RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.57709
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en
(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).
1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister eiser terecht in vreemdelingenbewaring heeft gesteld. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank ziet in dit geval geen grondslag voor het opleggen van de maatregel als bedoeld in artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw). In dit artikel is immers bepaald dat de maatregel van bewaring in overeenstemming moet zijn met artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening (hierna AMBV). In artikel 44, tweede lid, van de AMBV is bepaald dat de bewaring is bedoeld om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen. De minister heeft eiser daarentegen in bewaring gesteld om een overdrachtsbesluit op grond van de Dublinverordening te effectueren. Uit geen enkele bepaling in de AMBV volgt dat een overdrachtsbesluit of overdracht op grond van de Dublinverordening gelijk moet worden gesteld met een overdrachtsbesluit dan wel een overdracht als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de AMBV. De rechtbank ziet dus geen grondslag voor het standpunt van de minister. Dit betekent dat de maatregel van bewaring ten onrechte is opgelegd. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 28 september 2026 (bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 5 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, M. Cheiboukh als tolk en de gemachtigde van de minister.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de minister in de gelegenheid gesteld om schriftelijk de vraag te beantwoorden in hoeverre artikel 59a, eerste lid, van de Vw een grondslag biedt voor de maatregel van bewaring. De minister heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Daarna heeft de rechtbank eiser in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Eiser heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, nu partijen, desgevraagd, niet hebben aangegeven gebruik te willen maken van hun recht ter zitting te worden gehoord.
Beoordeling door de rechtbank
Vooraf
3. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2000 en van Algerijnse nationaliteit te zijn. Eiser heeft op 23 december 2025 aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel. Deze aanvraag is met het besluit van 4 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Spanje op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is. De minister heeft met dat besluit ook bepaald dat eiser zal worden overgedragen aan Spanje (hierna: overdrachtsbesluit). Eiser is op 6 maart 2026 met onbekende bestemming vertrokken. De minister heeft met het besluit van 10 maart 2026 de overdrachtstermijn verlengd tot 18 maanden. Eiser is op 28 september 2026 in bewaring gesteld. Tijdens de zitting heeft de minister verklaard dat de minister niet opnieuw een claim bij Spanje gaat leggen. De maatregel van bewaring is bedoeld om het overdrachtsbesluit op grond van de Dublinverordening te effectueren.
Toetsingskader
4. De minister kan vreemdelingen op wie de AMBV van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de AMBV. In artikel 44, tweede lid, van de AMBV staat dat wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
Rechtsvraag & standpunten van partijen
5. De rechtbank moet ambtshalve de vraag beantwoorden of er een wettelijke grondslag bestaat voor de bevoegdheid van de minister om aan eiser de maatregel van bewaring op te leggen.
De minister betoogt dat weliswaar in artikel 44, tweede lid, van de AMBV is vermeld dat lidstaten de betrokken persoon in bewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, maar volgens de minister biedt deze bepaling in combinatie met de toepassing van artikel 83, tweede lid in combinatie met de concordantietabel in bijlage II van de AMBV een toereikende wettelijke grondslag. De minister betoogt dat er geen ‘gat’ is in het overgangsrecht. Met de inwerkingtreding van de AMBV is de Dublinverordening ingetrokken. Uit artikel 83, tweede lid, van de AMBV volgt dat verwijzingen naar de ingetrokken Dublinverordening gelden als verwijzingen naar deze verordening (de AMBV) en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II. Hieruit volgt volgens de minister dat de AMBV onmiddellijke werking heeft. Er is slechts sprake van een beperkt overgangsrecht zoals bedoeld in artikel 84, tweede lid, van de AMBV. Dat beperkte overgangsrecht is hier niet van toepassing. Eiser valt sinds 12 juni 2026 onder de AMBV. Dat het overdrachtsbesluit is genomen voor 12 juni 2026, maat dat niet anders. Dat overdrachtsbesluit heeft immers gelet op artikel 83, tweede lid, van de AMBV te gelden als overdrachtsbesluit op grond van de AMBV. De minister is daarom van oordeel dat eiser op grond van artikel 44, tweede lid, van de AMBV in bewaring kon worden gesteld om de overdrachtsprocedure overeenkomstig de AMBV veilig te stellen.
Eiser betoogt dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor de maatregel van bewaring. Voor de toepassing van artikel 59a, eerste lid, van de Vw moet voldaan zijn aan twee voorwaarden: (1) de AMBV moet op de vreemdeling van toepassing zijn; en (2) de bewaring moet strekken tot overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in de zin van die verordening (de AMBV). Het standpunt van de minister berust op een uitleg van artikel 83, tweede lid, van de AMBV en de concordantietabel. De minister maakt echter niet concreet welke bepaling uit artikel 83, tweede lid, of uit de concordantietabel van de AMBV bepaalt dat een al genomen overdrachtsbesluit materieel wordt omgezet in een overdrachtsbesluit op grond van de AMBV. Een enkele verwijzing naar onmiddellijke werking volstaat niet voor de rechtvaardiging van vrijheidsontneming, nu artikel 59a van de Vw de bewaring afhankelijk stelt van de toepasselijkheid van de AMBV op de vreemdeling.
De rechtbank is van oordeel dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor het opleggen van de maatregel van bewaring aan eiser ter effectuering van een overdrachtsbesluit op grond van de Dublinverordening. De rechtbank legt dit oordeel hierna uit.
Uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw volgt dat een vreemdeling op grond van dit artikel alleen in bewaring kan worden gesteld als de AMBV op deze vreemdeling van toepassing is en de vreemdelingenbewaring in overeenstemming is met artikel 44 van de AMBV. Uit artikel 44, tweede lid van de AMBV volgt dat een lidstaat bevoegd is een vreemdeling in bewaring te stellen om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen. Hoewel het evident is dat met ‘deze verordening’ de AMBV wordt bedoeld, is het begrip ‘overdrachtsprocedure(s)’ niet gedefinieerd in de AMBV. De term ‘overdracht’ is in artikel 2, aanhef en onder 21 van de AMBV gedefinieerd als de uitvoering van een op grond van artikel 42 genomen besluit. Uit artikel 42, eerste lid, van de AMBV volgt dat een overdrachtsbesluit wordt genomen nadat het overnameverzoek met betrekking tot de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a van de AMBV bedoelde verzoeker is aanvaard of een kennisgeving inzake terugname is gedaan met betrekking tot de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de AMBV bedoelde personen. De artikelen 39 en 40 van de AMBV geven de regels over overnameverzoeken. Artikel 41 geeft de regels over kennisgevingen inzake terugname. In Afdeling VI van de AMBV is bepaald op welke wijze de overdracht plaatsvindt.
De rechtbank leidt uit de voornoemde bepalingen af dat met ‘overdrachtsprocedure’ als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de AMBV wordt bedoeld de procedure tot overdracht van een verzoeker die door de lidstaten wordt gevolgd nadat conform de AMBV is vastgesteld welke lidstaat op grond van de AMBV verantwoordelijk is, hiertoe een strekkende overnameverzoek conform artikel 39 AMBV of kennisgeving inzake terugname conform artikel 41 AMBV is gedaan en – voor zover nodig – dit verzoek is aanvaard respectievelijk de ontvangst van de kennisgeving is bevestigd. In zoverre biedt artikel 44, tweede lid, van de AMBV op zichzelf bezien dus geen grondslag voor het in bewaring stellen van een vreemdeling ter effectuering van een overdrachtsbesluit op grond van de Dublinverordening.
De AMBV kent slechts beperkt overgangsrecht. Het overgangsrecht is neergelegd in artikel 84 van de AMBV. Hierin is niet bepaald dat artikel 28 van de Dublinverordening rechtskracht blijft behouden voor zover het gaat om overdrachtsbesluiten die zijn genomen op grond van de Dublinverordening. Ook volgt hieruit niet dat een overdrachtsbesluit op grond van de Dublinverordening gelijk moet worden gesteld met een overdrachtsbesluit op grond van de AMBV. Kortom, het overgangsrecht biedt evenmin een grondslag voor het voor het in bewaring stellen van een vreemdeling ter effectuering van een overdrachtsbesluit op grond van de Dublinverordening.
De minister verwijst naar artikel 83 AMBV. Hierin is onder meer bepaald dat verwijzingen naar de Dublinverordening gelden als verwijzingen naar de AMBV en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II van de AMBV. De rechtbank is echter van oordeel dat uit deze bepaling niet volgt dat een overdrachtsbesluit of overdracht op grond van de Dublinverordening gelijk moet worden gesteld met een overdrachtsbesluit of overdracht op grond van de AMBV. Deze bepaling is bedoeld voor verwijzingen in Europese regelgeving naar (artikelen van) de Dublinverordening. In plaats van dat deze regelgeving afzonderlijk moet worden aangepast door de Uniewetgever, wordt met deze bepaling geregeld dat zo’n verwijzing naar (een artikel van) de Dublinverordening wordt gelezen als een verwijzing naar (een artikel van) de AMBV. De rechtbank ziet in dit artikel daarom geen steun voor het standpunt van de minister.
De rechtbank kan ook niet in enig artikel van de AMBV steun vinden voor het standpunt van de minister. Uit het oorspronkelijk voorstel van de Europese Commissie dat heeft geleid tot de AMBV volgt ook niet bij dit voorstel is nagedacht over de in 5 genoemde rechtsvraag.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat artikel 44, tweede lid, van de AMBV geen grondslag biedt voor het in bewaring stellen van een vreemdeling ter effectuering van een overdrachtsbesluit op grond van de Dublinverordening. Nu artikel 59a, eerste lid, van de Vw vereist dat de bewaring overeenkomstig artikel 44, tweede lid, van de AMBV moet zijn, biedt dus ook artikel 59a, eerste lid, van de Vw hiervoor geen grondslag.
De minister heeft tijdens de zitting betoogd dat het niet zo kan zijn dat vreemdelingen met een overdrachtsbesluit op grond van de Dublinverordening niet in bewaring kunnen worden gesteld. De rechtbank heeft oog voor dit standpunt. De rechtbank kan zich ook goed voorstellen dat dit wenselijk is. De rechtbank ziet op grond van het voorgaande echter geen aanknopingspunt om te oordelen dat er een grondslag bestaat voor dit standpunt. Bovendien ziet de rechtbank niet in dat deze vreemdelingen dan niet in bewaring kunnen worden gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Het is immers mogelijk voor de minister om ondanks dat er al eerder een overdrachtsbesluit op grond van de Dublinverordening is genomen, opnieuw met toepassing van de AMBV vast te stellen welke lidstaat verantwoordelijk is, artikel 42 van de AMBV toe te passen en vervolgens de overdrachtsprocedure overeenkomstig (hoofdstuk VI van) de AMBV te volgen. In dat geval lijkt wel voldaan te zijn aan de voorwaarde van artikel 44, tweede lid, van de AMBV.
Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het besluit van 28 september 2026 is genomen zonder dat hiervoor een toereikende grondslag bestaat.
Conclusie
6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen vanaf 28 september 2026 onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel.
Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank, indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 9 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 1 x € 160,- (verblijf politiecel) en 9 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.240,-.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.240,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.N.T. Tacken, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 7 oktober 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.