RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.55308
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en
Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 september 2026, waarbij de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Dat houdt in dat een mondelinge behandeling achterwege blijft. Het onderzoek in de zaak is gesloten op 2 oktober 2026.
Beoordeling
1. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Asiel- en migratiebeheerverordening (Ambv). Op grond van de Ambv neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft op 18 september 2026 een asielaanvraag ingediend. Hij stelt van Gambiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op 16 mei 2006. Nederland heeft bij Polen een verzoek om overname gedaan. Polen heeft dit verzoek aanvaard.
2. Eiser voert aan dat de gegeven motivering het bestreden besluit niet kan dragen. Eiser heeft grote moeite met zijn overdracht aan Polen. Hij heeft in Polen ernstige discriminatie meegemaakt vanwege zijn huidskleur. Hij is uitgescholden en beschimpt, en kreeg geen toegang tot openbare gelegenheden. Wegens deze sociale discriminatie vreest eiser voor een verblijf in Polen.
3. Verweerder mag in beginsel ten opzichte van Polen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen.
4. Eiser heeft met wat hij aanvoert het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. In het bijzonder heeft hij met de enkele verwijzing naar zijn eerdere ervaringen in Polen niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van de overdracht aan Polen een reëel risico zal lopen op schending van zijn grondrechten die neerkomt op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest. Eiser heeft niet onderbouwd dat, als hij in Polen wordt gediscrimineerd, het voor hem niet mogelijk of zinloos is om de hulp in te roepen van de Poolse autoriteiten.
5. Het beroep is daarom kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 2 oktober 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.