15 van de vaststellingsovereenkomst zijn partijen reeds overeengekomen dat zij zich niet negatief jegens derden over elkaar zullen uitlaten en dat Ploum zich zal inspannen om ervoor te zorgen dat haar medewerkers zich niet negatief over [vennoot eiseres] zullen uitlaten. Ploum heeft in deze procedure bevestigd dat zij zich aan deze verplichting zal houden. Behoudens één incident waarbij een compagnon zich (met de deur open) negatief tegen [vennoot eiseres] heeft uitgelaten, is niet gebleken dat Ploum in strijd met artikel 15 van de vaststellingsovereenkomst handelt. De vordering wordt daarom afgewezen.
Vordering III en IV: (achterstallige) voorschotbetalingen
[persoonlijke vennootschap] vordert dat Ploum wordt veroordeeld tot betaling van € 22.000 dan wel € 16.000 per maand aan voorschotten vanaf mei 2026, zonder verrekening, vermeerderd met wettelijke rente en verminderd met een betaling van € 56.000, alsmede tot betaling van extra voorschotbedragen die aan de andere maten worden betaald, wederom zonder verrekening en eventueel te vermeerderen met wettelijke rente.
Volgens vaste jurisprudentie is ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden. Onderzocht moet worden of het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is. Dat betekent dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrechter haar zal toewijzen. Daarnaast moet sprake zijn van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Voorts moet in de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico betrokken worden.
Tussen partijen is niet in geschil dat de betalingen voorschotten zijn op de door [persoonlijke vennootschap] te ontvangen winst op grond van de maatschapsovereenkomst en artikel 2 van de vaststellingsovereenkomst. Ploum heeft onweersproken aangevoerd dat [persoonlijke vennootschap] op 31 juli 2026 € 136.000 aan voorschotbetalingen had ontvangen terwijl haar winstaandeel op dat moment € 57.840 bedroeg. Nadien heeft [persoonlijke vennootschap] in beperkte mate omzet gegenereerd. Om te voorkomen dat de minstand verder zou oplopen en [persoonlijke vennootschap] bij het eindigen van de maatschapsovereenkomst een fors bedrag terug zou moeten betalen, heeft Ploum de voorschotbetalingen naar beneden bijgesteld. Ploum heeft aangevoerd dat het bestuur daartoe gerechtigd is als de ontwikkeling van de marge van een compagnon zodanig achterloopt dat een forse puntenvermindering over dat jaar te verwachten valt en dat het bestuur af en toe van die bevoegdheid gebruikmaakt. De voorzieningenrechter sluit niet uit dat het bestuur hiertoe bevoegd is nu het om voorschotbetalingen gaat en [persoonlijke vennootschap] een fors hoger bedrag had ontvangen dan waartoe hij op basis van de huidige cijfers gerechtigd is. Daarnaast heeft Ploum onweersproken aangevoerd dat de omzet van de praktijk van [persoonlijke vennootschap] de laatste maanden verder terugloopt. Bij die stand van zaken is het bestaan van een vordering van [persoonlijke vennootschap] op Ploum onvoldoende aannemelijk, zodat de vordering daar in beginsel op afstuit. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel, nu [vennoot eiseres] er niet bij gebaat is als hij op korte termijn voorschotbetalingen ontvangt die hij spoedig, kort na het einde van de maatschapsovereenkomst, terug zal moeten betalen. Het belang van Ploum om de ‘minstand’ niet verder op te laten lopen weegt in dit geval zwaarder. Ten slotte is nog van belang dat Ploum er terecht op heeft gewezen dat de tekst uit de vaststellingovereenkomst ruimte lijkt te laten voor een verlaging van het voorschot na mei 2026 (“Vanaf mei 2026 wordt het voorschot verlaagd naar EUR 16.000 per maand”).
Vordering V: declaraties
[persoonlijke vennootschap] vordert dat Ploum declaraties van [persoonlijke vennootschap] en [vennoot eiseres] binnen drie dagen na indiening op de gebruikelijke wijze en zonder verrekening moet vergoeden, bij gebreke waarvan wettelijke rente verschuldigd is. Ter onderbouwing daarvan stelt [persoonlijke vennootschap] dat zij bij een declaratie zonder duidelijke reden lang heeft moeten wachten op betaling. De betaling volgde pas na de aankondiging van het onderhavige kort geding. Om te voorkomen dat [persoonlijke vennootschap] en [vennoot eiseres] wederom met een kort geding moeten dreigen om hun onkosten vergoed te krijgen, stelt [persoonlijke vennootschap] een spoedeisend belang te hebben om vergoeding van deze toekomstige onkosten te vorderen. De voorzieningenrechter gaat daar niet in mee. [persoonlijke vennootschap] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in de nabije toekomst declarabele onkosten maakt en in het kader van de belangenafweging ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding om af te wijken van hetgeen partijen in de vaststellingsovereenkomst hebben afgesproken, namelijk dat nog te declareren kosten in lijn met de Ploum-policy gedeclareerd en betaald zullen worden.
Vordering VI en VII: einddatum en mededeling
[persoonlijke vennootschap] wenst dat de beëindigingsdatum wordt opgeschort. Hiervoor heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat niet voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter tot een (gedeeltelijke) vernietiging van de vaststellingsovereenkomst komt, zodat de voorzieningenrechter in beginsel geen aanleiding ziet om de overeengekomen einddatum op te schorten.
Ook een belangenafweging kan niet tot een andere uitkomst leiden. [persoonlijke vennootschap] heeft aangevoerd dat het waarschijnlijk niet mogelijk is om haar praktijk voor de overeengekomen einddatum elders onder te brengen. Verder heeft [persoonlijke vennootschap] aangevoerd dat het onverantwoord zou zijn om als eenpitter een nieuw kantoor te starten, omdat een aantal grote cliënten de samenwerking dan zal beëindigen en zijn medewerkers mogelijk niet mee zullen gaan omdat een groter kantoor meer zekerheid biedt. Het handhaven van de einddatum zou daarom nadelige gevolgen hebben voor de praktijk van [vennoot eiseres] , voor [vennoot eiseres] zelf, voor zijn medewerkers en de betrokken gezinnen. Daar staat tegenover dat Ploum er belang bij heeft dat de overeengekomen en aangekondigde einddatum wordt gehandhaafd, nu voldoende aannemelijk is geworden dat een langer aanblijven van [vennoot eiseres] voor onrust en spanningen binnen het kantoor zal leiden. Partijen zijn ter beëindiging van hun geschil overeengekomen dat [persoonlijke vennootschap] / [vennoot eiseres] uiterlijk per 1 november 2026 vertrekt, hetgeen een (iets) ruimere termijn is dan de opzeggingstermijn uit de maatschapsovereenkomst. Bij die stand van zaken bestaat er onvoldoende aanleiding om tot een opschorting van de beëindigingsdatum te komen. De vordering wordt afgewezen. In het verlengde hiervan wordt ook de gevorderde mededeling over de opschorting van de einddatum afgewezen.
Vordering VIII: voorschot schadevergoeding
[persoonlijke vennootschap] vordert € 500.000 aan voorschot op schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen. [persoonlijke vennootschap] heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat de te verwachten inkomstenderving tot en met 2036 € 8.163.701,05 bedraagt en dat [vennoot eiseres] reputatieschade lijdt. Daarnaast is sprake van kosten die hun doel hebben gemist, zoals de reis naar [plaats] en het bedrag dat [vennoot eiseres] vanuit eigen middelen heeft aangewend om een faillissement van [bedrijfsnaam 1] te voorkomen. [persoonlijke vennootschap] stelt verder dat zij een spoedeisend belang bij het gevorderde voorschot heeft, onder meer vanwege de mogelijke inkoop in een ander kantoor dan wel om zijn eigen kantoor op te starten.
Zoals hiervoor is overwogen, is ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden. Voor toewijzing van een voorschot is alleen plaats als het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is en als sprake is van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Ook het restitutierisico moet in de belangenafweging worden betrokken.
Nu het niet voldoende aannemelijk is geworden dat [persoonlijke vennootschap] in een bodemprocedure met succes een beroep op vernietiging van de vaststellingsovereenkomst kan doen en het er dus voor moet worden gehouden dat een vordering op grond van onrechtmatige daad afstuit op de finale kwijting, bestaat onvoldoende grond voor het verstrekken van een voorschot op schadevergoeding. De voorzieningenrechter ziet in dat dat de positie van [vennoot eiseres] uiterst lastig is, omdat hem anoniem wordt verweten dat hij grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond. De precieze inhoud van de klachten is ook pas in een relatief laat stadium aan hem bekend geworden. In de onderhavige kortgedingprocedure is echter - als voorbij wordt gegaan aan de kwestie van de finale kwijting - niet voldoende aannemelijk geworden dat de wijze waarop het bestuur onderzoek heeft gedaan evident onrechtmatig is. Daarbij weegt mee dat uiteindelijk wederhoor heeft kunnen plaatsvinden in de vorm van een schriftelijke reactie ten behoeve van de maatschapsvergadering van 15 april 2026. Dat laat onverlet dat het de voorzieningenrechter voorkomt dat voor mogelijk toekomstige meldingen van grensoverschrijdend gedrag, het in het belang van alle betrokken is, dat Ploum een protocol voor dit soort meldingen heeft en natuurlijk ook volgt. De conclusie is echter dat het gevorderde voorschot op schadevergoeding wordt afgewezen.
Proceskosten
[persoonlijke vennootschap] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Ploum worden begroot op:
- griffierecht € 7.062
- salaris advocaat € 1.177
- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 8.428
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
bepaalt dat [persoonlijke vennootschap] gedeeltelijk van VSO-beding 13 (vertrouwelijkheid) is ontheven, in die zin dat [persoonlijke vennootschap] bij monde van haar bestuurder [vennoot eiseres] tegenover derden met wie zij in het kader van een mogelijke toekomstige samenwerking gesprekken voert, mag verklaren over de aanleiding en de wijze waarop de vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen;
veroordeelt [persoonlijke vennootschap] in de proceskosten van Ploum, begroot op € 8.428, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [persoonlijke vennootschap] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [persoonlijke vennootschap] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.
3556