ECLI:NL:RBDHA:2026:29495

ECLI:NL:RBDHA:2026:29495

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-10-2026
Datum publicatie 07-10-2026
Zaaknummer NL26.35394
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

AMbV. Spanje.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.35394

(gemachtigde: mr. A. Heida),

en

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 22 juni 2026 (het bestreden besluit) niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.35395), op 29 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is [naam Tolk] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser stelt de Kenyaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] . Hij heeft op 12 april 2026 een asielaanvraag in Nederland ingediend.

2. Uit onderzoek in EU-Vis is gebleken dat eiser een visum van de Spaanse autoriteiten heeft gekregen. Het visum was geldig van 3 april 2026 tot en met 2 mei 2026. Het visum van eiser was dus nog geldig ten tijde van de asielaanvraag van eiser in Nederland. Op 29 april 2026 heeft Nederland aan Spanje verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 12, tweede lid, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Op 5 mei 2026 heeft Spanje dit verzoek aanvaard op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening.

Totstandkoming van het besluit

2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Spanje op grond van de Verordening (EU) nr. 2024/1351 (Asiel- en Migratiebeheerverordening, hierna: AMbV) verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.

Toepasselijk recht

3. Op 12 juni 2026 is de Verordening (EU) nr. 2024/1351 (Asiel- en Migratiebeheerverordening: hierna AMbV) in werking getreden. Artikel 83, eerste volzin, van de AMbV bepaalt dat de Dublinverordening op 12 juni 2026 wordt ingetrokken.

Op grond van artikel 84, tweede lid, van de AMbV wordt de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgestelde criteria.

Omdat het bestreden besluit is genomen nadat de AMbV in werking is getreden, heeft verweerder het besluit, anders dan eiser betoogt, terecht gebaseerd op de AMbV. Omdat eisers verzoek om internationale bescherming vóór 12 juni 2026 is ingediend, wordt de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is, op grond van het overgangsrecht, bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgestelde criteria.

Beroepsgronden van eiser

4. Eiser voert aan dat hij bij overdracht vreest voor een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volgens eiser is er sprake van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen, waardoor ten aanzien van Spanje niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hij vreest bij terugkeer naar Spanje geen toegang te krijgen tot de opvang. Ter onderbouwing wijst eiser op de AIDA-rapporten, updates 2019 tot en met 2025. Uit de aangehaalde passages blijkt volgens eiser dat het voor Dublinterugkeerders moeilijk blijft om toegang tot de opvang en de asielprocedure te krijgen. Gelet op de AIDA-rapporten stelt eiser dat de hoge drempel van zwaarwegendheid, als bedoeld in het arrest Jawo, wel is gehaald. Indien eiser geen toegang tot de opvangfaciliteiten wordt verleend, zal hij geen toegang hebben tot basisfaciliteiten om in de basisbehoeften van zijn bestaan te voorzien. Verder voert eiser aan dat verweerder gebruik had moeten maken van zijn discretionaire bevoegdheid om de asielaanvraag van eiser aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat eiser zich op het standpunt stelt dat het al dan niet gebruik van de discretionaire bevoegdheid door verweerder niet is uitgesloten van rechterlijke toetsing en getoetst dient te worden aan het beleid ter uitvoering van artikel 17 van de Dublinverordening in plaats van het beleid ter uitvoering van artikel 35 van de AMbV. Gelet op de traumatische gebeurtenis van eiser in Spanje had verweerder gebruik moeten maken van deze discretionaire bevoegdheid.

Beoordeling door de rechtbank

Schending van artikel 3 EVRM of artikel 4 van het Handvest

5. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft dit aanzien van Spanje nog aangenomen op 16 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1431), waarin de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem van 28 februari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:3598) is bevestigd en in de uitspraak van 25 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5561), waarin de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem van 14 oktober 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:20950) is bevestigd. Dit betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Spanje zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat eiser bij overdracht aan Spanje geen risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Spanje overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen ten aanzien van het asiel- en opvangsysteem in Spanje. Niet elke tekortkoming in het asiel- en opvangsysteem van de verantwoordelijke lidstaat levert een schending op. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218)

De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten aanzien van Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit heeft kunnen gaan. Eiser heeft gewezen op de verschillende passages uit de AIDA-rapporten over Spanje uit de updates 2019 tot en met 2025. Volgens eiser volgt uit deze AIDA-rapporten dat er in Spanje nog steeds structurele tekortkomingen in de asielprocedure bestaan, waar over de jaren geen verbetering in is gekomen. Meer specifiek wijst eiser op pagina 64 van het meest recente AIDA-rapport, update 2025, waaruit volgt dat Dublinterugkeerders problemen ervaren bij de eerste toegang tot asiel en de verwerking van aanvragen. Over het meest recente AIDA-rapport heeft de Afdeling zich nog niet uitgelaten. Dit rapport schetst, volgens eiser, een wezenlijk ander beeld dan de rapporten die de Afdeling eerder in haar uitspraken heeft beoordeeld. Hierbij voert eiser aan dat de tekortkomingen in de asielprocedure al jaren bestaan zonder dat er verbeteringen zijn, waardoor de weging van de tekortkomingen in de asielprocedure anders dient te zijn en deze tekortkomingen wel degelijk zwaarwegend genoeg zijn om de lat van Jawo te halen. Naar het oordeel van de rechtbank schetst het door eiser aangehaalde rapport geen wezenlijk ander of slechter beeld van de situatie in Spanje dan uit de eerdere updates blijkt. Uit het AIDA-rapport (update 2025) kan worden afgeleid dat dezelfde problemen die uit de eerdere rapporten volgen er nog steeds zijn, maar niet dat die zodanig zijn dat er sprake is van structurele tekortkomingen die de hoge drempel van zwaarwegendheid zoals beschreven in het arrest Jawo halen. Het standpunt van eiser dat de tekortkomingen in de Spaanse asielprocedure al jaren bestaan zonder verbetering waardoor er een zwaarder gewicht aan moet worden toegekend, volgt de rechtbank niet. |Uit het AIDA-rapport (update 2025) blijkt niet dat de situatie is verslechterd. Ook volgt uit pagina 48 van dit AIDA-rapport dat de Spaanse autoriteiten pogingen doen om de asielprocedure te verbeteren en dus niet onwelwillend zijn om maatregelen te treffen. Dit maakt dat de drempel van Jawo niet is overschreden.

Als eiser in Spanje problemen ervaart in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen en hij meent dat Spanje zich jegens hem niet houdt aan de internationale verplichtingen, ligt het op zijn weg om hierover te klagen bij de Spaanse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen bij de Spaanse autoriteiten niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. Hierbij is van belang dat Spanje partij is bij het EVRM, waardoor eiser bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kan klagen indien hij meent dat sprake is van een dreigende schending van artikel 3 van het EVRM. Verweerder mag er van uitgaan dat eiser bij voorkomende problemen in Spanje de bescherming van de Spaanse autoriteiten kan krijgen. Ook hiervoor geldt dat niet aannemelijk is gemaakt dat hulp vragen in Spanje niet mogelijk is voor eiser.

De beroepsgrond slaagt niet.

Discretionaire bevoegdheid

6. De rechtbank stelt vast dat artikel 35 van de AMbV, op grond waarvan de lidstaat een discretionaire bevoegdheid heeft te besluiten een asielverzoek onverplicht te behandelen, onmiddellijke werking heeft sinds 12 juni 2026. Uit artikel 84, tweede lid, van de AMbV volgt namelijk niet dat het overgangsrecht ook van toepassing is op de discretionaire bevoegdheid van de lidstaat een asielverzoek onverplicht te behandelen.

7. In artikel 43, eerste lid, van de AMbV staat dat de verzoeker het recht heeft tegen het overdrachtsbesluit bij een rechterlijke instantie een doeltreffend rechtsmiddel in te stellen waarbij de draagwijdte van dit rechtsmiddel is beperkt. Artikel 35 van de AMbV, waarin de discretionaire bevoegdheid is opgenomen om een verzoek om internationale bescherming zelf te behandelen, is niet in dit artikel opgenomen. De rechtbank is, anders dan verweerder, van oordeel dat dit niet met zich brengt dat de weigering toepassing te geven aan artikel 35 van de AMbV is uitgesloten van een rechterlijke toetsing.

Artikel 43, eerste lid, van de AMbV beperkt de draagwijdte van het beroep dat is gericht tegen een overdrachtsbesluit. Het gaat dan om een besluit, volgend op een aanvaarding van een overnameverzoek of een kennisgeving inzake terugname door de lidstaat die op basis van de AMbV gestelde bindende criteria verantwoordelijk is voor de verzoeker. Dit is een besluit dat is gegrond op het Unierecht. Artikel 35 van de AMbV gaat over de mogelijkheid voor een lidstaat om van deze verantwoordelijkheidscriteria af te wijken en een verzoek om internationale bescherming te behandelen, ook al is die lidstaat volgens de bindende criteria van de AMbV niet verantwoordelijk voor de behandeling. Een besluit om al dan niet van de in artikel 35 van de AMbV geboden mogelijkheid gebruik te maken en de keuze van verweerder om zijn daarbij gevoerde beleid al dan niet toe te passen, is een besluit dat naar het oordeel van de rechtbank niet met een overdrachtsbesluit gelijk kan worden gesteld. Dit besluit heeft een nationaal karakter. De rechtbank vindt steun voor dit standpunt in het arrest AHY van het Hof van Justitie van 18 april 2024, ECLI:EU:C:2024:334. Dit arrest gaat over de artikelen 17 en 27 van de Dublinverordening en is naar het oordeel van de rechtbank onverkort van toepassing op de AMbV en de verhouding tussen de artikelen 43 en 35 van de AMbV. Artikel 35, eerste lid, van de AMbV is vrijwel gelijkluidend aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. In artikel 43 van de AMbV is verder eenzelfde recht opgenomen als in artikel 27 van de Dublinverordening. De tekst komt wat betreft het recht op een rechtsmiddel tegen het overdrachtsbesluit volledig overeen. Artikel 43 van de AMbV beperkt de rechterlijke toetsing van een besluit van verweerder om al dan niet gebruik te maken van de in artikel 35 van de AMbV opgenomen discretionaire bevoegdheid naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet. Op grond van het nationale bestuursprocesrecht, artikel 8.1. van de Algemene wet bestuursrecht, kan daartegen beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter.

In het verlengde hiervan merkt de rechtbank op dat uit het arrest AHY ook voortvloeit dat de discretionaire bevoegdheid om een verzoek te behandelen aan geen enkele specifieke voorwaarde is gebonden. De bevoegdheid biedt de mogelijkheid om zelfstandig – uit politieke, humanitaire of praktische overwegingen – te besluiten een verzoek om internationale bescherming te behandelen, ook al is de lidstaat daar niet toe verplicht. Omdat artikel 35 van de AMbV onmiddellijke werking heeft is, anders dan eiser stelt, het huidige beleid (C2/3.3.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000), zoals dat geldt met ingang van 12 juni 2026, van toepassing. Volgens dit beleid maakt verweerder in de regel geen gebruik van deze discretionaire bevoegdheid, tenzij dit naar oordeel van verweerder vanwege proceseconomische redenen aangewezen is. Gelet op de vrijheid van verweerder om al dan niet voor de toepassing van artikel 35 van de AMbV te kiezen, staat het naar het oordeel van de rechtbank verweerder ook vrij om die discretionaire bevoegdheid op deze manier in te vullen. De omstandigheden die eiser aanvoert geven onvoldoende aanleiding om van verweerder te verlangen hiervan af te wijken en een individuele belangenafweging te maken. Daar komt bij dat verweerder in het bestreden besluit heeft getoetst of er in het geval van eiser proceseconomische redenen zijn om zijn asielaanvraag alsnog aan zich te trekken, maar hier is niet van gebleken.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar

Griffier

  • mr. E.P.S. Wessels

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand