ECLI:NL:RBDHA:2026:2953

ECLI:NL:RBDHA:2026:2953

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-02-2026
Datum publicatie 16-02-2026
Zaaknummer 24/19219
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Aanvraag visum kort verblijf afgewezen. Eiser is het hier niet mee eens. Zorgvuldigheidsgebrek en motiveringsgebrek. Beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 24/19219

(gemachtigde: [persoon A] ),

en

(gemachtigde: mr. E. van der Meulen).

1. Deze zaak gaat over een aanvraag voor een visum voor kort verblijf. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, omdat hij het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende aangetoond acht. Bovendien bestaat er volgens verweerder redelijke twijfel over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren naar Marokko. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert hiertoe aan dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf wel degelijk voldoende zijn aangetoond. Verder voert hij aan dat hij voldoende sociale en economische binding heeft met Marokko. Hierdoor bestaat er volgens eiser geen redelijke twijfel over zijn voornemen om tijdig terug te keren naar Marokko. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. De rechtbank komt tot de conclusie dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven door een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 3 november 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 9 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

Eiser heeft een aanvullend beroepschrift ingediend, gedateerd 2 februari 2025.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 30 oktober 2025.

De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij heeft op 14 september 2023 een visum voor kort verblijf aangevraagd om [naam referent] (referent), de beste vriend van zijn vader, in Nederland te bezoeken.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor visumverlening van artikel 32, eerste lid, onder a, aanhef en onder ii en onder b) van de Verordening (EG) Nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode). Verweerder acht het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende aangetoond. Bovendien heeft verweerder redelijke twijfel over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren naar Marokko. Er is volgens verweerder namelijk niet gebleken van een zodanige sociale en economische binding met Marokko dat tijdige terugkeer naar dat land redelijkerwijs gewaarborgd is te achten.

Juridisch kader

4. Op grond van artikel 32, eerste lid, van de Visumcode, voor zover van belang, wordt een visum geweigerd:

a. indien de aanvrager:

ii) het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond;

b. indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.

Op grond van artikel 14 van de Visumcode is het aan de aanvrager om met documenten en informatie aannemelijk te maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor visumverlening.

Uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, volgt dat de autoriteiten bij het onderzoek van een visumaanvraag over een ruime beoordelingsruimte beschikken met betrekking tot de toepassingsvoorwaarden van (onder andere) artikel 32, eerste lid, van de Visumcode en de beoordeling van de relevante feiten, om te bepalen of een van de weigeringsgronden aan de aanvrager kan worden tegengeworpen. Dit betekent dat de rechtbank het standpunt van verweerder dat twee weigeringsgronden zich voordoen slechts terughoudend kan toetsen.

Kon verweerder het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf in redelijkheid onvoldoende aangetoond achten?

5. Eiser stelt dat zijn vader de referent al meermaals - met een visum - in Nederland heeft bezocht. Het standpunt van verweerder dat de relatie tussen eiser en de referent onvoldoende aannemelijk gemaakt is, is daardoor onbegrijpelijk.

De rechtbank overweegt dat uit een overgelegde uitdraai van het systeem van verweerder blijkt dat voorafgaand aan het nemen van het primaire besluit is opgemerkt dat ‘de vader van eiser meerdere keren is uitgenodigd door referent en de relatie hiermee is aangetoond’. Het (later ingenomen) standpunt van verweerder dat de relatie tussen eiser en referent niet aannemelijk is gemaakt zodat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond, kan de rechtbank daardoor zonder meer niet volgen. Het ter zitting door verweerder ingenomen standpunt dat er sprake is geweest van een kennelijke verschrijving kan de rechtbank eveneens zonder meer niet volgen.

De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerders standpunt dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende aangetoond zijn niet berust op een deugdelijke motivering.

De beroepsgrond slaagt dus.

Heeft verweerder in redelijkheid kunnen twijfelen aan het voornemen van eiser om tijdig terug te keren?

6. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat er redelijke twijfel bestaat over zijn voornemen om tijdig terug te keren naar Marokko. Hij heeft namelijk voldoende sociale en economische binding met Marokko. Eiser heeft ondanks zijn ziekte werk in Marokko en bovendien heeft hij daar een gezin, dat naast hem bestaat uit een vrouw en twee jonge kinderen. Zowel de vader van eiser als de referent hebben zich bovendien garant gesteld voor eiser en de referent is zelfs bereid om een borgsom te storten als extra waarborg voor de terugkeer van eiser naar Marokko.

Ten aanzien van de economische binding overweegt de rechtbank dat verweerder onvoldoende onderbouwd heeft kunnen vinden dat eiser in Marokko beschikt over een regelmatig en substantieel inkomen. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat er door eiser geen (objectief verifieerbare) bewijsstukken zijn overgelegd waaruit dit volgt. Dit is ter zitting overigens ook door eiser erkend.

Ten aanzien van de sociale binding overweegt de rechtbank dat eiser er in de bezwaarfase op heeft gewezen dat hij in Marokko een vrouw en twee kinderen (geboren op 1 juli 2019 en 30 november 2022) heeft die niet met hem zouden meereizen naar Nederland. Verweerder heeft in het bestreden besluit betrokken dat eiser een vrouw heeft in Marokko die daar achterblijft en zich op het standpunt gesteld dat daardoor sprake is ‘enige sociale binding’ met Marokko. Uit het besluit blijkt echter niet dat verweerder ook heeft betrokken dat eiser heeft gesteld dat hij in Marokko twee jonge kinderen heeft die daar achterblijven. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat verweerders standpunt over de sociale binding met Marokko en in het verlengde daarvan de vraag of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren naar Marokko, niet berust op een deugdelijke motivering en dat het besluit in dit opzicht ook in strijd is met het vereiste van een zorgvuldige voorbereiding.

De beroepsgrond slaagt dus.

Verweerder heeft er ter zitting nog op gewezen dat eiser zijn stelling dat hij twee jonge kinderen heeft in Marokko, niet heeft onderbouwd met stukken. Hoewel dit waar is werd dit eiser voor het eerst op de zitting tegengeworpen. Hierdoor heeft eiser geen gelegenheid gehad om zijn stelling (met stukken) te onderbouwen, terwijl eiser al in zijn bezwaarschrift aangegeven heeft dat hij twee jonge kinderen heeft in Marokko en verweerder dus sindsdien al bekend was met deze stelling van eiser. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder het gebrek in het besluit heeft hersteld.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Omdat de rechtbank geen mogelijkheid ziet om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en zij, gelet op de aan verweerder toekomende beoordelingsvrijheid, ook niet zelf in de zaak kan voorzien, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb verweerder opdragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van twaalf weken. Voordat verweerder dit nieuwe besluit zal nemen, dient verweerder eiser eerst in de gelegenheid te stellen om zijn stelling dat hij samen met zijn vrouw twee jonge kinderen heeft in Marokko (met stukken) te onderbouwen, bijvoorbeeld door referent uit te nodigen voor een hoorzitting. Verweerder mag hier slechts van afzien wanneer wordt uitgegaan van de waarheid van deze stelling.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Er zijn namelijk geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 9 augustus 2024;

- draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. de Vries, rechter, in aanwezigheid van A.R.M. Scheeres, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.C. de Vries

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?