ECLI:NL:RBDHA:2026:29519

ECLI:NL:RBDHA:2026:29519

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-10-2026
Datum publicatie 07-10-2026
Zaaknummer 26.39800
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Asiel- en Migratiebeheerverordening. België. De minister heeft, ook met zijn nadere toelichting en de meest recente cijfers over de ‘doorstroomlijst’ tot september 2026, nog steeds onvoldoende aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van België van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan voor zover het alleenstaande mannelijke niet-kwetsbare asielzoekers betreft. De rechtbank blijft daarom bij haar uitspraken van 13 augustus 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:22821 en ECLI:NL:RBDHA:2026:22805).

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.39800

(gemachtigde: mr. E. Sahin),

en

(gemachtigde: mr. J.J.F.M. van Raak).

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van de minister om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen. De rechtbank oordeelt dat het besluit geen stand kan houden. Eiser krijgt dus gelijk; het beroep is gegrond en het besluit wordt vernietigd. De minister moet een nieuw besluit nemen op de asielaanvraag van eiser. Eiser krijgt gelijk, omdat de minister onvoldoende heeft onderbouwd dat ten aanzien van België weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Op dit moment is niet duidelijk dat er voor alle niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielverzoekers opvang is in België. Zoals deze rechtbank en deze zittingsplaats eerder heeft geoordeeld bestaat er daardoor een grote kans dat eiser na overdracht maandenlang op straat terecht zal komen. Hoewel de minister aannemelijk heeft gemaakt dat de doorstroomlijst aanzienlijk korter is geworden, blijft de voornoemde onduidelijkheid en het voornoemde risico bestaan. Daar komt bij dat de minister niet heeft onderbouwd dat eiser bij het ontbreken van opvang effectief kan klagen bij de Belgische autoriteiten.

Procesverloop

Met het besluit van 9 juli 2026 heeft de minister asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen en eiser – onder toepassing van de Asiel- en migratiebeheerverordening (Verordening EU nr. 2024/1351) – een overdrachtsbesluit voor België opgelegd.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 9 juli 2026 (hierna: het bestreden besluit). Daarbij heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL26.39801).

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaken op 29 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk voor eiser is verschenen P. Oronsaye (3393). De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden

1. Eiser heeft de Sierra Leoonse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1994. Hij heeft op 4 mei 2026 bij de minister een asielaanvraag ingediend. De minister heeft naar aanleiding van die asielaanvraag onderzoek in – onder meer – Eurodac verricht. Hieruit bleek onder meer dat eiser eerder in België verzoeken om internationale bescherming heeft ingediend. Daarop heeft de minister bij de Belgische autoriteiten een claim gelegd, die op 5 juni 2026 is geaccordeerd op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening (Verordening EU nr. 2013/604).

2. De minister heeft een aanmeldgehoor gehouden met eiser op 26 mei 2026.

Het bestreden besluit

3. Nadat de minister daartoe op 5 juni 2026 een voornemen heeft uitgebracht heeft hij met het bestreden besluit de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen en eiser – onder toepassing van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (hierna: AMBV) – een overdrachtsbesluit voor België opgelegd. De minister stelt zich op het standpunt dat hij ten aanzien van België (weer) van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Er is volgens de minister niet langer reden om aan te nemen dat in België sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid halen, zoals bedoeld in het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218). De situatie is namelijk anders dan ten tijde van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3305). Hierbij verwijst de minister naar de brief van Fedasil (de opvanginstantie in België) van 5 februari 2026. Hieruit volgt volgens de minister dat er al een lange tijd veel minder mannen op de doorstroomlijst staan voor een plek in de reguliere opvang. Het aantal personen op deze lijst neemt steeds verder af. De minister wijst erop dat de gemiddelde doorstroomtijd nu 3,5 maand is. Op 1 juni 2026 stonden er nog maar 1.043 personen op deze lijst. Dit onderstreept volgens de minister het beeld dat sprake is van een structurele (en continuerende) afname. Ook volgt uit deze brief dat er in België een groot netwerk voor nood- en daklozenopvang is. Zo zijn er 2.000 plaatsen in de noodopvang, waar mannen op de doorstsroomlijst tijdelijk kunnen verblijven. Alleenstaande mannen kunnen dus feitelijk toegang krijgen tot een (nood)opvangplaats in België als ze op de doorstroomlijst staan. Deze mannen krijgen in dat kader genoeg basishulp die nodig is om te kunnen leven. Uit de brief volgt dat Fedasil veel moeite doet om de problemen in de opvang op te lossen. Er is dus geen sprake meer van tekortkomingen in de opvangvoorzieningen in België zoals ten tijde van de uitspraak van de Afdeling. Er is ook geen sprake van onverschilligheid van de autoriteiten; uit de brief blijkt dat de Belgische autoriteiten hun best doen om het tekort aan opvangplekken tegen te gaan. Aldus concludeert de minister dat de situatie in België niet langer door de ondergrens zakt. De door eiser in de zienswijze aangehaalde rapportage van AIDA van juli 2026 (update 2025), de door hem genoemde rechtbankuitspraak en zijn eigen verklaringen maken dit niet anders. Indien eiser meent dat de Belgische autoriteiten zich toch niet aan de internationale regels houden ligt het op zijn weg om daarover te klagen bij de (hogere) autoriteiten, en niet gebleken is dat dit voor hem niet mogelijk is. Ten slotte stelt de minister zich op het standpunt dat hij geen toepassing geeft aan zijn discretionaire bevoegdheid. Er is namelijk geen sprake van een proceseconomische redenen om de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen.

Standpunt eiser

4. Eiser heeft op de hierna te bespreken gronden beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Beoordeling rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of het bestreden besluit in stand kan blijven. Dit doet zij op basis van de beroepsgronden (de argumenten) van eiser.

Betwisting interstatelijk vertrouwensbeginsel

6. Eiser voert aan dat de minister ten aanzien van België voor wat betreft alleenstaande niet-kwetsbare asielzoekers nog altijd niet kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij stelt dat de door de Afdeling in de uitspraak van 23 juli 2025 benoemde problemen nog niet zijn weggenomen. Hij wijst erop dat sprake is van structurele tekortkomingen ten aanzien van de opvangvoorzieningen in België die door de ondergrens zaken. Hierbij wijst eiser op pag. 112 en 113 van het rapport van AIDA van juli 2026 (update 2025) en op een publicatie van Vluchtelingenwerk Vlaanderen over datzelfde rapport. Daaruit volgt – kort gezegd – dat asielaanvragers vaak maanden dakloos zijn in België en aan hun lot worden overgelaten. Uit deze informatie blijkt volgens eiser dat de problemen in de Belgische asielopvang nog steeds voortduren. De informatie van 5 februari 2026 van de Belgische autoriteiten is volgens eiser niet toereikend om weer wél van interstatelijk vertrouwen uit te gaan. Niet inzichtelijk is gemaakt dat de structurele tekortkomingen zijn beëindigd en hieruit blijkt veeleer dat de opvangcrisis in België nog steeds voortduurt. Uit die informatie blijkt dat nog steeds 1.043 personen op de doorstroomlijst staan; daarmee hebben nog steeds een groot aantal asielzoekers geen tijdige toegang tot reguliere opvang. Bovendien heeft eiser zelf verklaard dat hij geen opvang kreeg en op straat moest slapen. Eiser beroept zich op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 2 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:14893), waarin is geoordeeld dat nog steeds onvoldoende is gebleken van een aanzienlijke en structurele verbetering van de opvangsituatie voor alleenstaande niet-kwetsbare mannen en evenmin van effectieve toegang tot rechtsbescherming. De minister legt volgens eiser voorts de lat te laag wanneer hij stelt dat deze doelgroep toegang heeft tot noodopvang en daarmee beschikken over voldoende basishulp. Noodopvang is naar haar aard een tijdelijke crisismaatregel en kan niet zonder meer gelijk worden gesteld met structurele en passende opvang. Onder de aan de orde zijnde omstandigheden kan volgens eiser niet worden uitgesloten dat eiser na overdracht zonder huisvesting, voedsel en andere basisvoorzieningen komt te zitten.

7. De minister heeft zijn standpunt in het verweerschrift van 24 september 2026 verder onderbouwd en van meer recente cijfers voorzien. Voor zover relevant heeft de minister in dat kader het volgende aangegeven. De 2.000 humanitaire opvangplekken zijn met name beschikbaar voor alleenstaande mannelijke asielzoekers die naar België komen; andere groepen asielzoekers kunnen namelijk terecht in de reguliere opvang. Het aantal personen op de doorstroomlijst is de afgelopen periode nog verder teruggelopen. Op 1 juli 2026 stonden er nog 1.040 personen op de lijst en begin september 2026 betrof dit nog slechts 554 personen. Er kan worden geconcludeerd dat er meer humanitaire opvangplaatsen zijn voor personen die niet direct in de reguliere opvang terecht kunnen dan dat er personen op de wachtlijst staan. Alle personen op de wachtlijst komen dan ook in beginsel in aanmerking voor een humanitaire opvangplek. De minister wijst er verder op dat dat niet iedereen die op de doorstroomlijst staat, gebruik maakt van humanitaire opvang en dat lang niet alle personen die op de doorstroomlijst staan gebruikmaken van het aanbod om door te stromen naar de reguliere opvang. Fedasil geeft aan dat zij in de praktijk, wanneer er capaciteit beschikbaar is in de reguliere opvang, 40 tot 50% extra uitnodigingen versturen aan personen die op de doorstroomlijst staan. De ervaring leert namelijk dat het aantal personen dat op deze uitnodiging reageert, en dus daadwerkelijk behoefte heeft aan een reguliere opvangplaats, laag is. Fedasil geeft aan dat 40% van de uitgenodigde personen niet komt opdagen. Dit maakt dat het aantal humanitaire opvangplekken dat bezet wordt in werkelijkheid lager ligt dan het aantal personen dat op de doorstroomlijst staat. De minister acht aannemelijk – juist ook omdat andere groepen asielzoekers wel (direct) in de reguliere opvang terecht kunnen – dat de capaciteit in de noodopvang voldoende is voor alleenstaande niet-kwetsbare mannelijke asielzoekers. Uit de brief van 5 februari 2026 blijkt dat 1.800 plekken 'generiek' zijn. Gezien de hoeveelheid personen die nog op de wachtlijst staan, en rekening houdend met de omstandigheid dat ongeveer de helft daarvan daadwerkelijk gebruik maakt van de humanitaire opvang, zijn die 1.800 plekken ruimschoots toereikend, aldus de minister.

8. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

9. Allereerst stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser behoort tot de groep van de niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers. Ten aanzien van deze groep heeft de Afdeling in haar uitspraak van 23 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3305) geoordeeld dat niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, kort gezegd vanwege de opvangproblematiek voor deze doelgroep. Gelet op de conclusie van de Afdeling in deze uitspraak is de rechtbank van oordeel dat het in eerste instantie aan de minister is om te onderbouwen en aannemelijk te maken dat inmiddels voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers weer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België.

10. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft de rechtsvraag of op basis van de brief Fedasil van 5 februari 2026 thans weer wél kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel beantwoord in haar uitspraken van 13 augustus 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:22821 en ECLI:NL:RBDHA:2026:22805).

11. Samengevat weergegeven heeft de rechtbank in de genoemde uitspraken van 13 augustus 2026 het volgende overwogen. Niet gebleken is dat de Belgische autoriteiten na de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025 meer opvangplaatsen hebben gerealiseerd voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers. De minister heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er voor alle niet-kwetsbare alleenstaande mannen een plek is in de opvang. De door Fedasil genoemde 2.000 plaatsen in de noodopvang zijn hiertoe niet toereikend; gebleken is dat 200 van deze plekken zijn bedoeld voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen en dat de overige 1.800 plaatsen ook niet exclusief zijn bedoeld voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers. Volgens de rechtbank is duidelijk dat niet alle personen op de doorstroomlijst kunnen beschikken over een plek in de noodopvang. Hierdoor bestaat er een grote kans dat deze personen verstoken blijven van opvang. Verder geldt dat er een wachttijd is van gemiddeld 3,5 maand voor de toegang tot de reguliere opvang. Dit betekent dat een niet-kwetsbare alleenstaande asielzoeker waarvoor geen plek is in de noodopvang waarschijnlijk 3,5 maand op straat belandt, hetgeen ook volgt de AIDA-rapporten over België. De rechtbank heeft verder betrokken dat uit de AIDA-rapporten juist lijkt juist te volgen dat er in België inmiddels minder opvangplekken zijn dan er eerder waren en dat er forse bezuinigingen zijn gepland op dit vlak. Gelet op één en ander is de rechtbank van oordeel dat er ook met de informatie van Fedasil uit februari 2026 nog onvoldoende zekerheid en duidelijkheid bestaat over de asielopvangcapaciteit in België, nu daaruit niet valt op te maken dat niet-kwetsbare mannelijke asielzoekers in heel België die behoefte hebben aan opvang daadwerkelijk een opvangplek krijgen. Ten slotte heeft de rechtbank bij haar beoordeling betrokken dat uit het arrest Changu van het HvJ-EU van 12 september 2024 (ECLI:EU:C:2024:748) volgt dat er altijd opvang dient te zijn die onvoorwaardelijk is en dat het EHRM in het arrest van 9 april 2026 (nr. 52836/22) België heeft veroordeeld wegens schending van artikel 3 van het EVRM voor onder andere het maandenlang niet verstrekken van opvang aan verzoekers om internationale bescherming.

12. De rechtbank komt in deze procedure tot hetzelfde oordeel als in de voornoemde uitspraken en verwijst daarbij in het bijzonder naar rechtsoverwegingen 6.3 tot en met 6.11 respectievelijk 5 tot en met 5.8.

Gelet op de door de minister nieuw ingebrachte informatie en nadere overwegingen uit het verweerschrift – zoals weergegeven onder 7 – overweegt de rechtbank in aanvulling daarop nog het volgende. Hoewel de doorstroomlijst volgens de laatste cijfers inderdaad fors is afgenomen, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank nog steeds onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er voor alle niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers een plek is in de noodopvang. Weliswaar is aannemelijk dat onder andere vrouwen, gezinnen en alleenstaande kinderen die een asielaanvraag in België hebben ingediend kunnen instromen in de reguliere opvang, en aldus dat deze doelgroep geen gebruik maakt van de noodopvang. Toch is onvoldoende zeker dat de capaciteit van 1.800 plekken in de humanitaire opvang exclusief of volledig ingezet kan worden voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers. Omdat het om humanitaire opvangplekken gaat zijn er immers ook andere doelgroepen – niet-asielzoekers – die gebruik maken van deze noodopvang (vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3305, rechtsoverweging 5.3.3). Dit blijkt ook uit de brief van Fedasil van 5 februari 2026, nu daarin is opgenomen dat deze capaciteit niet exclusief bestemd is voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers en ook wordt ingezet voor andere doelgroepen. In die zin is het fictieve voorbeeld dat de rechtbank in rechtsoverweging 6.7 van de uitspraak van 13 augustus 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:22821) heeft gegeven nog steeds relevant. Tijdens de zitting heeft de rechtbank de minister de vraag voorgelegd of hij een beeld heeft van de (actuele) druk op de noodopvang vanuit deze andere doelgroepen, waarop de minister heeft aangegeven dat hij dat op dit moment niet heeft. Hierdoor blijft naar het oordeel van de rechtbank onzeker of de noodopvangplekken effectief benut kunnen worden door alleenstaande niet-kwetsbare mannelijke asielzoekers (of althans diegenen van deze doelgroep die nog op de doorstroomlijst staan). Gezien deze onzekerheid bestaat nog steeds de kans dat deze doelgroep gedurende langere tijd op straat belandt en verstoken blijft van de belangrijkste basisbehoeften, zoals onderdak, eten en stromend water, en daarmee in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomen, zoals bedoeld in punt 92 van het arrest Jawo. Onder deze onzekere omstandigheden acht de rechtbank het niet verantwoord om het overdrachtsbesluit te accorderen. De rechtbank geeft de minister uitdrukkelijk in overweging mee om bij Fedasil en/of het betreffende noodopvangnetwerk na te gaan in hoeverre andere doelgroepen gebruikmaken van deze noodopvangplekken en hoe groot de druk op deze vorm van opvang is.

13. De rechtbank wijst er verder nog op dat zij bekend is met recente informatie die op het internet circuleert waaruit volgt dat de Belgische minister van Asiel en Migratie op 1 september 2026 1.000 noodopvangplaatsen heeft geschrapt uit de ‘Brussels Deal’ (zoals het bericht “Van Bossuyt halveert opvangcapaciteit voor asielzoekers in Brussel” van 16 juli 2026 op www.vrt.be; in andere bronnen wordt gewezen op 1 september 2026 als ingangsdatum voor deze halvering). Eiser heeft hier niet zelf op gewezen, maar gezien de precaire situatie voor alleenstaande niet-kwetsbare mannelijke asielzoekers in België typeert de rechtbank dit als informatie waarvan zij niet onkundig kan zijn, zoals bedoeld in het arrest X van het HvJ-EU van 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195. De rechtbank heeft deze omstandigheid aan partijen voorgehouden ter zitting, waarna de minister het standpunt heeft ingenomen dat daaruit volgt dat deze plekken kennelijk niet nodig waren en dat dit dus juist kan worden gezien als indicatie dat de noodopvang toereikend is. De rechtbank kan de minister hierin niet zonder meer volgen. De rechtbank beschikt niet over nadere informatie waarom hiertoe besloten is. Onder die omstandigheden kan het evengoed zijn dat dit een indicatie vormt dat de situatie juist nijpend(er) is, zoals door eiser is aangevoerd ter zitting. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar wat zij heeft overwogen in rechtsoverweging 6.9 van de uitspraak van 13 augustus 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:22821). De rechtbank geeft de minister in overweging mee om navraag te doen bij de Belgische autoriteiten ten aanzien van de redenen die aan het besluit tot halvering van de noodopvangplekken ten grondslag liggen alsmede de consequenties hiervan.

14. De rechtbank wijst er – tot slot – op dat het subsidiaire standpunt van de minister, inhoudende dat niet gebleken is dat eiser niet effectief kan klagen in België over de opvangproblematiek, niet slaagt. Daarbij is kort gezegd relevant, zoals volgt uit rechtsoverweging 5.9 van de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 augustus 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:22805), dat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk is dat asielzoekers die een opvolgende asielaanvraag in België indienen effectief kunnen klagen bij de Belgische autoriteiten of rechterlijke colleges als zij verstoken blijven van opvang. Tussen partijen is niet in geschil – gelet op de grondslag van het claimakkoord – dat eiser in België zal worden behandeld als herhaalde asielaanvrager.

15. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat wat betreft België ten aanzien van de doelgroep waartoe eiser behoort weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd en in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel tot stand gekomen. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over eisers asielaanvraag te nemen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.

17. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.

De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 9 juli 2026;

- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W. Venderbos, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 5 oktober 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. F.M.E. Schulmer

Griffier

  • mr. M.W. Venderbos

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand