ECLI:NL:RBDHA:2026:29505

ECLI:NL:RBDHA:2026:29505

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 06-10-2026
Datum publicatie 07-10-2026
Zaaknummer NL26.57319
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Vrijheidsontnemende maatregel artikel 6, derde lid - uitgestelde grensweigering – voldoende gemotiveerd – geen lichter middel mogelijk – beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.57319

V-nummer: [V-nummer],

(gemachtigde: mr. M.M. Volwerk),

en

(gemachtigde: mr. W. Vrooman).

Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft op 30 september 2026 zijn gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 2 oktober 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 6 oktober 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.

2. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vb wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

3. Eiser voert aan dat oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel

geen automatisme mag zijn en dat onvoldoende is beoordeeld in hoeverre de maatregel noodzakelijk en evenredig is. Tijdens het gehoor bij de Kmar heeft eiser zijn asielmotief reeds toegelicht en daaruit volgt dat hij valt onder een risicoprofiel conform het landenbeleid, te weten LHBTIQ+. Om deze reden al is de maatregel niet noodzakelijk. Verder had verweerder moeten onderzoeken of een lichter middel zoals een meldplicht zou kunnen volstaan ter bewaking van het grensbewakingsbelang.

4. De rechtbank begrijpt de beroepsgrond zo dat eiser stelt dat zijn asielaanvraag niet in de asielgrensprocedure kan worden behandeld, omdat hij tot een risicoprofiel behoort. Zodra in de asielgrensprocedure wordt geoordeeld dat de zaak niet in de grensprocedure kan worden afgedaan, vervalt de grondslag voor de vrijheidsontneming. Echter op voorhand kan niet worden gezegd dat de asielaanvraag niet in de grensprocedure kan worden afgedaan of dat eiser tot het risicoprofiel behoort. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat verweerder enige tijd moet worden gegund om te beoordelen of de asielaanvraag inderdaad in de grensprocedure kan worden afgedaan. De Afdeling heeft geoordeeld dat niet nader hoeft te worden gemotiveerd waarom de asielaanvraag in de asielgrensprocedure wordt behandeld. De werkwijze van verweerder dat hij de asielaanvraag van iedere

vreemdeling die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden uit de Schengengrenscode in beginsel in de asielgrensprocedure behandelt en de grensdetentie opheft wanneer hij concludeert dat de aanvraag niet verder kan worden behandeld in de asielgrensprocedure, is volgens de Afdeling in overeenstemming met overweging 64 van de considerans van de Procedureverordening.

5. Niet in geschil is dat eiser bij aankomst in Nederland niet voldeed aan de toegangsvoorwaarden uit artikel 6 van de Schengengrenscode.

6. Uit vaste rechtspraak volgt dat het grensbewakingsbelang wordt prijsgegeven als er geen vrijheidsontnemende maatregel wordt toegepast, omdat het feitelijk onmogelijk is om de toegang te weigeren zonder maatregel. Verweerder heeft op grond van de Schengengrenscode de verplichting om de buitengrenzen te bewaken. Het grensbewakingsbelang vormt voldoende noodzaak om een vrijheidsontnemende maatregel overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van de Opvangrichtlijn op te leggen. De Afdeling heeft hierover overwogen dat zolang er geen realistische alternatieven voor grensdetentie worden opgeworpen, de beoordeling of verweerder in grensdetentiezaken met een lichter middel had moeten volstaan, niet verder strekt dan de beoordeling of de grensdetentie onevenredig bezwarend is, waardoor verweerder van grensdetentie moet afzien.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval met de vragen die eiser zijn gesteld, voldoende heeft onderzocht of de grensdetentie voor hem onevenredig bezwarend is. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel voldoende gelegenheid gekregen om zijn eventuele bezwaren tegen de grensdetentie naar voren te brengen. Eiser heeft in reactie op vragen hierover verklaard er geen problemen mee te hebben dat hij tot aan zijn terugkeer of toegang moet verblijven in het ACS en dat hij het ACS vooralsnog niet mag verlaten. Daarnaast heeft hij verklaard niet aan een ernstige ziekte of lichamelijke aandoening te lijden waarvoor hij direct medische hulp nodig heeft, of last te hebben van andersoortige medische problemen. Eiser heeft ook ontkennend geantwoord op de vraag of hij in Nederland of de Europese Unie familieleden met rechtmatig verblijf heeft. Op

de vraag naar eventuele andere omstandigheden die aanleiding zouden moeten geven om eiser alsnog toegang tot Nederland te verlenen en om hem in de gelegenheid te stellen zijn asielaanvraag in vrijheid te doorlopen, heeft eiser ten slotte geantwoord dat die er niet zijn.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling of een lichter middel moet worden toegepast heeft betrokken. Verweerder heeft onder verwijzing naar het grensbewakingsbelang voldoende gemotiveerd dat er geen aanleiding is om een lichter middel toe te passen. Verder is naar het oordeel van de rechtbank ook niet gebleken dat de maatregel om andere redenen onevenredig bezwarend is.

9. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 7 oktober 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. W.H. Bel

Griffier

  • mr. J. de Winter

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand