RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.48252
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.M. Volwerk),
en
(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 10 juli 2026 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 14 augustus 2026 eisers asielaanvraag in de asielgrensprocedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en hangende het beroep de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De gemachtigde van eiser heeft op 2 september 2026 verzocht om aanhouding van de behandeling, omdat hij op 29 september 2026 verhinderd is en die datum ook tijdig als verhindering heeft doorgegeven. Dit verzoek heeft de rechtbank op 3 september 2026 afgewezen.
Eiser heeft op 4 september 2026 aanvullende beroepsgronden ingediend.
De gemachtigde van eiser heeft in een bericht van 10 september 2026 verzocht om een digitale zitting. In dat bericht geeft eisers gemachtigde aan dat een kantoorgenoot de zaak voor hem zou kunnen waarnemen vanuit het Justitieel Complex Schiphol in aanwezigheid van eiser. De rechtbank is hiermee akkoord gegaan.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 29 september 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van de minister is verschenen. mr. M.L. Hoogendoorn heeft als waarnemer van eisers gemachtigde aan de zitting deelgenomen via een beeldverbinding. Tijdens de behandeling ter zitting bleek dat eiser, noch een tolk digitaal aanwezig was vanwege een miscommunicatie. De rechtbank heeft in samenspraak met partijen – gelet op de korte uitspraaktermijn – besloten om de zaak te bespreken, maar de behandeling aan te houden om eiser op een later moment in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze te geven.
De rechtbank heeft vervolgens de behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening voortgezet op 1 oktober 2026. Daarbij is eiser verschenen met W.M. Mamik (nr. 4840) als tolk en mr. N. Schoonbrood als gemachtigde van de minister. De gemachtigde van eiser heeft zich afgemeld.
Totstandkoming van het besluit
Asielrelaas
3. Eiser stelt van Afghaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1999 en afkomstig uit de provincie Nangarhar. Hij legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in Afghanistan problemen heeft ondervonden met de Taliban en dat terugkeer daarom niet veilig is. Eiser geeft aan dat zijn gezin vaker kleine problemen had met de Taliban, maar dat in 2018 de problemen voor hem persoonlijk plaatsvonden. De Taliban nodigden eiser namelijk uit om zich bij hen aan te sluiten om het land te bevrijden van de bezetter. Toen eiser dit thuis vertelde, is zijn vader naar de overheid gegaan om een klacht in te dienen. Naar aanleiding daarvan zijn er soldaten langsgekomen bij eiser thuis. Er vond toen een gevecht plaats tussen de toenmalige regeringstroepen en de Taliban. Er raakten mensen gewond en er zijn doden gevallen. Een aantal dagen later kwamen de Taliban opnieuw langs om te achterhalen wie hen had verraden en het werd duidelijk dat dat eisers vader was. De Taliban zijn de volgende nacht het huis van eiser binnengevallen. Eisers moeder en zus zijn geslagen en zijn vader is meegenomen door de Taliban. Eiser zelf was gevlucht. Hij heeft de volgende dag bij de autoriteiten aangifte gedaan van de ontvoering van zijn vader en verbleef daarna bij zijn oom. De Taliban bleven echter zoeken naar hem in zijn ouderlijk huis. Daarop heeft hij besloten om, met behulp van zijn oom, te vertrekken naar Jalalabad om vanuit daar het land te verlaten.
Bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende elementen:
De minister gelooft eisers gestelde nationaliteit en herkomst, maar niet zijn identiteit. De reden daarvoor is dat eiser zijn identiteit niet heeft onderbouwd met objectieve documenten en dat hij daarvoor geen goede verklaring geeft. De minister acht het verder ongeloofwaardig dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Taliban. Eiser heeft namelijk behalve zijn verklaringen geen enkele onderbouwing en ook geen oprechte inspanning geleverd om die te kunnen leveren. De minister vindt eiser verder onduidelijk over de laatste keer dat er problemen met de Taliban waren en vindt het ongerijmd dat eisers moeder en zus niet worden vervolgd door de Taliban. Eisers verklaringen vormen daarnaast geen samenhangend en aannemelijk geheel. Ten aanzien van beide elementen betrekt de minister ook dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd aangezien eiser al in 2018 Afghanistan heeft verlaten en door Griekenland, Italië, Duitsland, België en Frankrijk en Nederland is gekomen, maar hij pas asiel heeft gevraagd nadat het niet was gelukt om het Verenigd Koninkrijk in te reizen.
De minister heeft de geloofwaardig geachte asielmotieven verder getoetst en hij concludeert dat eiser op grond van zijn nationaliteit en herkomst geen gegronde vrees voor vervolging heeft. Evenmin loopt eiser als gevolg van zijn nationaliteit en herkomst een reëel risico op ernstige schade. De minister neemt voor de provincie Nangarhar, waar eiser vandaan komt, een relatief lager niveau van willekeurig geweld aan als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening. Dat betekent echter niet dat het in Nangarhar zo onveilig is dat eiser enkel door zijn aanwezigheid daar gevaar loopt. Eiser heeft met zijn individuele omstandigheden niet aannemelijk gemaakt dat hij wel een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer.
De minister wijst eisers asielaanvraag af als kennelijk ongegrond. Volgens de minister heeft eiser zich namelijk te kwader trouw ontdaan van zijn documenten. Enerzijds verklaart eiser dat hij zijn Afghaanse identiteitskaart (tazkera) is kwijtgeraakt door de moeilijke reisroute. Anderzijds geeft eiser aan dat de smokkelaars het document innamen. Hieruit blijkt niet dat eiser een goede reden heeft waarom hij niet meer in het bezit is van het document.
Tot slot bepaalt de minister dat eiser niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning of voor uitstel van vertrek om medische redenen en dat hij in grensdetentie blijft.
Beoordeling door de rechtbank
Medisch advies voorafgaand aan het asielgehoor
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister ten onrechte geen medisch advies heeft gevraagd voorafgaand aan het gehoor. Dit is een belangrijke waarborg voor de manier waarop het gehoor wordt afgenomen en voor de vraag of de beoordeling van de verklaringen wel voldoende op de persoon van eiser is toegespitst. Eiser heeft ruim op tijd verzocht om een medisch advies en pas in het bestreden besluit is de minister hier op ingegaan. De impact van de reis en het gebrek aan geletterdheid en opleiding had voor de minister aanleiding moeten zijn om een medisch advies in te winnen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht geen aanleiding gezien voor het vragen van een medisch advies. Eiser heeft geen concrete reden gegeven waarom moet worden betwijfeld of eiser zonder meer gehoord kon worden. De rechtbank wil aannemen dat eisers overtocht naar het Verenigd Koninkrijk – naar verluidt verstopt in een afgesloten container – impact heeft gehad, maar de rechtbank ziet niet in dat dat van invloed is geweest op zijn vermogen om te verklaren in een asielgehoor. Eisers gemachtigde heeft verder verwezen naar eerdere negatieve ervaringen met mensensmokkelaars in Turkije, maar uitgaande van eisers verklaringen moeten die jaren geleden hebben plaatsgevonden zodat ook daaruit niet zonder meer een belemmering om te verklaren kan worden aangenomen. Daarnaast is in het gehoor rekening gehouden met eisers opleidingsniveau en analfabetisme. Dit komt terug in het verslag van het rapport van het persoonlijk onderhoud van 11 augustus 2026. Verder heeft eiser aangegeven dat hij de tolk goed heeft kunnen begrijpen en dat het goed met hem gaat. De verwijzing van eiser ter zitting naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 10 augustus 2026 kan hem niet baten. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank dat de minister voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van grensdetentie onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er, gelet op de medische situatie van de vreemdeling, geen aanleiding bestaat om een lichter middel toe te passen. Dit verschilt van de vraag of in het kader van een asielprocedure een medisch advies had moeten worden uitgebracht.
Geloofwaardigheidsbeoordeling
Heeft de minister eisers identiteit ongeloofwaardig mogen achten?
6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte zijn identiteit ongeloofwaardig heeft geacht. Er is geen sprake van tegenstrijdige verklaringen over het verliezen van zijn tazkera. In algemene zin heeft eiser eerst verklaard dat hij het document onderweg is kwijtgeraakt. Later heeft hij dit gespecificeerd door te stellen dat het kwijtraken kwam doordat zijn tas werd ingenomen door de mensensmokkelaars. Dit kan verklaard worden door zijn referentiekader. Ook merkt eiser op dat hij de minister herhaaldelijk heeft verzocht hem te helpen bij het traceren van de telefoon die in het Verenigd Koninkrijk is ingenomen. Als de minister daaraan gehoor had gegeven, had eiser contact kunnen leggen met zijn familie en een foto van zijn tazkera kunnen overleggen. Daarnaast stelt eiser dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij niet eerder elders asiel heeft aangevraagd. Eiser heeft dat in Italië en België niet gedaan, omdat hij zag hoe moeilijk de situatie voor asielzoekers was zonder opvang. In België heeft eiser bovendien te horen gekregen dat er geen opvang was. Hij wijst ter onderbouwing hiervan op het AIDA-rapport van juni 2025 inzake België. Los daarvan ziet eiser niet in waarom de keuze voor het Verenigd Konikrijk en niet voor andere landen afdoet aan zijn verklaringen omtrent zijn identiteit. Daar komt bij dat hij consistent heeft verklaard over zijn identiteit.
De rechtbank is van oordeel dat de minister eisers identiteit ongeloofwaardig heeft mogen achten. De minister heeft er terecht op gewezen dat eiser geen documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn identiteit en dat hij daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven. Eiser voldoet daarmee niet aan de voorwaarde van artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatieverordening. Eiser heeft immers in de correcties en aanvullingen van 17 juli 2026 op het gehoor in het kader van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMbV) verklaard dat hij zijn tazkera is kwijtgeraakt tijdens de grensovergang van Turkije en Bulgarije, omdat het een lastige route over hekken en door een rivier is. Daarbij zou eisers tas met het document verloren zijn gegaan. Dit is een wezenlijk andere verklaring dat afgelegd tijdens het persoonlijk onderhoud van 11 augustus 2026. Toen stelde eiser namelijk dat hij er in Bulgarije door de mensensmokkelaars toe werd gedwongen om zijn tazkera in te leveren. Dit ziet de rechtbank niet als een specificering van zijn eerdere verklaring. Eisers beroep op zijn referentiekader slaagt in dit verband niet. Niet valt in te zien waarom eiser vanwege zijn beperkte scholing of ongeletterdheid niet eenduidig zou kunnen verklaren over hoe hij zijn tazkera is kwijtgeraakt.
De minister heeft eiser verder tegengeworpen dat hij niet aan de voorwaarde van artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder d, van de Kwalificatieverordening voldoet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister eisers identiteit ondanks het gebrek aan documenten terecht niet alsnog geloofwaardig geacht, omdat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. In dit verband wijst de minister er terecht op dat eiser vanwege problemen met de Taliban al in het jaar 2018 Afghanistan heeft verlaten en sindsdien in meerdere landen (langdurig) heeft verbleven zonder asiel aan te vragen. Zo heeft eiser naar eigen zeggen meerdere maanden in Turkije verbleven, meer dan een jaar in Griekenland en een maand in België. In Italië, Frankrijk en België is eiser in de gelegenheid gesteld om asiel aan te vragen, maar dit heeft hij geweigerd. Ter zitting heeft eiser hierover verklaard dat hij dat niet wilde omdat er geen opvangvoorzieningen voor hem zouden zijn en hij op reis van anderen hoorde dat zij op weg waren naar het Verenigd Koninkrijk. Ook in Nederland wenste eiser in eerste instantie geen asiel aan te vragen, maar per schip door te reizen naar het Verenigd Koninkrijk. Pas toen eiser door de Britse autoriteiten werd teruggestuurd, heeft eiser op 10 juli 2026 zijn asielverzoek ingediend. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat niet valt in te zien waarom eiser het jarenlang achterwege laat om een asielverzoek in te dienen, terwijl hij stelt internationale bescherming nodig te hebben. Het standpunt van eiser dat de opvangvoorzieningen voor asielzoekers in Italië en België te wensen overlaten, doet daaraan niet af. Eiser heeft immers niet alleen de mogelijkheid gehad om in Italië, Frankrijk en België een asielverzoek in te dienen, eiser was voor het indienen van zijn asielverzoek ook eerder in Nederland en Duitsland.
Heeft de minister de problemen met de Taliban ongeloofwaardig mogen achten?
7. Daarnaast stelt eiser dat de minister de problemen met de Taliban ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. Volgens eiser kan hem niet worden tegengeworpen dat hij geen bewijs van de aangifte heeft die hij in Afghanistan heeft gedaan. Zoals hij ook ter zitting heeft herhaald, kende eiser de regels van de asielprocedure niet en had deze ook niet tot zich kunnen nemen, gelet op zijn analfabetisme. Eiser had wel contact met zijn familie kunnen leggen om wellicht nadere documenten te verkrijgen, maar de minister heeft niet meegewerkt aan het traceren van zijn telefoon. Verder heeft eiser geen enkel begrip van de duur van periodes, zodat de minister hem niet kan tegenwerpen dat hij onduidelijk heeft verklaard over wanneer zich voor het laatst problemen hebben voorgedaan. Eiser kan zich ook niet verenigen met het standpunt dat zijn vrees slechts is gebaseerd op vermoedens. Hij weet dat leden van de Taliban naar hem op zoek zijn vanwege de aangifte die zijn vader heeft gedaan. Bovendien is de Taliban later aan de macht gekomen en mag verondersteld worden dat zij in het bezit zijn van de administratie.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister het ongeloofwaardig mogen achten dat eiser in de negatieve belangstelling kwam te staan van de Taliban. In de eerste plaats werpt de minister eiser terecht tegen dat hij geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn asielaanvraag te onderbouwen. Eiser heeft verklaard dat hij naar de autoriteiten is gegaan om aangifte te doen tegen de ontvoering van zijn vader, maar kan dit niet onderbouwen en heeft daartoe ook geen poging gedaan. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat hij niet op de hoogte was van de regels van de asielprocedure en dat hij hier ook niet van op de hoogte kon geraken vanwege het feit dat hij analfabeet is. De minister wijst er in dit verband terecht op dat eiser zich, uitgaande van zijn relaas, bij zijn vertrek uit Afghanistan in 2018 al bewust was van de noodzaak om elders internationale bescherming te vragen. Vervolgens heeft eiser in de jaren voorafgaand aan de machtsovername van de Taliban in Afghanistan in 2021 geen inspanning geleverd om een bewijs van de aangifte te achterhalen. Dat eiser analfabeet is, doet daaraan niet af. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij niet wist dat hij zijn asielverzoek zou moeten onderbouwen, maar dat acht de rechtbank niet aannemelijk. Eiser heeft immers jarenlang in verschillende landen verbleven waar hij zich had kunnen laten informeren over de asielprocedure. Eiser heeft bovendien ook contact gehad met andere asielzoekers over hun vlucht, gezien zijn verklaring dat veel anderen op weg waren naar het Verenigd Koninkrijk. Ten aanzien van de stelling dat eiser nu onmogelijk aan bewijs kan komen, omdat zijn telefoon in het Verenigd Koninkrijk is ingenomen en hij geen contact kan opnemen met zijn familie, overweegt de rechtbank eveneens dat hij hiertoe in het verleden voldoende gelegenheid heeft gehad. De rechtbank merkt in dit verband op dat het niet is vast komen te staan dat eisers telefoon door de Britse autoriteiten is ingenomen. Uit de e-mail van Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) van 16 juli 2026 volgt immers dat de Britse autoriteiten niet hebben kunnen bevestigen dat er een telefoon is ingenomen. Dat de minister onvoldoende heeft meegewerkt aan het traceren van de telefoon, volgt de rechtbank dan ook niet.
Daarnaast werpt de minister eiser terecht tegen dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, hoewel de rechtbank de minister niet zonder meer kan volgen in de tegenwerping dat het ongerijmd is dat eisers moeder en zus niet worden vervolgd in eisers afwezigheid. Dat acht de rechtbank niet ondenkbaar gezien de positie van vrouwen in de Afghaanse maatschappij. De minister wijst er wel terecht op dat eiser onduidelijk is over wanneer er voor het laatst problemen plaatsvonden met de Taliban. Zo stelt eiser tijdens het persoonlijk onderhoud dat er voor het laatst problemen waren toen de Taliban de macht overnamen. Later stelt hij dat zijn moeder drie maanden geleden nog aangaf dat leden van de Taliban nog steeds langskomen om naar hem te vragen. De minister wijst er terecht op dat dit verschil in tijd te groot is om te verklaren door eisers analfabetisme en lage opleidingsniveau. Verder stelt eiser wel dat hij weet dat de Taliban nog steeds naar hem op zoek zijn omdat zijn moeder hem dat heeft verteld, maar of dit inderdaad zo is kan hij niet onderbouwen. De minister stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat er geen concrete aanwijzingen bestaan om aan te nemen dat de Taliban naar eiser op zoek zijn. De enkele stelling in de aanvullende beroepsgronden dat eisers oom en moeder dit hebben bevestigd, is daartoe onvoldoende. De omstandigheid dat de Taliban sinds de machtsovername inzage hebben in voorgaande aangiftes, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft immers niet onderbouwd dat in zijn geval daadwerkelijk sprake is geweest van een aangifte door hem of door zijn vader. De minister heeft er verder op mogen wijzen dat eisers problemen zich tweeëneenhalf jaar vóór de machtsovername voordeden en dat niet valt in te zien hoe de Taliban destijds op de hoogte zouden zijn geraakt van een aangifte. Pas in de aanvullende gronden van beroep verklaart eiser dit door te stellen dat de dorpsgenoten hem en zijn vader hebben verraden.
Tot slot wijst de minister er ook in dit verband terecht op dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. De minister mocht daarbij verwijzen naar zijn eerdere motivering van deze tegenwerping in het kader van eisers identiteit. Eiser heeft betwist niet als zodanig dat het moment van zijn asielaanvraag, jaren na zijn vertrek uit Afghanistan, van betekenis is voor de noodzaak tot internationale bescherming. Dit draagt bij aan de ongeloofwaardigheid van eisers asielrelaas.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het ongeloofwaardig is dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Taliban.
8. Uit het voorgaande volgt dat de minister eisers individuele asielrelaas terecht goeddeels ongeloofwaardig heeft geacht. Dat heeft dan ook geen aanleiding moeten geven tot verlening van een verblijfsvergunning asiel.
Reëel risico op ernstige schade
Juridisch kader
9. Vervolgens ligt de vraag voor of eiser als gevolg van de algemene veiligheidssituatie in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming wegens een reëel risico op ernstige schade. Bij de beoordeling daarvan is artikel 15 van de Kwalificatieverordening relevant. In deze bepaling wordt ‘ernstige schade’ gedefinieerd. In artikel 15, aanhef en onder c, staat dat ernstige schade kan bestaan uit een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. In het arrest X en Y van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 9 november 2023 heeft het Hof uiteengezet dat willekeurig geweld verschillende gradaties heeft. In de hoogste gradatie is de mate van willekeurig geweld zodanig dat iemand door zijn enkele aanwezigheid in het gebied al een reëel risico loopt op ernstige schade. In een lagere gradatie kan een vreemdeling door zijn persoonlijke kenmerken eerder slachtoffer worden van willekeurig geweld.
In het arrest CF en DN heeft het Hof elementen genoemd die relevant zijn voor de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte valt van artikel 15, aanhef en onder c, van - destijds - de Kwalificatierichtlijn. Alle relevante omstandigheden moeten globaal in aanmerking worden genomen, en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. Verder heeft de Afdeling geoordeeld dat humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij een gewapend conflict in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken.
In paragraaf C9/2.4.2. van de Vc 2000 is de huidige inschatting van de veiligheidssituatie in Afghanistan neergelegd. De minister neemt voor de provincies Badakhshan, Kabul, Kandahar, Khost, Kunar, Nangarhar, Paktia, Paktika en Takhar een relatief lager niveau van willekeurig geweld aan. Volgens de minister leidt de enkele aanwezigheid in de Nangarhar dus niet tot een reëel risico om te worden blootgesteld aan ernstige schade. Dat kan anders zijn als een vreemdeling vanwege zijn persoonlijke omstandigheden een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van het aanwezige willekeurige geweld. De minister heeft zich hierbij gebaseerd op paragraaf C3/3.3.3. van de Vc 2000.
Is het landgebonden beleid voldoende actueel?
10. Eiser kan zich verder niet verenigen met de beoordeling van de minister omtrent de mate van willekeurig geweld in Nangarhar. Eiser wijst op pagina 89 van het rapport van European Union Agency for Asylum (EUAA) van juni 2026. Nu deze informatie van recentere datum is dan het laatste AAB over Afghanistan, meent eiser dat de beoordeling van de minister onvoldoende actueel is.
Eiser stelt zich met het voorgaande op het standpunt stelt dat het landgebonden beleid in paragraaf C9/2.4.2. van de Vc 2000 onjuist of onzorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Op 5 juni 2026 heeft de minister het landgebonden ten aanzien van Afghanistan gewijzigd naar aanleiding van een nieuw algemeen ambtsbericht over Afghanistan. Volgens dit gewijzigde beleid neemt de minister voor sommige provincies, waaronder Nangarhar, een 15c-situatie aan, met een lagere gradatie van willekeurig geweld.
De rechtbank is van oordeel dat het landgebonden asielbeleid is gebaseerd op voldoende actuele en volledige informatie. Aan de beslisnota bij de Kamerbrief van 28 mei 2026 ligt het algemeen ambtsbericht voor Afghanistan van 16 december 2025 ten grondslag. De verslagperiode van het ambtsbericht beslaat de periode van juni 2023 tot en met oktober 2025. In aanvulling daarop betrekt de Kamerbrief met de daarbij behorende beslisnota en bijlagen ook de in het voorjaar van 2026 geëscaleerde gevechten tussen Afghanistan en Pakistan.
De stukken waarnaar eiser verwijst, met name het rapport van de EUAA van juni 2026 beslaat een verslagperiode die loopt tot en met november 2025, aangevuld met de belangrijkste ontwikkelingen in het voorjaar van 2026. Het rapport van de EUAA beslaat hoofdzakelijk dezelfde periode en schetst naar het oordeel van de rechtbank geen ander beeld dan het algemeen ambtsbericht over Afghanistan. Daarbij merkt de rechtbank op dat de belangrijkste ontwikkelingen in Afghanistan op het gebied van de algemene veiligheidssituatie betrekking hebben op de spanningen tussen Pakistan en Afghanistan die hebben uitgemond in bombardementen door de Pakistaanse luchtmacht.
Loopt eiser een reëel risico in de zin van artikel 15c?
11. Eiser voert verder aan dat eisers individuele omstandigheden ertoe leiden dat hij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt als gevolg van de algemene veiligheidssituatie. Eiser voert aan dat uit het rapport van EUAA naar voren komt dat mannen meer risico lopen om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en daarnaast is eiser al jaren weg uit zijn land. Langdurig verblijf in het Westen leidt eveneens tot een hoger risico. Eiser wijst er ook in dit verband op dat in Afghanistan sprake is van een slechte humanitaire situatie voor terugkeerders. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst hij op een passage van een emergency update van United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR) van juli 2026 en een factsheet van mensenrechteninitiatief REACH van juni 2026. Desgevraagd heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat de grote economische problemen in Afghanistan en Nangarhar in het bijzonder moeten worden toegeschreven aan de Taliban als actor van geweld in Afghanistan.
De minister stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat geen sprake is van individuele omstandigheden op grond waarvan eiser in Nangarhar een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening. In het bestreden besluit heeft de minister erop gewezen dat sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld en dat eiser geen omstandigheden naar voren heeft gebracht waarom hij meer risico loopt dan iedere andere willekeurige burger. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van een hogere gradatie van willekeurig geweld dan de voor Nangahar aangenomen laagste gradatie van willekeurig geweld. Ter zitting heeft de minister verder opgemerkt dat de humanitaire situatie is betrokken bij de totstandkoming van het landgebonden beleid.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade. Uit de hiervoor aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat bij de beoordeling van het risico bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking moeten worden genomen. De Afdeling heeft daarbij verduidelijkt dat humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of nalaten van een actor een relevante omstandigheid zijn. Wanneer de situatie in Nangarhar globaal in ogenschouw wordt genomen, springen de geweldssituatie en de humanitaire omstandigheden in het oog. In het bestreden besluit is de minister wel voldoende ingegaan op de aard van het geweld in de provincie Nangarhar, maar heeft hij met geen woord gerept over de humanitaire situatie aldaar. Gezien de aard en omvang van die problemen, was dat naar het oordeel van de rechtbank wel een omstandigheid die bespreking behoeft. Hierin constateert de rechtbank dus een motiveringsgebrek.
De rechtbank ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Ter zitting heeft de minister met het oog op de humanitaire omstandigheden verwezen naar de onderbouwing van het landgebonden beleid. Uit de stukken die ten grondslag liggen aan de wijziging van het landgebonden beleid volgt dat de humanitaire situatie inderdaad is betrokken (paragraaf 4.2.4 van de beslisnota). De minister heeft vastgesteld dat sprake is van een slechte humanitaire situatie, maar dat deze in belangrijke mate het gevolg is van de economische situatie, klimaatomstandigheden en specifiek in Nangarhar van een zware aardbeving. Deze vaststelling wordt bevestigd door de stukken die eiser naar voren heeft gebracht.
Voor zover een slechte humanitaire situatie het gevolg is van klimaat (droogte) en natuurgeweld, is er evident geen verband met een actor van geweld. Deze omstandigheden blijven dus buiten beschouwing in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening. Hetzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank voor de gevolgen van problemen in de vorm van voedselschaarste en gebrek aan woonruimte. Deze kunnen in Afghanistan mede veroorzaakt zijn door natuurlijke omstandigheden. Ook voor zover de Taliban daarop invloed hebben gehad in de zin van slecht of ineffectief bestuur, ziet de rechtbank daarin onvoldoende aanleiding voor een ander oordeel. De Taliban kunnen weliswaar gezien worden als een actor van ernstige schade, maar bij het al dan niet uitoefenen van (economisch) bestuur staan de gevolgen daarvan in een te ver verwijderd verband tot die schade.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan te vrezen heeft voor een reëel risico op ernstige schade vanwege zijn terugkeer uit het Westen. De Afdeling heeft op 20 november 2024 en op 21 januari 2026 over dit onderwerp uitspraak gedaan. De Afdeling komt tot de conclusie dat uit de informatie uit de openbare bronnen niet volgt dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. Verder heeft eiser geen individuele omstandigheden aangedragen op grond waarvan hij een verhoogd risico op ernstige schade loopt. In dit verband wijst de rechtbank nog op hetgeen is overwogen omtrent de geloofwaardigheid van de gestelde problemen met de Taliban.
Artikel 3 van het EVRM
12. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat de humanitaire omstandigheden niet enkel van belang zijn in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatieverordening, maar ook in het kader van artikel 3 van het EVRM. In dit verband wijst eiser op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag van 10 juli 2026.
De rechtbank overweegt als volgt. Humanitaire omstandigheden die geen of in mindere mate verband houden met willekeurig geweld in het kader van een lopend gewapend conflict kunnen inderdaad een rol spelen bij de meer algemene beoordeling onder artikel 3 van het EVRM. De minister kan voor deze beoordeling niet volstaan met een verwijzing naar de 15c-beoordeling, nu deze artikelen van inhoud verschillen. De vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om als gevolg van slechte humanitaire omstandigheden in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM is echter van belang in het kader van de toets aan het beginsel van non-refoulement bij het opleggen van een terugkeerbesluit. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit geen terugkeerbesluit omvat; het besluit vermeldt enkel dat eiser Nederland zal moeten verlaten als – later – de toegang definitief wordt geweigerd. De beroepsgrond kan daarom niet slagen.
Conclusie en gevolgen
13. Gezien overweging 11.2 zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat in beroep alsnog voldoende is gebleken dat eiser geen reëel risico op ernstige schade loopt.
Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank de minister veroordelen in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Omdat eiser is vrijgesteld van het betalen van griffierecht, hoeft de minister niet het griffierecht aan eiser te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 14 augustus 2026;
- laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser, begroot op € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T.C. Wijsman, rechter, in aanwezigheid van mr.M.N.T. Tacken, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.