ECLI:NL:RBDHA:2026:29540

ECLI:NL:RBDHA:2026:29540

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-10-2026
Datum publicatie 07-10-2026
Zaaknummer NL26.58023
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Maatregel van bewaring.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.58023

geboren op [geboortedatum] ,

van Poolse nationaliteit,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq),

en

(gemachtigde: mr. P. Loijenga).

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 29 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 6 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. M.H.K. van Middelkoop als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser heeft afstand gedaan van zijn recht om bij de zitting aanwezig te zijn.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Voortraject

5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.

Grondslag

6. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Bij besluit van 30 december 2024, aan eiser uitgereikt op 15 februari 2025, is vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht en is eiser aangezegd dat hij Nederland binnen een maand dient te verlaten. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.

Gronden

7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die de minister aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd niet heeft betwist. De rechtbank is, ambtshalve toetsend, van oordeel dat de gronden terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd.

Lichter middel

8. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel. Hij heeft hulp nodig en had met stichting Barka en de Dienst Terugkeer en Vertrek kunnen werken aan zijn vertrek.

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet hoeven te volstaan met

een lichter middel. Daartoe acht de rechtbank van belang dat eiser meerdere keren uit

Nederland is verwijderd en steeds opnieuw weer naar Nederland is teruggekeerd. Voorts

heeft eiser in het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring

aangegeven dat hij weer zal terugkeren naar Nederland en graag in Nederland wil zijn.

Verder acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor overwogen, de gronden de

maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onderduiken is gegeven.

Voor zover eiser stelt dat hij hulp had moeten krijgen van stichting Barka, staat het eiser of

zijn gemachtigde vrij om contact met stichting Barka op te nemen.

Voortvarend handelen en zicht op uitzetting.

10. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de

uitzetting van eiser en dat er zicht op uitzetting is op korte termijn. In dit kader acht de

rechtbank van belang dat er op 2 oktober 2026 aan de zaaksofficier van het parket OVJ

Amsterdam is gevraagd of er kan worden ingestemd met de voorgenomen uitzetting van

eiser. Verder is er op dezelfde dag een vertrekgesprek met eiser gevoerd en is er een vlucht

voor eiser aangevraagd. Ter zitting heeft de minister aangegeven dat eiser op 9 oktober 2026

per vliegtuig zal terugkeren naar Polen.

Refoulementbeoordeling

11. De minister heeft in de maatregel voldoende gemotiveerd dat niet gebleken is van

zwaarwegende en op feiten berustende omstandigheden waaruit blijkt dat eiser bij terugkeer

een reëel risico loopt dat hij zal worden onderworpen aan de doodstraf, aan foltering of aan

andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, omdat hij in het

gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard hier niet voor te vrezen en

volledig veilig is in Polen. Eiser heef dit niet betwist.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

12. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. G.G. Doornbos, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R. Tesfai

Griffier

  • mr. G.G. Doornbos

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand