ECLI:NL:RBDHA:2026:29518

ECLI:NL:RBDHA:2026:29518

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-10-2026
Datum publicatie 07-10-2026
Zaaknummer NL26.34218
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Doorprocederen, beroep te laat ingesteld. Aan eiser is eerder een asielvergunning verstrekt op de b-grond. Op dat moment golden voor een vergunning op de a- en b-grond dezelfde rechten en voorzieningen. Gelet op rechtspraak van de Afdeling had een vreemdeling destijds geen procesbelang bij een procedure tegen de verleningsgrond, omdat de wijziging van de verleningsgrond niet zou leiden tot een andere rechtspositie. Eiser heeft na 12 juni 2026 alsnog beroep ingesteld. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank is van oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De rechtbank stelt vast dat met ingang van 12 juni 2026 door het invoeren van het tweestatusstelstel en het ontbreken van overgangsrecht niet langer sprake is van dezelfde rechten en voorzieningen voor vergunningen op de a-grond en de b-grond. Vanaf 12 juni 2026 kan daarom niet langer de uitzondering van artikel 46, tweede lid, van de Procedurerichtlijn gelden en moet men een effectief rechtsmiddel kunnen aanwenden tegen een beslissing om geen vluchtelingenstatus toe te kennen. De rechtbank is van oordeel dat het indienen van een nieuwe asielaanvraag, een verzoek om herziening en het opkomen tegen de weigering in een nareisprocedure niet kunnen worden aanmerkt als een daadwerkelijk rechtsmiddel in de zin van 46, derde lid, van de Procedurerichtlijn. De rechtbank ziet aanleiding om artikel 6:11 van de Awb richtlijnconform te interpreteren. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet eerder dan 12 juni 2026 een daadwerkelijk rechtsmiddel kon aanwenden tegen de weigering om een vergunning op de a-grond aan hem te verlenen en dat uitsluitend het instellen van beroep tegen het bestreden besluit kan worden aangemerkt als een daadwerkelijk rechtsmiddel. De rechtbank is van oordeel dat eiser zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd beroep heeft ingesteld. Het beroep is ontvankelijk. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij geweigerd is om aan eiser een asielvergunning op de a-grond te verlenen.

Uitspraak

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M.A. Krikke),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M. Volker).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het beroep van eiser tegen de inwilliging van zijn asielaanvraag ontvankelijk is. De asielaanvraag van eiser is ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser vindt dat zijn asielaanvraag ingewilligd had moeten worden op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser heeft te laat beroep ingesteld. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het beroep is daarom ontvankelijk. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover daarin geweigerd is om aan eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding

2. Eiser stelt van Eritrese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [2008] . Eiser heeft op 21 mei 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

3. Bij besluit van 3 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister eisers asielaanvraag ingewilligd en aan hem een verblijfsvergunning asiel verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw (b-grond). Eiser krijgt geen verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw (a-grond), omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij verdragsvluchteling is op grond van zijn persoonlijke feiten en omstandigheden. De geloofwaardig geachte asielmotieven, de identiteit, nationaliteit en herkomst en de illegale uitreis, zijn niet te herleiden tot een van de gronden van het Vluchtelingenverdrag.

4. Eiser heeft tegen het bestreden besluit op 19 juni 2026 beroep ingesteld.

5. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

6. De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen T. Slimane. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

7. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of het beroep van eiser ontvankelijk is.

8. Nu de asielaanvraag en het bestreden besluit dateren van voor 12 juni 2026, zijn op grond van artikel 79, derde lid, van Verordening (EU) 2024/1348 (de Procedureverordening) en artikel IX, eerste en zesde lid, van de Vw, waarin het overgangsrecht is geregeld, de procedureregels van toepassing zoals die golden ten tijde van de Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn) en de Vw, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de Uitvoeringswet Asiel- en Migratiepact per 12 juni 2026 (Staatsblad 2026, 129).

9. Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van artikel 69 van de Vw een termijn van vier weken. Deze termijn begint op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is op grond van artikel 3:41 van de Awb in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden.

10. Een beroepschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verschoonbaar is. Dan laat de rechtbank op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkheidsverklaring op grond van die te late indiening achterwege.

11. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het beroep te laat is ingediend. Het besluit is op 3 maart 2025 bekendgemaakt aan eiser. Dat betekent dat het op 19 juni 2026 ingediende beroep (ruim) na de beroepstermijn van vier weken is ingediend en daarmee dus te laat is.

Standpunten partijen

12. Eiser voert aan dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Eiser kon namelijk pas met ingang van 12 juni 2026 beroep instellen tegen het verlenen van de b-grond, omdat hij voor die tijd geen procesbelang had omdat de a- en b-grond dezelfde rechten en plichten gaven. Eiser kan daarom niet worden verweten dat hij niet eerder beroep heeft ingediend. Eiser voert aan dat hij nu wel procesbelang heeft, omdat hij een aanvraag voor nareis heeft ingediend waar nog niet op is beslist en met ingang van 12 juni 2026 de regels voor nareis zijn gewijzigd. Eiser voert verder aan dat artikel 47 van het Handvest hem recht geeft op een effectief rechtsmiddel om op te komen tegen de verleningsgrond van zijn asielvergunning, waar dat van belang is om in aanmerking te komen voor gezinsherening. Eiser verwijst ook naar artikel 46, tweede lid, van de Procedurerichtlijn. Eiser is van mening dat door het ontstaan van een rechtsbelang er een nieuwe rechtsmiddelentermijn is gaan lopen met ingang van 12 juni 2026. Ter onderbouwing van zijn standpunten verwijst eiser naar enkele arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

13. De minister stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Er is sprake van een termijnoverschrijding van ruim 15 maanden. De asielaanvraag is ingediend voor 12 juni 2026, zodat de Procedurerichtlijn van toepassing is. Tot 12 juni 2026 werd voor vreemdelingen met subsidiaire bescherming aangenomen dat zij geen belang hadden bij het doorprocederen over vluchtelingschap. Dat vreemdelingen nu wel kunnen opkomen tegen het niet verlenen van een vluchtelingenstatus betekent niet dat dit recht onbeperkt is in tijd en ten alle tijde kan worden ingeroepen. Als eiser wil opkomen tegen de aan hem verleende status, kan hij een nieuwe asielaanvraag indienen.

Is er sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding?

14. Toen de asielaanvraag van eiser werd ingewilligd bestond het tweestatusstelsel niet. Er was één verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, die weliswaar op uiteenlopende gronden kon worden verleend, maar waaraan steeds dezelfde rechten en voorzieningen werden verbonden. De wetgever heeft bij de totstandkoming van de Vw hiervoor gekozen, omdat de wetgever wilde voorkomen dat men zou doorprocederen over een andere status.

15. Door deze keuze van de wetgever was het vóór 12 juni 2026 niet mogelijk om effectief tegen de verleningsgrond van de inwilliging op te komen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) was immers van oordeel dat een vreemdeling geen procesbelang had bij een procedure tegen de verleningsgrond, omdat de wijziging van de verleningsgrond niet zou leiden tot een andere rechtspositie. De Afdeling betrok bij dit oordeel dat de minister had toegezegd dat de beoordeling van de verleningsgrond opnieuw zou plaatsvinden bij een voornemen tot intrekking van de vergunning of bij een besluit tot niet-verlenging. Op dat moment zou men dan alsnog tegen de verleningsgrond kunnen opkomen zonder dat zou worden tegengeworpen dat het besluit in zoverre in rechte was komen vast te staan.

16. De Afdeling heeft later geoordeeld dat deze gang van zaken ook niet in strijd is met artikel 46 van de Procedurerichtlijn, omdat binnen het Nederlandse vergunningenstelsel aan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de a-grond geen andere rechten en/of voordelen verbonden zijn dan aan die vergunning op de b-grond. Een vreemdeling met een verblijfsvergunning op de b-grond die doorprocedeert voor een a-grond, kan met zijn beroep niet meer of iets anders bereiken en heeft om die reden onvoldoende belang bij die procedure. De Afdeling oordeelde dat sprake is van een algemeen beginsel als bedoeld in de rechtspraak van het Hof en deze de volledige toepassing van artikel 46, tweede lid, van de Procedurerichtlijn daadwerkelijk garandeert.

17. Met ingang van 12 juni 2026 is het tweestatusstelsel ingevoerd. Niet langer is sprake van één verblijfsvergunning met dezelfde rechten. Men krijgt of de status van vluchteling (a-grond) of de status van subsidiair beschermde (b-grond). Aan vreemdelingen met een status op de b-grond worden aanvullende voorwaarden voor nareis gesteld. Er geldt een wachttermijn van twee jaar, men moet zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan en over huisvesting. Er is geen overgangsrecht.

18. De rechtbank stelt gelet op het voorgaande vast dat door invoering van het tweestatusstelsel en het ontbreken van overgangsrecht met ingang van 12 juni 2026 niet langer sprake is van dezelfde rechten en voorzieningen voor vergunningen op de a-grond en de b-grond.

19. Artikel 46, eerste en tweede lid, van de Procedurerichtlijn bepaalt dat de lidstaten ervoor zorg moeten dragen dat er voor personen aan wie subsidiaire bescherming is verleend een daadwerkelijk rechtsmiddel openstaat tegen een beslissing om geen vluchtelingenstatus toe te kennen. Het tweede lid bepaalt verder dat indien sprake is van gelijke rechten een beroep tegen een beslissing om een verzoek als ongegrond te beschouwen met betrekking tot de vluchtelingenstatus als niet-ontvankelijk kan worden beschouwd omdat de verzoeker er onvoldoende belang bij heeft om de procedures voort te zetten.

20. De rechtbank is van oordeel dat omdat per 12 juni 2026 niet langer sprake is van gelijke rechten, vanaf dat moment niet langer de uitzondering van artikel 46, tweede lid, van de Procedurerichtlijn kan gelden. Vanaf dat moment moet er dus een daadwerkelijk rechtsmiddel openstaan tegen een beslissing om geen vluchtelingenstatus toe te kennen. De rechtbank stelt vast dat het recht op een effectief rechtsmiddel een fundamenteel recht is.

21. Artikel 46, derde lid, van de Procedurerichtlijn bepaalt dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden omvat, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU, zulks ten minste in beroepsprocedures voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg.

22. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat het indienen van een nieuwe asielaanvraag de geijkte weg is om alsnog tegen de weigering om een vergunning op de a-grond te verlenen op te komen.

23. De rechtbank is van oordeel dat gelet op artikel 46, derde lid, van de Procedurerichtlijn een nieuwe aanvraag geen daadwerkelijk rechtsmiddel is in de zin van het eerste lid. De rechtbank stelt daarbij voorop dat een nieuwe asielaanvraag geen procedure is tegen de eerder verleende vergunning waarbij de vluchtelingenstatus is geweigerd en alleen daarom al geen daadwerkelijk rechtsmiddel betreft in de zin van artikel 46, derde lid, van de Procedurerichtlijn. Dat geldt ook voor een aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van een eerder verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. De rechtbank overweegt verder dat de minister ter zitting heeft toegelicht dat een nieuwe asielaanvraag zal worden aangemerkt als een opvolgende asielaanvraag en dat dus zal moeten worden beoordeeld of er sprake is van nieuwe feiten en veranderde omstandigheden. Verder heeft de minister toegelicht dat de ingangsdatum van een eventuele inwilliging niet met terugwerkende kracht zal plaatsvinden. Onder deze omstandigheden kan een nieuwe aanvraag ook niet worden aangemerkt als een daadwerkelijk rechtsmiddel. De minister heeft desgevraagd ook niet kunnen toelichten waarom volgens hem een nieuwe aanvraag toch kan worden aangemerkt als een daadwerkelijk rechtsmiddel.

24. De rechtbank is verder van oordeel dat ook een verzoek om herziening niet kan worden aangemerkt als een daadwerkelijk rechtsmiddel. Een verzoek om herziening biedt de mogelijkheid om op te komen tegen een in rechte vaststaand besluit, maar een bestuursorgaan hoeft een in rechte vaststaand besluit niet altijd inhoudelijk te behandelen.

Een bestuursorgaan mag een verzoek afwijzen als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Als de rechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan beperkt de verdere toets zich tot het beoordelen of het besluit evident onredelijk is aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd. Alleen in uitzonderlijke gevallen zal de weigering evident onredelijk zijn. De rechtbank is van oordeel dat dit een andere maatstaf is dan hetgeen is voorschreven in artikel 46, derde lid, van de Procedurerichtlijn. Daarbij merkt de rechtbank op dat de minister ter zitting niet heeft toegezegd dat hij het herzieningsverzoek van eiser inhoudelijk zal behandelen.

25. Ook het opkomen tegen de weigering om een vergunning op de a-grond te verlenen in een nareisprocedure acht de rechtbank geen daadwerkelijk rechtsmiddel. In een nareisprocedure kan een vreemdeling weliswaar opkomen tegen de aanvullende voorwaarden die zijn tegengeworpen omdat hij een vergunning op de b-grond heeft, maar in deze procedure kan een vreemdeling niet bereiken dat de verleningsgrond van zijn asielvergunning wordt gewijzigd. Alleen al daarom is dit geen daadwerkelijk rechtsmiddel.

26. De rechtbank is gelet op al het voorgaande van oordeel dat de bestendige lijn van de Afdeling zoals weergegeven onder 15 niet langer kan worden gehandhaafd. De Afdeling is immers ervan uitgegaan dat wijziging van de verleningsgrond niet zou leiden tot een andere rechtspositie en dat vreemdelingen de mogelijkheid hadden om alsnog op te komen tegen de verleningsgrond bij een voornemen tot intrekking van de vergunning of bij een besluit tot niet-verlenging. In de bestendige lijn van de Afdeling is de hiervoor beschreven situatie die sinds 12 juni 2026 is ontstaan, niet voorzien. Die situatie leidt ertoe dat beide uitgangspunten van de bestendige lijn van de Afdeling (te weten: wijziging van de verleningsgrond leidt niet tot een andere rechtspositie en vreemdelingen hebben de mogelijkheid om bij een later besluit dat hun rechtspositie wel raakt alsnog op te komen tegen de verleningsgrond) niet langer gelden. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de bestendige lijn van de Afdeling niet langer te volgen.

27. De rechtbank ziet verder aanleiding om artikel 6:11 van de Awb richtlijnconform te interpreteren. Uit het voorgaande volgt immers dat eiser op grond van artikel 46, eerste en tweede lid, van de Procedurerichtlijn recht heeft op een daadwerkelijk en effectief rechtsmiddel tegen het weigeren van de vluchtelingenstatus en dat – bij de huidige stand van zaken – er geen andere effectieve rechtsmiddelen open staan dan het instellen van beroep tegen dat besluit.

28. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet eerder dan 12 juni 2026 een daadwerkelijk rechtsmiddel kon aanwenden tegen de weigering om een vergunning op de a-grond aan hem te verlenen en dat uitsluitend het instellen van beroep tegen het bestreden besluit kan worden aangemerkt als daadwerkelijk rechtsmiddel. Eiser heeft op 18 juni 2026 beroep ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat eiser hiermee zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd beroep heeft ingesteld.

29. Het beroep is ontvankelijk. De rechtbank zal het beroep van eiser daarom inhoudelijk behandelen.

Verblijfsvergunning op de a-grond

30. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft geweigerd om aan hem een verblijfsvergunning op grond van de a-grond te verlenen. Eiser heeft verklaard dat hij geen soldaat wil worden en dat hij vanwege de militaire dienst is gevlucht. Eiser heeft verklaard dat hij gevlucht is op het moment dat de milities oproepen aan het bezorgen waren aan mensen en zij eiser hadden aangesproken om hem mondeling op te roepen. Eiser voert aan dat deze verklaringen worden ondersteund door openbare bronnen en dat hij gelet hierop als dienstplichtontduiker moet worden aangemerkt. Op grond van WBV 2026/8 beschouwt de minister iedereen die de nationale dienstplicht heeft ontdoken als groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag. Eiser voert verder aan dat minderjarigen door de autoriteiten worden gezien als (vroegtijdige) ontduikers van de dienstplicht en daarmee landverraders.

31. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is. In het bestreden besluit is immers niet gemotiveerd waarom de geloofwaardig geachte verklaringen, de identiteit, nationaliteit en herkomst en de illegale uitreis, niet leiden tot een inwilliging op de a-grond. Ook is in het bestreden besluit niet gemotiveerd waarom de gestelde ontduiking van de nationale dienstplicht niet leidt tot een inwilliging op de a-grond. De minister heeft hier ter zitting desgevraagd ook geen nader standpunt over willen innemen.

Conclusie

32. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij geweigerd is om aan eiser een asielvergunning op de a-grond te verlenen. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover dat wordt vernietigd, in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat de minister geen nader standpunt heeft ingenomen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van vier weken.

33. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij geweigerd is om aan eiser een asielvergunning op de a-grond te verlenen;

- draagt de minister op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, voorzitter, en mr. I. Helmich en mr. J.N. Mons, leden, in aanwezigheid van mr. L.S. Lodder, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand