[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 1 juli 2026 niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen staat geregistreerd onder het zaaknummer NL26.37583.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij België een verzoek om terugname gedaan op 3 juni 2026 op grond van artikel 18, eerste lid, b van de Dublinverordening. België heeft dit verzoek aanvaard op 4 juni 2026 op grond van artikel 18, eerste lid onder c van de Dublinverordening.
Zorgvuldigheid van het gehoor
5. Eiser stelt dat het gehoor van 2 juni 2026 onzorgvuldig is verlopen. Het gedeelte van het gehoor dat betrekking had op zijn bezwaren tegen een overdracht aan België heeft maar tien minuten geduurd en er is onvoldoende doorgevraagd. In het bijzonder de verklaring van eiser dat hij bereid zou zijn naar België terug te keren als hij daar opvang zou krijgen, had voor de minister aanleiding moeten zijn om nader onderzoek te doen naar zijn eerdere ervaringen met de opvang in België.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het verslag van het gehoor blijkt afdoende dat eiser in de gelegenheid is gesteld om zijn bezwaren tegen een overdracht aan België naar voren te brengen. Eiser verklaart dat hij niks te zoeken heeft in België. Op de vraag of hij nog andere bezwaren had, is door hem ontkennend geantwoord en dat hij wil terugkeren naar België als hij daar onderdak krijgt en niet op straat terecht komt. Anders dan eiser stelt, blijkt uit de vraag of er een bijzondere reden is waarom hij juist in Nederland om internationale bescherming heeft verzocht, niet dat eiser onvoldoende gelegenheid heeft gekregen om voor de beoordeling van zijn overdracht relevante omstandigheden naar voren te brengen.
De enkele omstandigheid dat dit onderdeel van het gehoor, volgens eiser, ongeveer tien minuten heeft geduurd, leidt niet tot een ander oordeel. De duur van een gehoor of een onderdeel daarvan is op zichzelf niet bepalend voor de vraag of het gehoor zorgvuldig is geweest. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser na het gehoor de mogelijkheid heeft gehad om correcties en aanvullingen in te dienen en vervolgens in zijn zienswijze zijn bezwaren tegen overdracht aan België nader uiteen heeft gezet, waarna die bezwaren in het bestreden besluit inhoudelijk zijn beoordeeld. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit, vanwege de wijze waarop eiser is gehoord, in strijd met artikel 3:2 van de Awb is voorbereid.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Eiser stelt dat voor België ten onrechte is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Volgens eiser bestaat er voor alleenstaande mannelijke asielzoekers nog steeds een reëel risico dat zij na overdracht geen opvang krijgen en daardoor in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomen. Eiser wijst onder meer op het AIDA-rapport België, update 2024, de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 27 juni 2023. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat de situatie, die aanleiding gaf voor de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, inmiddels wezenlijk is gewijzigd. Eiser stelt in dit verband dat de brief van de Belgische autoriteiten van 5 februari 2026 onvoldoende is om tot een ander oordeel te komen. Die brief is afkomstig van de autoriteiten die zelf verantwoordelijk zijn voor de opvang. Verder stonden volgens de door de minister gebruikte cijfers op 1 mei 2026 nog 1.127 personen en op 1 juni 2026 nog 1.043 personen op de doorstroomlijst. Volgens eiser blijkt daaruit niet dat iedere Dublinclaimant daadwerkelijk en onmiddellijk toegang heeft tot adequate opvang. Evenmin is duidelijk wat de bezettingsgraad, kwaliteit, toegankelijkheid en continuïteit van de humanitaire opvang is.
De rechtbank stelt voorop dat de minister in beginsel ten opzichte van België mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat ervan mag worden uitgegaan dat België zijn internationale verplichtingen nakomt en een vreemdeling in overeenstemming met het Vluchtelingenverdrag, het EVRM en het Unierecht zal behandelen. Overdracht is niet mogelijk als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat eiser als gevolg van die overdracht een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest. De gestelde tekortkomingen moeten daarvoor de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken zoals bedoeld in het arrest Jawo. Daarvan is sprake als de vreemdeling buiten zijn wil en persoonlijke keuzes om terecht komt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie waardoor hij niet kan voorzien in zijn meest elementaire behoeften. Het is aan eiser om dit aannemelijk te maken.
De Afdeling heeft in de uitspraak van 23 juli 2025 geoordeeld dat de minister destijds niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen ten aanzien van België van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kon worden uitgegaan. Daarbij heeft de Afdeling onder meer betrokken dat op 18 november 2024 2.645 niet-kwetsbare alleenstaande mannen op de wachtlijst voor de opvang stonden, dat onduidelijk was hoeveel opvangplaatsen daadwerkelijk voor deze groep beschikbaar waren en dat niet was gebleken dat de Belgische autoriteiten erin waren geslaagd de opvangcapaciteit overeenkomstig eerdere toezeggingen uit te breiden. Ook heeft de Afdeling betrokken dat rechterlijke uitspraken over het recht op opvang en daarbij opgelegde dwangsommen niet werden nageleefd.
Sinds die uitspraak is nieuwe informatie beschikbaar gekomen over de opvangsituatie in België. Uit de brief van de Directeur-generaal van Fedasil van 5 februari 2026 volgt dat in het kader van een samenwerkingsakkoord 2.000 humanitaire opvangplaatsen worden gefinancierd, bestaande uit 1.800 generieke plaatsen en 200 plaatsen voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Alleenstaande mannelijke verzoekers die niet onmiddellijk kunnen instromen in het reguliere opvangnetwerk van Fedasil, kunnen volgens deze informatie tijdelijk gebruik maken van deze humanitaire opvang. In de brief staat verder dat op 27 januari 2026 nog 1.535 personen op de doorstroomlijst stonden en dat sprake was van een structureel dalende trend.
De minister heeft daarnaast bij zijn beoordeling betrokken dat deze daling zich nadien heeft voortgezet. Op 1 mei 2026 stonden nog 1.127 personen op de doorstroomlijst en op 1 juni 2026 1.043 personen. Daarmee ligt het aantal personen op de doorstroomlijst aanzienlijk lager dan het aantal beschikbare humanitaire opvangplaatsen.
De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om hierover anders te oordelen dan de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats op 11 augustus 2026 heeft gedaan. Uit de actuele informatie van 2026 volgt dat de feitelijke situatie die ten grondslag lag aan de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025 wezenlijk is gewijzigd. De wachtlijst is sterk afgenomen en het aantal beschikbare humanitaire opvangplaatsen is groter dan het aantal personen op de doorstroomlijst. Daarbij volgt uit de informatie van de Belgische autoriteiten dat alleenstaande mannelijke vreemdelingen die niet onmiddellijk in het reguliere federale opvangnetwerk kunnen worden geplaatst, tijdelijk gebruik kunnen maken van de humanitaire opvang. Dat niet iedere persoon op de doorstroomlijst daadwerkelijk gebruik maakt van een humanitaire opvangplaats, maakt dit niet anders. Uit de informatie van de Belgische autoriteiten volgt dat een deel van de personen op de doorstroomlijst beschikt over een andere woonoplossing, bijvoorbeeld binnen het eigen netwerk, en dat degenen die daarover niet beschikken gebruik kunnen maken van de humanitaire opvang. De enkele omstandigheid dat nog steeds personen op de doorstroomlijst staan, betekent daarom niet dat zij verstoken zijn van opvang.
Eisers betoog dat aan de brief van 5 februari 2026 geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend omdat deze afkomstig is van de Belgische autoriteiten zelf, volgt de rechtbank evenmin. De enkele herkomst van deze informatie maakt niet dat de minister daarvan niet mocht uitgaan. Daarbij heeft de minister de brief niet op zichzelf beschouwd, maar ook de actuele cijfermatige ontwikkeling van de doorstroomlijst bij zijn beoordeling betrokken. Eiser heeft geen actuele, concrete informatie overgelegd waaruit volgt dat alleenstaande mannelijke Dublinclaimanten, ondanks deze ontwikkelingen, feitelijk geen toegang hebben tot de genoemde opvangvoorzieningen. Dat uit de cijfers niet blijkt wat de precieze bezettingsgraad van iedere opvangvoorzienig is, leidt evenmin tot een ander oordeel. De minister hoeft niet uit te sluiten dat zich na overdracht enige onzekerheid of moeilijkheid bij de toegang tot de opvang kan voordoen. Bepalend is of er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat eiser na overdracht een reëel risico loopt om buiten zijn wil en keuzes om in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie als bedoeld in Jawo terecht te komen. Eiser heeft dat met de door hem aangehaald en grotendeels verouderde informatie en algemene stellingen over de opvangsituatie niet aannemelijk gemaakt.
Voorzover eiser wijst op zijn eerdere ervaringen in België leidt dat evenmin tot een ander oordeel. Die ervaringen dateren van vóór de hiervoor beschreven wijzigingen in de opvangsituatie. Daaruit kan daarom niet zonder meer worden afgeleid dat eiser na een overdracht onder de huidige omstandigheden zonder opvang zal komen te zitten. Eiser heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat hij, ondanks de thans beschikbare voorzieningen geen toegang tot humanitaire of reguliere opvang zal kunnen krijgen. Eisers stelling dat de minister nader onderzoek had moeten verrichten, slaagt daarom ook niet. De minister heeft de actuele opvangsituatie beoordeeld aan de hand van informatie uit 2026 en heeft daarmee onderzocht in welke situatie eiser na overdracht terecht kan komen. Andere concrete informatie die aanleiding geeft voor nader onderzoek heeft eiser niet ingebracht.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom ten aanzien van België van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij na overdracht een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest.
Effectieve rechtsbescherming in België
7. Eiser stelt dat het voor hem feitelijk onmogelijk is om zich bij problemen tot de Belgische autoriteiten te wenden en dat de theoretische mogelijkheid om te klagen onvoldoende is.
Deze grond kan ook niet slagen. Eiser heeft geen concrete of actuele informatie overgelegd waaruit blijkt dat hij zich bij eventuele problemen niet tot de Belgische autoriteiten of rechterlijke instanties kan wenden. De enkele stelling dat dit voor een asielzoeker vanwege taalproblemen en ontbreken van financiële middelen moeilijk kan zijn, is onvoldoende.
Artikel 35 van de AMbV
8. Eiser voert aan dat de minister zijn asielaanvraag op grond van artikel 35, eerste lid, van de AMbV zelf in behandeling had moeten nemen en wijst daarbij op het ontbreken van opvang, een sociaal netwerk in België, vrees voor refoulement naar Algerije en de omstandigheid dat zijn vader in Nederland verblijft.
Deze beroepsgrond slaagt evenmin. De minister heeft de door eiser aangevoerde individuele omstandigheden afdoende kenbaar bij de besluitvorming betrokken en heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser toegang kan krijgen tot de opvangvoorzieningen. Ook heeft de minister de aanwezigheid van eisers vader in Nederland betrokken. Eiser heeft niet gesteld of onderbouwd dat tussen hem en zijn vader sprake is een bijzondere afhankelijkheidsrelatie in die zin dat zij niet zonder elkaars hulp of zorg kunnen functioneren. De enkele aanwezigheid van zijn vader in Nederland hoefde voor de minister daarom geen aanleiding te vormen om eisers asielaanvraag zelf te behandelen. Ook de overige, door eiser aangevoerde omstandigheden hebben de minister geen aanleiding hoeven geven om gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid van artikel 35, eerste lid, AMbV. Van een motiveringsgebrek is niet gebleken.
Indirect refoulement
9. Eiser vreest bij overdracht aan België het risico te lopen naar Algerije te worden uitgezet zonder een inhoudelijke beoordeling van zijn asielverzoek.
Ook deze beroepsgrond kan niet slagen. De rechtbank wijst naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de EU van 30 november 2023 en de Afdeling van 12 juni 2024. Uit die uitspraken volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land, omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Zoals hiervoor onder 6.1. en verder is overwogen kan ten aanzien van België nog altijd worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank onderzoekt daarom niet of er bij overdracht aan België een risico is op indirect refoulement
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aissa, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.